Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3982

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/32750
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL4006, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring/ Toepasselijkheid 1F VV reeds in rechte komen vast te staan

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder tot ongewenstverklaring is overgegaan nadat eiser in zijn eerste asielprocedure, waarin op hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht, was uitgeprocedeerd. De toepasselijkheid van dit artikel op eiser was ten tijde van onderhavige procedure daardoor reeds in rechte komen vast te staan. Gelet hierop en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

27 februari 2009 (200805292/1, LJN: BH6112, JV 2009/178) is de rechtbank van oordeel dat eiser de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de onderhavige procedure niet opnieuw aan de orde kan stellen, nu geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De door eiser in de onderhavige procedure naar voren gebrachte documenten, alsmede hetgeen hij hieromtrent heeft verklaard, kunnen niet als feiten of omstandigheden in vorenbedoelde zin worden aangemerkt. Eiser had deze documenten en gegevens in zijn eerste asielprocedure kunnen en derhalve behoren te overleggen. Gesteld noch gebleken is dat eiser zulks niet kon doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 08/32750, V-nummer: 200.701.9840,

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake

[XXX], eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.B. Klaus, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 21 juli 2008 (bekendgemaakt op 28 juli 2008) eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 29 juli 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van eveneens 29 juli 2008 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer AWB 08/27336.

Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 9 september 2008 beroep ingesteld.

Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als zijnde ingediend hangende beroep.

Bij uitspraak van 8 oktober 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen en bepaald dat het besluit van 27 augustus 2008 wordt geschorst en dat verweerder eiser niet zal uitzetten tot zes weken na de uitspraak op het door hem ingediende beroep.

Het beroep is op 11 november 2008 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen K. Mkrttsjan, tolk in de Armeense taal.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijke kader.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, en, voor zover hier van belang, onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

In paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

"ad e.

Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, kan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Bij de toepassing van artikel 67 Vw 2000 worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend."

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

In paragraaf A5/2 van de Vc 2000 is hieromtrent - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

"Ongewenstverklaring en artikel 8 EVRM

Indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling is, ook bij eerste toelating - tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten - steeds sprake van inmenging.

Daarbij wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Hiertoe wordt een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de vreemdeling en het belang van de Staat. De omstandigheden die bij deze belangenafweging worden betrokken zijn opgenomen in B2/10.2.3."

2.2. Het bestreden besluit.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de beslissing gehandhaafd dat eiser ongewenst wordt verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vw 2000. Verweerder voert hiertoe aan dat eiser in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst wordt verklaard nu zijn asielaanvraag, bij besluit van 27 januari 2003, is afgewezen en aan hem hierbij artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 maart 2005 is dit besluit in rechte komen vast te staan. Verweerder volgt niet eisers betoog dat, gelet op zijn nadien gewijzigde asielrelaas alsmede zijn gestelde andere nationaliteit en identiteit, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet langer aan hem kan worden tegengeworpen. Verweerder verwijst hiertoe naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 februari 2008. Hierin is overwogen dat eiser in de eerste aanvraag het ware relaas en de juiste gegevens omtrent zijn identiteit met onderliggende stukken dient aan te voeren. Nu eiser dit heeft nagelaten, kan ten aanzien van de aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag gelegde verklaringen en gegevens niet gesteld worden dat dit verklaringen en gegevens zijn die eiser niet eerder had kunnen en moeten inbrengen, aldus de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb het beroep van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, met de bevestiging van laatstgenoemde uitspraak door de Afdeling op 27 maart 2008, ook eisers herhaalde asielaanvraag juridisch geen onderdeel van geschil meer kan zijn. Met inachtneming hiervan dient volgens verweerder eisers gewijzigde asielrelaas alsmede zijn gestelde andere nationaliteit en identiteit buiten het bestek van onderhavige procedure te blijven en wordt geen inhoudelijk oordeel over de geloofwaardigheid daarvan gegeven. De grondslag voor de tegenwerping aan eiser van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag blijft volledig in stand. Verweerder heeft het persoonlijke belang van eiser bij het achterwege laten van de ongewenstverklaring afgewogen tegen het algemene belang dat met de ongewenstverklaring is gediend en heeft aan het algemene belang meer gewicht toegekend. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eerder aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Daarnaast wijst verweerder op de uitkomst van eisers herhaalde asielprocedure. Gelet hierop kan volgens verweerder het gestelde manifeste bedrog van eiser in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn. Ook zijn er van de zijde van verweerder geen concrete toezeggingen gedaan om de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ongedaan te maken. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de door eiser naar voren gebrachte redenen voor zijn leugens in de eerste asielprocedure niet overtuigen. Eiser is in die procedure al gewezen op het belang van de vaststelling van identiteit en nationaliteit. Eiser is medegedeeld dat het belangrijk is dat hij de waarheid vertelt en dat hij geen gegevens achterhoudt. Tot slot stelt verweerder dat ongewenstverklaring niet achterwege dient te blijven, omdat eiser reeds tien jaar in Nederland verblijft, zoals hij heeft gesteld. Eiser heeft hier te lande nimmer rechtmatig verblijf gehad en was met de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2005 uitgeprocedeerd.

