Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3916

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
AWB 07/2252
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM4638, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door eiseres bij haar tweede asielaanvraag overgelegde documenten kunnen door de Kmar niet op echtheid worden gecontroleerd vanwege het ontbreken van bruikbaar referentiemateriaal. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiseres desgevraagd ter zitting evenmin uitsluitsel kon geven over de authenticiteit van de opmaak en inhoud van de door haar overgelegde documenten, eiseres er niet in is geslaagd de authenticiteit ervan aan te tonen. De omstandigheid dat de authenticiteit van de documenten niet is vast te stellen bij gebreke van referentiemateriaal geeft geen reden om te oordelen dat op verweerder een verdere onderzoeksplicht- bijvoorbeeld in het laten opmaken van een individueel ambtsbericht- rust, zoals door eiseres wordt voorgestaan. Op eiseres rust de bewijslast om de authenticiteit van de documenten aannemelijk te maken. Dat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen in dit opzicht middels het Kmar-onderzoek betekent niet dat de bewijslast en het daarmee gepaard gaande bewijsrisico ten aanzien van de vaststelling van de authenticiteit der documenten op verweerder komt te liggen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde documenten niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het beroep van eiseres op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn, kan niet een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2007, (LJN: BB1408), waaruit volgt dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat, indien, zoals in het onderhavige geval, documenten, waarvan de authenticiteit niet is aangetoond, ter onderbouwing van een herhaalde aanvraag zijn overgelegd, de staatssecretaris op grond van artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn gehouden zou zijn de vreemdeling tegemoet te komen door een deskundige in te schakelen om de authenticiteit hiervan te onderzoeken. Het beroep op artikel 4, derde lid, van de Definitierichtlijn kan evenmin slagen. De rechtbank is van oordeel dat het derde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn, dient te worden bezien in samenhang met het eerste lid van dat artikel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres heeft miskend dat uit het eerste lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn volgt dat met de in het derde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn bedoelde documenten slechts rekening dient te worden gehouden wanneer de authenticiteit hiervan vast staat. Met betrekking tot het beroep van eiseres op naleving door verweerder van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn, heeft de rechtbank overwogen dat verweerder de door eiseres overgelegde documenten door de Kmar heeft laten onderzoeken. Nu eiseres in reactie op de onderzoeksresultaten van de KMar blijkens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 18 oktober 2005 heeft volstaan met de opmerking dat verweerder telefonisch contact op dient te nemen met de mensenrechtenorganisatie in Kinshasa om de authenticiteit te achterhalen, heeft verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien eiseres het voordeel van de twijfel te gunnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 07 / 2252

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam], eiseres,

gemachtigde [naam], advocaat te Rijsbergen,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1.Procesverloop

1.1.Bij fax van 15 januari 2007 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2007. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen.

1.2.Voorts heeft eiseres op 15 januari 2007 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.

1.3.Bij schrijven van 14 februari 2007 heeft eiseres zowel de gronden van het beroep als de gronden van het verzoek ingediend.

1.4.Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.5.De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]

1.6.Voormeld verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (met procedurenummer AWB 07/2253) is op 23 juli 2008 eveneens ter zitting behandeld.

1.7.Op 23 juli 2008 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:10, tweede lid, van de Awb is de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

1.8.Het onder 1.6 vermelde verzoek voorlopige voorzieningen heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 24 juli 2008 toegewezen in die zin dat uitzetting van eiseres achterwege blijft tot aan de beslissing op het beroep van 15 januari 2007.

1.9.Het onderzoek is voortgezet door de meervoudige kamer van de rechtbank ter zitting van 17 maart 2009. Aldaar is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]

2.Overwegingen

2.1.Op 18 oktober 2005 heeft eiseres een tweede aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de

Vw 2000.

