Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4148

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
AWB 08/4677
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6720, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns. Uitslag ter zake van vervoer naar (vermeend) belastingentrepot in Spanje. Eiseres vervoert goederen vanuit haar accijnsgoederenplaats naar Spanje. Eiseres heeft voor vertrek diverse malen de status van het bedrijf waar de goederen naartoe moeten worden vervoer gecontroleerd en daaruit bleek dat sprake was van een belastingentrepot. Twee dagen voor vertrek wordt de vergunning echter ingetrokken. Eiseres wordt hiervan niet op de hoogte gesteld en de intrekking wordt pas maanden later vermeld in het SEED.

Rb.: Vaststaat dat zowel op het moment waarop de goederen de AGP van eiseres verlieten (7 april 2007) als op het moment waarop de goederen volgens eiseres door de afnemer zijn ontvangen (10 april 2007) de afnemer geen houder meer was van een belastingentrepot. Alsdan kan niet meer worden toegekomen aan een discussie omtrent de vraag of eiseres op alternatieve wijze (dat wil zeggen op andere wijze dan is voorgeschreven in artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit accijns) heeft aangetoond dat de goederen vanuit de AGP van eiseres naar een belastingentrepot zijn gebracht.

Nu vaststaat dat de afnemer op het tijdstip waarop de goederen de AGP verlieten geen houder meer was van een belastingentrepot wordt niet meer toegekomen aan artikel 20 van de richtlijn 92/12/EG c.q. artikel 86a WA. Deze artikelen ziet op de situatie dat er tijdens het intracommunautair vervoer van accijnsgoederen onder schorsing van accijns iets gebeurt als gevolg waarvan de goederen uiteindelijk de bestemming belastingentrepot niet (volledig) bereiken. In het voorliggende geval was echter reeds op het moment dat de goederen de AGP van eiseres verlieten geen sprake van het brengen van de goederen naar een belastingentrepot. Van onregelmatigheden tijdens vervoer met als bestemming een belastingentrepot kan dan geen sprake meer zijn. Evenmin is sprake van rechtens te beschermen vertrouwen.

Heffing in Nederland kan ook niet achterwege blijven op de grond dat in de omstandigheden van dit geval naar analogie van artikel 2f van de Wet accijns zou moeten worden geheven van de afnemer wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder dat deze in de accijnsheffing zijn betrokken. De wet voorziet hier niet in. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2793
FutD 2009-1742

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/4677 ACCIJ

Uitspraakdatum: 24 juli 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X] Internationaal Expeditiebedrijf B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2006 op één aanslagbiljet verenigde naheffingsaanslagen accijns van bier (€ 558), accijns van wijn (€ 116), accijns van overige alcoholhoudende produkten van (€ 98.507) en verbruiksbelasting alcoholvrije dranken (€ 86) opgelegd (aanslagnummer [nummer 1]), alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 4.537.

1.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag accijns van overige alcoholhoudende produkten. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2008 het bezwaar afgewezen.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 juni 2008, door de rechtbank ontvangen op 27 juni 2008 beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 22 juli 2008. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [A], bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen mr. [C].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiseres kreeg begin 2006 van [D] opdracht tot het vervoeren van 2400 kartons Ricard (hierna: de goederen) onder schorsing van accijns naar Spanje, alwaar de kartons dienden te worden afgeleverd bij [E].

2.2. Eiseres heeft op 15 februari 2006 per fax bij de douanepost District [district] geïnformeerd of [E] bekend was als belastingentrepot voor (gedestilleerde) drank. Deze fax is door een medewerker van de douanepost voorzien van een stempel en de aantekening "Is accoord". Bij faxbericht van 4 april 2006 heeft eiseres nogmaals dezelfde vraag gesteld aan de douanepost District [district]. Ook deze fax is door een medewerker van de douanepost voorzien van een stempel, alsmede van de aantekening "is ok alleen voor ov. alc. prod.". Eveneens op 4 april 2006 heeft eiseres per fax van [E] een afschrift ontvangen van de vergunning van [E] voor het beheren van een belastingentrepot. De vergunning was volgens de tekst ervan geldig van 1 april 2005 tot en met 31 december 2009.

2.3. Op 5 april 2006 heeft de Spaanse douane de vergunning van [E] ingetrokken. Eiseres is hiervan niet op de hoogte gesteld door de Nederlandse of de Spaanse douane. De intrekking van de vergunning is op 1 augustus 2006 geregistreerd in de databank System Exchange Excise Data (hierna: SEED).