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 3 van het EVRM stelt verweerder dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst, dan wel Armenië, het reële risico loopt te zullen worden onderworpen aan een met dit artikel strijdige behandeling. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 oktober 2004, zoals bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 14 maart 2005, waarin is geconcludeerd dat eiser een vestigingsmogelijkheid heeft in Armenië.

Verweerder is tot slot van mening dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven. Volgens verweerder is er weliswaar sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en zijn twee zoons, doch van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is geen sprake. Het is geen van de familie- of gezinsleden van eiser toegestaan in Nederland te verblijven. Gelet hierop blijft toetsing in het kader van de zogenaamde 'guiding principles' als omschreven in het Boultif en het Üner arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001 (nr. 54273/00, JV 2001/254) respectievelijk 18 oktober 2006 (nr. 46410/99, JV 2006/417) achterwege.

2.3. Het standpunt van eiser.

Eiser betoogt dat hij ten onrechte ongewenst is verklaard en voert daartoe - kort weergegeven en voor zover van belang - het volgende aan. Uit het feit dat aan hem in zijn eerste asielprocedure artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen vloeit niet rechtstreeks voort dat eiser ongewenst dient te worden verklaard. Volgens eiser vereist de toepassing door verweerder van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vw 2000 een zelfstandige beoordeling van de vraag of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten zelfstandig te beoordelen of dit artikel op eiser van toepassing is. Eiser stelt zich op het standpunt dat, gelet op zijn inmiddels gewijzigde asielrelaas, dit artikel niet meer op hem van toepassing is. Daarnaast acht eiser de door verweerder in het kader van zijn ongewenstverklaring gemaakte belangenafweging onvoldoende. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting naar het land van herkomst. Volgens eiser zijn er in Azerbeidzjan geen etnisch Armeense mannen beneden de zestig jaar, is eiser technisch niet verwijderbaar en is niet gebleken dat er in Armenië daadwerkelijk een vestigingsalternatief voorhanden is. Volgens eiser is zijn ongewenstverklaring in strijd met het tussen hem en zijn echtgenote en zoons bestaande gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In het kader van de door verweerder te maken belangenafweging wijst eiser op de omstandigheid dat hij en zijn familieleden inmiddels tien jaar in Nederland verblijven. Ook wijst eiser op de omstandigheid dat zijn zoons opnieuw in procedure zijn aangaande de ambtshalve toets van verweerder op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (hierna: de Regeling). Gelet hierop is er volgens eiser sprake van inmenging in zijn recht op gezinsleven en heeft verweerder in dit kader ten onrechte niet getoetst aan de Boultif-criteria.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende.

2.4.1. Aan de handhaving van de ongewenstverklaring heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij besluit van 27 januari 2003 is afgewezen, omdat op hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht. Bij uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 14 oktober 2004 is het beroep van eiser tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard. Op 14 maart 2005 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zodat het afwijzende besluit van 27 januari 2003 in rechte is komen vast te staan.