2.2.Aan de eerste aanvraag van 6 juli 2003 heeft eiseres – voor zover thans van

belang – het volgende ten grondslag gelegd. De autoriteiten van de Democratische Republiek Congo hebben eiseres ervan beschuldigd een rebel te zijn, nadat zij in de auto van haar oom, waarin eiseres op 19 mei 2003 als passagier werd aangetroffen, een tas met militaire uniformen en wapens hadden gevonden. Eiseres werd aangehouden en gedetineerd. Een kennis van haar vader – [naam], een gevangenisfunctionaris – heeft haar, nadat zij een aantal malen was ondervraagd waarbij zij werd geslagen, helpen ontsnappen. [naam] had haar gezegd dat zij wanneer zij zou worden geslagen, moest flauwvallen. Zij is toen naar het ziekenhuis gebracht waar een soldaat bij haar moest blijven om haar te bewaken. Met behulp van een verpleger is eiseres uit het ziekenhuis ontsnapt. Nadat zij samen met haar broer 3500 dollar aan [naam] had betaald, is eiseres via Brazzaville per vliegtuig naar Nederland vertrokken.

2.3.Verweerder heeft de eerste aanvraag van eiseres bij besluit van 9 juli 2003 afgewezen. Bij faxbericht van 9 juli 2003 heeft eiseres rechtsmiddelen aangewend tegen laatstgenoemd besluit. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittinghoudende te ’s Gravenhage, heeft met toepassing van artikel 8:86 van de Awb bij uitspraak van

31 juli 2003 (AWB 03/37947 en 03/37946) het door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De afwijzing van de asielaanvraag van eiseres van 9 juli 2003 is daarmee rechtens onaantastbaar geworden.

2.4.In de uitspraak van 31 juli 2003 heeft de voorzieningenrechter – voor zover thans van belang – het volgende overwogen:

”Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas zelf op voorhand twijfels doet oproepen. De voorzieningenrechter overweegt daarbij het volgende. Verweerder heeft overwogen dat verzoekster niet weet wat het beroep van haar oom is en of hij al dan niet betrokken is bij de rebellen, ondanks het feit dat zij regelmatig contact met hem had; zij heeft immers gesteld tegelmatig met hem te zijn mee gereisd. Het wekt bevreemding bij verweerder dat de oom verzoekster alleen in de auto met wapens heeft achtergelaten, terwijl hij wist dat de auto door soldaten zou worden gecontroleerd, en daardoor de kans toenam dat via zijn nicht zijn naam bij de autoriteiten bekend zou worden. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat verzoekster vage verklaringen heeft afgelegd over haar detentie. Zij weet noch de naam noch de plaats van de gevangenis. Zij kent evenmin – behalve [naam] – namen van bewakers of personen die haar hebben ondervraagd en zij weet niet of zij voor een rechter is verschenen. Zij weet ook niet of haar ondervragers militairen waren en weet evenmin wat de functie van [naam] in de gevangenis was. Verweerder hecht geen geloof aan de verklaringen van verzoekster omtrent haar verblijf in het ziekenhuis en haar daarop volgende ontvluchting. Verweerder heeft daartoe overwogen dat verzoekster niet kan vertellen hoe lang zij in het ziekenhuis verbleef. Verder acht verweerder het vreemd dat de arts niet heeft bemerkt dat zij niet werkelijk bewusteloos was. Ook de eenvoudige wijze waarop verzoekster heeft weten te ontsnappen aan de aandacht van haar bewaker is voor verweerder niet aannemelijk. Verzoekster zou, terwijl zij heeft verklaard dat zij nog zwak was en niet goed kon lopen, de ziekenzaal hebben verlaten zonder dat haar bewaker het merkte. Evenmin is voor verweerder aannemelijk geworden dat een verpleger een voor hem onbekende vrouw zou hebben willen helpen te ontsnappen. Alles bijeengenomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de slotsom kon komen dat ernstige twijfels omtrent de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoekster bestaan”.

2.5.Op 8 juni 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking ‘het ondergaan van een medische behandeling’. Deze aanvraag is op

27 mei 2005 afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is ingetrokken.

2.6.Op 18 oktober 2005 heeft eiseres onderhavige aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan haar hernieuwde aanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij nu beschikt over documenten die haar eerdere asielrelaas kunnen onderbouwen. Het betreft:

- een dagvaarding van 16 september 2003, van het Algemeen Parket van het Gerechtshof voor de Staatsveiligheid,

- een alfabetisch formulier van 19 december 2003, van het Gerechtshof voor de Staatsveiligheid,

- een medische verklaring van 27 augustus 2003, van de Afdeling Gerechtsgeneeskunde van het Algemeen Ziekenhuis van Kinshasa,

- een medische verklaring van de psychiater [naam] van 28 januari 2005.

2.7.Uit de dagvaarding blijkt volgens eiseres dat zij op 16 september 2003 is gedagvaard om op vrijdag 21 november 2003 om 9 uur ’s-ochtends voor het gerechtshof voor de staatsveiligheid te Kinshasa/Lingwala te verschijnen voor een strafzitting in eerste en laatste aanleg in het gebruikelijk lokaal van de openbare zitting, wegens het in gevaar brengen van de staatsveiligheid en het beledigen van het staatshoofd. Uit het alfabetisch formulier blijkt volgens eiseres dat zij op 21 november 2003 is veroordeeld tot een straf van 10 jaar onvoorwaardelijk wegens het in gevaar brengen van de staatsveiligheid en het beledigen van het staatshoofd. Uit de medische verklaring van 29 augustus 2003, van de Afdeling Gerechtsgeneeskunde van het Algemeen Ziekenhuis van Kinshasa, blijkt volgens eiseres dat zij op 10 juni 2003 na mishandeling op de afdeling interne geneeskunde is onderzocht. Tot slot wijst eiseres op de medische verklaring van de psychiater [naam] waarin is vermeld dat eiseres lijdt aan een depressieve stoornis.

2.8.Bij besluit van 10 januari 2007 heeft verweerder de hernieuwde aanvraag van eiseres onder verwijzing naar het besluit van 9 juli 2003 afgewezen, nu, aldus verweerder, geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft in dit kader overwogen dat volgens de verklaring van de Koninklijke Marechaussee (KMar) mutatienr: Pl274H/05-090262 gedateerd

18 oktober 2005, wegens het ontbreken van bruikbaar referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld of de door eiseres overgelegde documenten echt zijn.

De gevolgen van het niet kunnen vaststellen van de authenticiteit van documenten komen volgens verweerder voor risico van eiseres. Verweerder wijst in dit kader op de sedert 2003 bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), meer in het bijzonder naar de uitspraak van 26 juli 2005 (LJN: AU 0346). Ten aanzien van de medische problemen van eiseres heeft verweerder het standpunt ingenomen dat deze niet zodanig zijn dat de terugkeer van eiseres naar haar land van herkomst zal leiden tot een schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

2.9.Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat het ontbreken van referentiemateriaal bij de KMar voor risico van eiseres komt. Verweerder had een individueel ambtsbericht kunnen laten opmaken.Voorts handhaaft eiseres het in de zienswijze ingenomen standpunt dat de wijze waarop verweerder de door eiseres overgelegde documenten bij de beoordeling heeft betrokken in strijd is met

artikel 4 van de Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlijn). Tot slot meent eiseres dat de toepassing van artikel 4:6 van de Awb strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM.

2.10.De rechtbank overweegt als volgt.

2.11.In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6 kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2.12.Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.13.Het toetsingskader voor de rechtbank in deze wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een nieuwe aanvraag na een eerder in rechte onaantastbaar besluit tot het oordeel komt dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechtbank de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit.

2.14.Het door eiseres ingestelde beroep kan dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere in rechte onaantastbaar geworden besluit nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die verweerder tot heroverweging noodzaakten. Daaronder moeten onder andere worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen ná het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd.

2.15.De rechtbank stelt vast dat de zijdens eiseres overgelegde documenten betrekking hebben op reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd, zodat aan het vorenstaande is voldaan.

2.16.Niettemin is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2003 (LJN: AF7223).

2.17.De rechtbank stelt vast dat de afdeling Falsificaten van de KMar op het aanmeldcentrum te ter Apel, welke is gespecialiseerd in documentenonderzoek, na ruggespraak met Bureau Documenten van de IND te Zwolle tot de conclusie is gekomen dat de door eiseres overgelegde documenten niet op echtheid gecontroleerd kunnen worden vanwege het ontbreken van bruikbaar referentiemateriaal. De omstandigheid dat de authenticiteit van de documenten niet is vast te stellen bij gebreke van referentiemateriaal geeft geen reden om te oordelen dat op verweerder een verdere onderzoeksplicht rust, zoals door eiseres kennelijk wordt voorgestaan. Op eiseres rust de bewijslast om de echtheid van de documenten aannemelijk te maken. Dat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen in dit opzicht door de echtheid van de documenten te laten onderzoeken betekent niet dat de bewijslast en het daarmee gepaard gaande bewijsrisico op verweerder komt te liggen, indiende KMar niet in staat is om de echtheid vast te stellen.

De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de onder 2.8 vermelde Afdelingsuitspraak, waarin de Afdeling het volgende overwogen heeft:

“Uit het rapport van de Afdeling Falsificaten van de Koninklijke Marechaussee van 22 maart 2005, dat deel uitmaakt van de stukken, blijkt dat de authenticiteit van het proces-verbaal wegens het ontbreken van voldoende referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld. Dit is een omstandigheid, waarvan de gevolgen bij een aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor risico van de vreemdeling komen.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 september 2003 in zaak no. 200304202/1, JV 2003/504), vormt een door de desbetreffende vreemdeling overgelegd document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, indien de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld. Als, zoals in het onderhavige geval, niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan dat sprake is van een authentiek document, is het aan de vreemdeling dit in beroep eventueel alsnog aan te tonen. “

Nu eiseres desgevraagd ter zitting evenmin uitsluitsel kon geven over de authenticiteit van de opmaak en inhoud van de door haar overgelegde documenten, stelt de rechtbank vast dat eiseres er niet in is geslaagd de authenticiteit ervan aan te tonen.

2.18.Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze documenten niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2.19.Het beroep van eiseres op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn, kan evenmin om hiernavolgende redenen tot een ander oordeel leiden.

2.20.Ingevolge voornoemde bepaling mogen de lidstaten van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking te beoordelen. De Afdeling heeft in een uitspraak van 12 juli 2007,

(LJN: BB1408), hierover het volgende overwogen.

“Voor zover artikel 4, eerste lid, Definitierichtlijn al een direct toepasbare norm zou inhouden, bestaat geen grond voor het oordeel dat de hierin opgenomen samenwerkingsplicht verder strekt dan dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en verweerder, na te hebben bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen, het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, meedeelt aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen. Nu voorts uit artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn, evenals uit artikel 31, eerste lid, Vw 2000, volgt dat verzoeker zijn aanvraag dient te staven met elementen, bestaat volgens de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, indien, zoals in het onderhavige geval, documenten, waarvan de authenticiteit niet is aangetoond, ter onderbouwing van een herhaalde aanvraag zijn overgelegd, de staatssecretaris gehouden zou zijn de vreemdeling tegemoet te komen door een deskundige in te schakelen om de authenticiteit hiervan te onderzoeken.”

De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te oordelen zodat verweerder het verzoek van eiseres om een nader individueel ambtsbericht te laten opmaken, dan ook niet heeft hoeven te honoreren.

2.21.Met een beroep op naleving van het derde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn heeft eiseres aangevoerd dat uitdrukkelijk vermeld is dat de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en er onder meer rekening moet worden gehouden met de door de asielzoeker overgelegde documenten. Volgens eiseres heeft verweerder dit niet gedaan terwijl uit artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn blijkt dat een asielzoeker niet gehouden is om aan te tonen dat een overgelegd document echt is.

2.22.De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

2.23.Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Definitierichtlijn dient, voor zover thans van belang, de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming plaats te vinden op individuele basis en wordt er onder meer rekening gehouden met:

“a. (..)

b. de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade is blootgesteld dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c. (..)”

2.24.De rechtbank is van oordeel dat het derde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn, dient te worden bezien in samenhang met het eerste lid van dat artikel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres heeft miskend dat uit het eerste lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn volgt dat met de in het derde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn bedoelde documenten slechts rekening dient te worden gehouden wanneer de authenticiteit hiervan vast staat.

2.25.Met betrekking tot het beroep van eiseres op naleving door verweerder van het bepaalde in het vijfde lid van artikel 4 van de Definitierichtlijn, overweegt de rechtbank het volgende.

2.26.Uit het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn volgt dat ingeval van een asielrechtelijk procedureel systeem waarin de vreemdeling de bewijslast heeft om zijn verzoek om internationale bescherming te staven de vreemdeling bij het ontbreken van bewijs desondanks het voordeel van de twijfel geniet, indien wordt voldaan aan een vijftal cumulatief geformuleerde voorwaarden., waaronder het leveren van oprechte inspanningen om het verzoek te staven. In dit geval heeft verweerder de door eiseres overgelegde documenten door de Koninklijke Marechaussee laten onderzoeken. Nu eiseres in reactie op de onderzoeksresultaten van de KMar blijkens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 18 oktober 2005 heeft volstaan met de opmerking dat verweerder telefonisch contact op dient te nemen met de mensenrechtenorganisatie in Kinshasa om de authenticiteit te achterhalen, heeft verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien eiseres het voordeel van de twijfel te gunnen.

2.27. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat toepassing van artikel 4:6 van de Awb strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in haar uitspraak van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland (LJN: AG8817), geoordeeld dat zelfs indien sprake is van een gedwongen terugkeer naar een land waar, naar gesteld, een risico bestaat op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling of bestraffing, in de regel moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels en termijnen, welke er toe strekken de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. In haar uitspraak van 5 maart 2002 (AE1165), heeft de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak Bahaddar geoordeeld dat slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden noodzaak kan bestaan om deze regels niet tegen te werpen en dat artikel 4:6 Awb een nationaalrechtelijke procedureregel is in voorbedoelde zin. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de werking van artikel 4:6 Awb slechts dan niet aan eiseres mag tegenwerpen, indien bijzondere, op de individuele zaak van eiseres betrekking hebbende feiten of omstandigheden daartoe nopen. In dat geval zou verweerder niet hebben kunnen volstaan met het verwijzen naar de vorige afwijzende beschikking, maar zou hij gehouden zijn de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk te beoordelen.

2.28. De vraag rijst of in het onderhavige geval sprake is van dergelijke bijzondere, op de zaak van eiseres betrekking hebbende feiten of omstandigheden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet als dusdanig bijzonder kunnen worden aangemerkt dat daarmee de toepassing van artikel 4:6 van de Awb opzij moet worden gezet. Nu de authenticiteit van de documenten niet is vastgesteld kan hieruit niet worden afgeleid dat eiseres een risico loopt op behandeling of bestraffing in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Reeds hierom heeft verweerder de werking van artikel 4:6 Awb aan eiseres kunnen tegenwerpen. Dat verweerder niet in staat is om de authenticiteit van de documenten vast te stellen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. De gezondheidstoestand van eiseres heeft verweerder evenmin als bijzondere omstandigheid hoeven aanmerken nu onbestreden is gebleven dat niet is gebleken dat eiseres zich bevindt in een vergevorderd en levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte waardoor bij terugkeer sprake zal zijn van een schending van artikel 3 EVRM. Verweerder heeft derhalve van een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van eiseres kunnen afzien.

2.29. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.30.Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.31.Mitsdien wordt beslist als volgt.

3.Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. M.I.J. Hegeman (voorzitter), B.W.P.M. Corbey-Smits en

E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.

w.g. mr. R.A. Debets,griffier

w.g. mr. M.I.J. Hegeman, voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 10 juli 2009.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.