2.4. Het vervoer van de goederen vanuit de accijnsgoederenplaats (hierna: AGP) van eiseres is aangevangen op 7 april 2006. Op die dag heeft eiseres met inachtneming van artikel 2b van het Uitvoeringsbesluit Accijns per fax het vervoer aangemeld bij de Nederlandse douane. De douane heeft deze melding niet doorgegeven aan de Spaanse douane.

2.5. Eiseres heeft op 18 mei 2006 per fax van [E] een kopie ontvangen van het derde exemplaar (het zogeheten terugzendingsexemplaar) van het door [E] afgetekende administratief geleidedocument nr. [nummer 2] (hierna: het AGD). Het originele AGD is op 12 april 2006 door [E] ter visering aangeboden aan de Spaanse douane. Visering heeft evenwel niet plaatsgevonden.

2.6. Op vragen van de Nederlandse douane in het kader van een verzoek om wederzijdse bijstand heeft de Spaanse douane geantwoord dat het belastingentrepot van [E] per 5 april 2006 is afgesloten (vergrendeld), dat [E] geen goederen van eiseres heeft ontvangen met het AGD met nummer [nummer 2] en dat geen visering van het AGD heeft plaatsgehad, omdat [E] geen acht heeft geslagen op de vereisten voor inschrijving in de administratie en de bestemming van de goederen.

2.7. Tot de gedingstukken behoren in kopie de volgende bescheiden:

- de CMR-vrachtbrief waarmee de goederen zijn vervoerd en welke is voorzien van een stempel en een handtekening van (een medewerker van) [E] (bijlage VI bij het bezwaarschrift);

- het geleidedocument bij door [E] bij de Spaanse douane ingediende bescheiden waarin het nummer van het AGD en de naam van eiseres worden genoemd en als datum van ontvangst is vermeld 10 april 2006 (bijlage VII bij het bezwaarschrift);

- een opgave van [E] waarbij de daarachter gevoegde documenten aan de Spaanse douane zijn aangeboden en waarop onder meer het nummer van het AGD en het BTW-nummer van eiseres zijn vermeld (bijlage VIII bij het bezwaarschrift).

2.8. Zowel de factuur van eiseres ter zake van het vervoer van de goederen als de factuur ter zake van de levering van de goederen is betaald.

2.9. Bij een op 1 februari 2007 bij eiseres ingestelde deelcontrole is geconstateerd dat het AGD niet is gezuiverd en dat eiseres de niet-zuivering tijdig heeft gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd. De verzuimboete is opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

3 Geschil

3.1. Het geschil betreft de vraag of sprake is van uitslag in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op accijns (hierna: de Wet) en zo ja, of de naheffingsaanslag in dat geval niettemin moet worden vernietigd.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, en derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet wordt onder uitslag verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen, en wordt niet als uitslag aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot.

4.2. Verweerder neemt het standpunt in dat ten tijde van de aanvang van het vervoer van de goederen op 7 april 2007 [E] niet meer beschikte over een vergunning voor een belastingentrepot, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet en sprake is van uitslag doordat de goederen de AGP van eiseres hebben verlaten. Het vorenstaande brengt mee dat niet wordt toegekomen aan een discussie omtrent de vraag of eiseres op alternatieve wijze (dat wil zeggen op andere wijze dan is voorgeschreven in artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit accijns) heeft aangetoond dat de goederen vanuit de AGP van eiseres naar een belastingentrepot zijn gebracht, aangezien geen sprake (meer) is van een belastingentrepot bij [E], aldus verweerder.

4.3. Dit standpunt van verweerder is juist. Vaststaat dat zowel op het moment waarop de goederen de AGP van eiseres verlieten (7 april 2007) als op het moment waarop de goederen volgens eiseres door [E] zijn ontvangen (10 april 2007) [E] geen houder meer was van een belastingentrepot. Bijgevolg is niet voldaan aan de in artikel 2, derde lid, onderdeel c, gestelde voorwaarde dat de goederen naar een belastingentrepot zijn gebracht. Verweerder heeft terecht terzake van die uitslag de accijns nageheven van eiseres.

4.4. Eiseres heeft zich beroepen op artikel 20 van de Richtlijn 92/12/EG (hierna: de Richtlijn). Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 86a van de Wet, dat voor zover hier van belang als volgt luidt:

"3. Wanneer met betrekking tot accijnsgoederen die vanuit Nederland zijn verzonden tijdens het intracommunautaire vervoer onder schorsing van de accijns een onregelmatigheid of een overtreding in Nederland wordt begaan, worden deze goederen geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht.

4. Wanneer tijdens het in het derde lid bedoelde vervoer van accijnsgoederen blijkt dat deze goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of de overtreding is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in Nederland en worden deze goederen geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht, tenzij binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van verzending van de goederen wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of dat de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk werd begaan in een andere lid-staat."

4.6. Nu vaststaat dat [E] op het tijdstip waarop de goederen de AGP verlieten geen houder meer was van een belastingentrepot wordt naar het oordeel van de rechtbank niet meer toegekomen aan artikel 86a WA. Dit artikel ziet op de situatie dat er tijdens het intracommunautair vervoer van accijnsgoederen onder schorsing van accijns iets gebeurt als gevolg waarvan de goederen uiteindelijk de bestemming belastingentrepot niet (volledig) bereiken. In het voorliggende geval was echter reeds op het moment dat de goederen de AGP van eiseres verlieten geen sprake van het brengen van de goederen naar een belastingentrepot. Van onregelmatigheden tijdens vervoer met als bestemming een belastingentrepot kan dan geen sprake meer zijn.

4.7. Eiseres stelt dat met de onder 2.5 bedoelde kopie en de onder 2.7 genoemde bescheiden afdoende is aangetoond dat de goederen hun bestemming in Spanje hebben bereikt. Dat de goederen na het verlaten van de AGP volgens eiseres wel naar Spanje zijn vervoerd en aldaar zijn aangekomen, wat daar overigens van zij, maakt echter niet dat daarmee sprake is van het met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b van de Wet.

4.8. Eiseres heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel. Zij mocht erop vertrouwen dat [E] ten tijde van de aanvang van het vervoer van de goederen en ten tijde van de ontvangst daarvan over een geldige vergunning beschikte, omdat de Nederlandse noch de Spaanse douane heeft gereageerd naar aanleiding van de aanmelding van het vervoer. Aan het enkele uitblijven van een dergelijke reactie kan echter geen rechtens te beschermen vertrouwen als hiervoor bedoeld worden ontleend. De melding bij de douane dient ertoe om, na risicoanalyse, de buitenlandse douaneautoriteiten zo nodig op de hoogte te stellen van (mogelijke) risicovolle zendingen van accijnsgoederen. De douane is niet verplicht een dergelijke melding aan de buitenlandse douaneautoriteiten te doen. Evenmin is de douane verplicht aan de hand van die melding te controleren of het belastingentrepot van bestemming (nog) bestaat en eiseres daaromtrent te informeren. Hoewel eiseres naar het oordeel van de rechtbank met haar navraag op 5 april 2006 en haar melding op 7 april 2006 zorgvuldig heeft gehandeld, heeft zij niet kunnen en mogen menen dat met de melding bij de douane zonder dat daarop een reactie kwam, naheffing achterwege zou blijven.

4.9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat in de omstandigheden van dit geval naar analogie van artikel 2f van de Wet accijns zou moeten worden geheven van [E] wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen zonder dat deze in de accijnsheffing zijn betrokken. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus, dat om die reden heffing in Nederland achterwege moet blijven. De wetgeving kent geen bepaling op grond waarvan de heffing wegens uitslag achterwege blijft indien ter zake van dezelfde goederen tevens belasting verschuldigd zou kunnen worden ter zake van een belastbaar feit in een andere lid-staat. De Wet kent weliswaar ingevolge artikel 71 de mogelijkheid om onder voorwaarden teruggaaf van accijns te verlenen, maar afgezien van het feit dat gesteld noch gebleken is dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan, betekent die teruggaafmogelijkheid niet dat in het geheel niet geheven zou mogen worden. Immers, er kan pas aan teruggaaf worden toegekomen indien er is betaald.

4.10. Verder heeft eiseres aangevoerd dat in dit geval moet worden aangesloten bij het voor de omzetbelasting geldende leerstuk inzake het aantonen van het nultarief bij intracommunautaire leveringen of uitvoer, inhoudende dat aangetoond moet zijn dat de goederen Nederland hebben verlaten. Voor de verschuldigdheid van de accijns gaat het in het voorliggende geval echter niet slechts om de vraag of de goederen Nederland hebben verlaten. De goederen moeten de bestemming van belastingentrepot in een andere lid-staat hebben bereikt waarbij de verantwoordelijkheid voor de accijns expliciet is overgenomen door de ontvanger van de goederen. De enkele stelling dat de goederen wel daadwerkelijk in Spanje zijn aangekomen, wat daar overigens van zij, is daartoe onvoldoende.

4.11. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden tegen de verzuimboete aangevoerd. Aan de rechtbank zijn evenmin ambtshalve gronden gebleken om de boete te verminderen.

4.12. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, mr. K.M. Braun en mr. H.W.M. van Kesteren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.