2.4.2. Op 18 januari 2008 heeft eiser een tweede aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in zijn eerste asielprocedure niet de waarheid heeft gesproken. Het asielrelaas zoals eiser dat in zijn eerste asielprocedure naar voren heeft gebracht zou zijn gebaseerd op leugens. Ook zou er sprake zijn van een andere nationaliteit en identiteit. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een aantal documenten naar voren gebracht. Bij besluit van 24 januari 2008 is deze aanvraag door verweerder afgewezen. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van

12 februari 2008 is het beroep van eiser, gericht tegen de afwijzing, ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daarbij als volgt overwogen (ro. 11):

"Uitgangspunt is dat verzoekers in de eerste aanvraag het ware relaas en de juiste gegevens omtrent hun identiteit met onderliggende stukken dienen aan te voeren. Nu zij dit hebben nagelaten, kan ten aanzien van de thans ingebrachte verklaringen en gegevens niet gesteld worden dat dit verklaringen en gegevens zijn die verzoekers niet eerder hadden kunnen en moeten inbrengen. De door verzoekers ingebrachte documenten en het door hen verklaarde omtrent hun ware identiteit zijn dan ook geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb". Op 27 maart 2008 heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

2.4.3. Vervolgens heeft verweerder op 21 juli 2008 het besluit tot ongewenstverklaring genomen. De hiervoor onder 2.4.2 aangehaalde en aan zijn tweede asielprocedure ten grondslag gelegde documenten heeft eiser ook in de onderhavige procedure ingebracht. Eiser heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat verweerder, met inachtneming van deze documenten en de omstandigheid dat hij in zijn eerste asielprocedure niet de waarheid zou hebben gesproken, in de onderhavige procedure zelfstandig had dienen te beoordelen of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (nog) op eiser van toepassing is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser - onder meer - verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2007 (200703681/1, LJN: BB6492).

2.4.4. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet en overweegt daartoe als volgt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat verweerder tot ongewenstverklaring is overgegaan nadat eiser in zijn eerste asielprocedure, waarin op hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht, was uitgeprocedeerd. De toepasselijkheid van dit artikel op eiser was ten tijde van onderhavige procedure daardoor reeds in rechte komen vast te staan. Gelet hierop en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van

27 februari 2009 (200805292/1, LJN: BH6112, JV 2009/178) is de rechtbank van oordeel dat eiser de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de onderhavige procedure niet opnieuw aan de orde kan stellen, nu geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

De door eiser in de onderhavige procedure naar voren gebrachte documenten, alsmede hetgeen hij hieromtrent heeft verklaard, kunnen niet als feiten of omstandigheden in vorenbedoelde zin worden aangemerkt. Eiser had deze documenten en gegevens in zijn eerste asielprocedure kunnen en derhalve behoren te overleggen. Gesteld noch gebleken is dat eiser zulks niet kon doen.

2.4.5. Gelet op het voorgaande dient de toepasselijkheid op eiser van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag als een vaststaand gegeven te worden beschouwd en was verweerder op grond daarvan bevoegd eiser met toepassing van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. Verweerder heeft deze bevoegdheid in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid toegepast.

2.4.6. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat verweerder in de besluitvorming ten aanzien van zijn ongewenstverklaring in onvoldoende mate een belangenafweging heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste primaire besluit blijkt dat verweerder het algemene belang heeft afgewogen tegen eisers persoonlijke belang. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij deze weging van de wederzijdse belangen, op de in het bestreden besluit en het daarin ingelaste primaire besluit vermelde gronden, aan het persoonlijke belang van eiser bij het achterwege laten van de ongewenstverklaring minder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het algemene belang van de Nederlandse overheid dat met de ongewenstverklaring is gediend. Eiser heeft verweerders standpunt niet gemotiveerd bestreden.

2.4.7. Ten aanzien van eisers beroep op het bepaalde in artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat in de bovengenoemde uitspraak van 14 oktober 2004 van de rechtbank 's-Gravenhage reeds is geoordeeld dat bij uitzetting van eiser geen schending dreigt van artikel 3 van het EVRM, aangezien eiser een vestigingsalternatief heeft in Armenië. Zoals hiervoor eveneens is vastgesteld is deze uitspraak door de Afdeling bevestigd bij uitspraak van 14 maart 2005. Nu voornoemd oordeel in rechte vast staat zal de rechtbank beoordelen of het aangevoerde kan afdoen aan het eerdere oordeel omtrent artikel 3 van het EVRM. In dit verband oordeelt de rechtbank dat verweerder in hetgeen eiser nadien heeft aangevoerd, namelijk dat niet is gebleken dat er in Armenië daadwerkelijk een vestigingsalternatief voorhanden is, geen aanleiding behoefde te zien thans wel schending van voornoemde bepaling aan te nemen. Eiser heeft zijn standpunt niet van enige onderbouwing voorzien.

Gelet hierop en op de omstandigheid dat eiser ook overigens in beroep geen hem persoonlijk betreffende feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan verweerder aannemelijk heeft moeten achten dat eiser een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op dit artikel niet kan slagen.

2.4.8. Ten aanzien van eisers beroep op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het beleid van verweerder zoals neergelegd in paragraaf A5/2 van de Vc 2000 is bij ongewenstverklaring van een vreemdeling, ook bij eerste toelating, steeds sprake van inmenging in de uitoefening van het familie- of gezinsleven, tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser hier te lande samen met zijn echtgenote en zijn twee volwassen zoons verblijft en dat tussen hen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Evenmin is in geschil dat bij afzonderlijke besluiten van 27 januari 2003 de aanvragen van eisers echtgenote en zoons om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn afgewezen. Gelijk eiser, zijn de beroepen tegen deze besluiten bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 oktober 2004 ongegrond verklaard en heeft de Afdeling deze uitspraak op 14 maart 2005 bevestigd. Ook hebben zij nadien, net als eiser, tweede aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die bij afzonderlijke besluiten van 24 januari 2008 zijn afgewezen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 februari 2008 zijn de door hen tegen deze besluiten ingediende beroepen ongegrond verklaard. Op 27 maart 2008 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.

Gelet hierop is het eisers echtgenote en zoons niet toegestaan om in Nederland te verblijven en rust op hen de rechtsplicht Nederland te verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht en in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van inmenging in de uitoefening van het familie- of gezinsleven. De ongewenstverklaring van eiser belet immers niet de voortzetting van het familie- of gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en zijn zoons zoals dat thans bestaat en heeft bestaan voordat zij naar Nederland kwamen.

Eiser heeft in beroep, ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van inmenging in de uitoefening van zijn familie- of gezinsleven, een schrijven van verweerder overgelegd van

18 september 2008, gericht aan de gemachtigde van eiser. Dit schrijven vermeldt dat de zoons van eiser eerder geen aanbod hebben gekregen op grond van de Regeling. Ook vermeldt dit schrijven dat de procedures van de zoons van eiser aangaande de ambtshalve toets op grond van de Regeling op 17 september 2008 zijn opgebroken en dat zij (opnieuw) in procedure zijn. Gelet op dit schrijven is volgens eiser aannemelijk dat zijn zoons binnenkort mogelijk wel rechtmatig verblijf zouden kunnen krijgen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat (de inhoud van) dit schrijven in de thans aan de orde zijnde beoordeling geen rol kan spelen. Het schrijven van 18 september 2008 dateert immers van na het bestreden besluit, terwijl toetsing van het bestreden besluit plaatsvindt aan de hand van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat, nu in het onderhavige geval geen sprake is van inmenging in de uitoefening van het familie- of gezinsleven en om die reden evenmin wordt beoordeeld of inmenging gerechtvaardigd is op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, geen belangenafweging plaatsvindt in het kader van de zogenaamde 'guiding principles' als omschreven in de reeds hiervoor genoemde Boultif en Üner arresten van het EHRM.

2.4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mrs. A.M.J. Adriaansen en

C.F.J. de Jongh, leden, en door de voorzitter en door deze en mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op: