Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3876

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
305768 - HA ZA 08-695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Perikelen sectorcompetentie civiel-kanton en verwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 305768 / HA ZA 08-695

Vonnis van 22 juli 2009

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DIREKTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Amstelveen,

eiseres,

advocaat mr. J.N. van der Pouw Kraan,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. A.J.F. Gonesh.

Partijen worden hierna aangeduid als "Direktbank" en "[gedaagde]".

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 februari 2008, met 2 producties;

- de conclusie van antwoord, met 1 productie;

- het tussenvonnis van 4 juni 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de akte overlegging (4) producties, tevens houdende akte wijziging van eis;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 oktober 2008;

- de conclusie van repliek, tevens houdende akte wijziging van eis;

- de akte houdende bezwaar tegen wijziging van eis, tevens conclusie van dupliek.

1.2. Nadat gebleken was dat aan de dagvaarding van de aanvankelijke mede-gedaagde van [gedaagde], [medegedaagde] - in de inleidende dagvaarding kennelijk abusievelijk aangeduid als [naam medegedaagde, onjuist geschreven] en hierna aan te duiden als "[medegedaagde]"- een gebrek kleefde dat tot nietigheid van die dagvaarding zou leiden, heeft Direktbank haar vordering jegens [medegedaagde] tijdens de comparitie van partijen ingetrokken.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald in het geschil tussen Direktbank en [gedaagde].

2. De feiten

In deze zaak is tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) gemotiveerd weersproken - deels blijkend uit de overgelegde stukken - het volgende komen vast te staan.

2.1. [gedaagde] en [medegedaagde] hebben een affectieve relatie gehad en woonden in de periode van maart 2004 tot en met mei 2005 samen. In augustus 2005 is de relatie tussen hen verbroken.

2.2. Op 1 maart 2005 is tussen Direktbank en [medegedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten waarbij aan [medegedaagde] een (netto) krediet werd verleend van € 13.500,--. De uit het krediet opgenomen gelden moesten in maandelijkse termijnen van € 135,-- worden terugbetaald. De geldleningsovereenkomst vermeldt ook [gedaagde] als contractuele wederpartij van Direktbank en op de daarvoor bestemde ruimte is een handtekening, als zijnde van [gedaagde], geplaatst. De overeenkomst is echter buiten [gedaagde] om afgesloten, terwijl haar handtekening onder de overeenkomst is vervalst, waarschijnlijk door [medegedaagde].

2.3. Het volledige krediet is opgenomen. Daarvan is € 10.000,-- uitgekeerd aan [medegedaagde]. Met het resterende bedrag van € 3.500,-- is op 23 maart 2005 een creditcard-schuld van [gedaagde] bij de Postbank geheel afgelost.

2.4. Ondanks sommaties is [medegedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn terugbetalingsverplichtingen jegens Direktbank.

3. Het geschil

3.1. Na een tweetal wijzigingen van eis vordert Direktbank [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2005 tot de dag der algehele voldoening en de kosten van het geding.

3.2. Zakelijk weergegeven voert Direktbank daartoe het volgende aan.

Aanvankelijk ging Direktbank ervan uit dat de overeenkomst van geldlening met [medegedaagde] en [gedaagde] was gesloten. Op grond van hetgeen in de procedure naar voren is gekomen, kan [gedaagde] echter niet meer worden aangemerkt als contractspartij. Dit brengt mee dat de rechtsgrond aan de betaling aan [gedaagde] van het bedrag van € 3.500,-- - in de vorm van de aflossing van de creditcard-schuld - is komen de ontvallen. Er is dus sprake van onverschuldigde betaling aan [gedaagde] dan wel ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde].

3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen die vordering.

4. De beoordeling

4.1. De bezwaren van [gedaagde] tegen de laatste eiswijziging van Direktbank - leidend tot de hiervoor onder 3.1. en 3.2. geformuleerde vordering - worden verworpen. Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat die verandering niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Op grond van artikel 130 Rv. is een eisende partij bevoegd haar eis te wijzigen - zowel voor wat betreft de vordering als de gronden waarop deze is gebaseerd - zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Het stond Direktbank dan ook vrij om gelijktijdig met haar conclusie van repliek haar eis te wijzigen. Noch de omstandigheid dat [gedaagde] zich daartegen slechts éénmaal (schriftelijk) kan verweren, noch het gegeven dat [gedaagde] nu geen reconventionele vordering meer kan instellen wegens onrechtmatig handelen van Direktbank doet daaraan af. Temeer, nu (i) [gedaagde] de gewijzigde vordering uitvoerig heeft weersproken bij conclusie van dupliek en niet valt in te zien welke verweren zij niet heeft kunnen voeren en (ii) het [gedaagde] vrij stond en nog steeds staat om Direktbank separaat in rechte te betrekken en vervolgens voeging c.q. verwijzing te vorderen. Dat Direktbank [gedaagde] rauwelijks heeft gedagvaard leidt - wat daar verder ook van zij - ook niet tot een ander oordeel. De eiswijziging heeft in ieder geval niet geleid tot een onredelijke bemoeilijking van [gedaagde] in haar verdediging, dan wel een onredelijke vertraging van het geding.

4.2. Het voorgaande betekent dat - na de intrekking van de vordering tegen [medegedaagde] - nu nog resteert de vordering van Direktbank tot betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 3.500,-- wegens onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking.

4.3. In haar conclusie van dupliek heeft [gedaagde] uitdrukkelijk verzocht om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter wanneer de laatste eiswijziging van Direktbank wordt toegestaan. Dat is het geval, zodat de rechtbank (sector civiel recht) zal moeten beoordelen of aan dat verzoek van [gedaagde] gevolg wordt gegeven. Overigens zou de rechtbank ook zonder een daartoe strekkend verzoek gehouden zijn om na de eiswijziging te onderzoeken of verwijzing naar de kantonrechter moet plaatsvinden (art. 95 Rv. juncto artt. 93 en 71 Rv.).

4.4. Op grond van het bepaalde in artikel 93 aanhef en onder a. Rv. is uitsluitend de kantonrechter belast met de behandeling en beslissing van/in een zaak zoals hier aan de orde. De vordering van Direktbank beloopt immers niet meer dan € 5.000,--. De zaak zal dan ook moeten worden verwezen naar de kantonrechter.

4.5. Dat stelt de rechtbank voor de vraag of verwezen moet worden naar de sector kanton van de rechtbank te 's-Gravenhage of - gelet op de woonplaats van [gedaagde] - van de rechtbank te Rotterdam.

De in artikel 71 Rv. vastgelegde verwijzingsregels lijken te impliceren dat alleen sprake kan zijn van "interne" verwijzing, in die zin dat een sector civiel van een rechtbank alleen mag verwijzen naar de sector kanton van dezelfde rechtbank en andersom. Dit kan meebrengen dat een - om welke reden dan ook - relatief bevoegde sector civiel van een rechtbank (bijvoorbeeld omdat geen beroep op de relatieve onbevoegdheid is gedaan) een zaak moet verwijzen naar een relatief onbevoegde sector kanton van de rechtbank. In veel gevallen zal de kantonrechter - anders dan de rechter van de civiele sector - zichzelf vervolgens ambtshalve onbevoegd moeten verklaren en de zaak moeten verwijzen naar de relatief wel bevoegde kantonrechter (art. 110, lid 1 Rv). In het onderhavige geval zou dit kunnen betekenen dat de kantonrechter te 's-Gravenhage de zaak - na verwijzing naar hem - op zijn beurt weer moet verwijzen naar de kantonrechter te Rotterdam. Hieraan zou wellicht in de weg kunnen staan dat de relatieve bevoegdheid van de Haagse rechtbank vaststaat op grond van artikel 107 Rv., nu aanvankelijk [medegedaagde] als mede-gedaagde optrad. Daaraan kan hier echter worden voorbijgegaan. Naast doelmatigheidsredenen brengen namelijk ook de navolgende omstandigheden mee dat (directe) verwijzing naar de kantonrechter te Rotterdam moet plaatsvinden. Direktbank had [medegedaagde] gedagvaard op een bepaald adres in Delft. Nadat [medegedaagde] niet was verschenen en er geen aanleiding was om aan diens opgegeven adres te twijfelen, is vervolgens verstek tegen hem verleend. Pas in een later stadium van de procedure is gebleken dat [medegedaagde] op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding geen bekende woon- en/of verblijfplaats had, zodat sprake was van een gebrekkige dagvaarding. Dit heeft ertoe geleid dat Direktbank haar vordering tegen [medegedaagde] tijdens de comparitie heeft ingetrokken. Wanneer een en ander op de eerstdienende dag bekend was geweest, zou geen verstek zijn verleend aan [medegedaagde] en zou de dagvaarding ten aanzien van hem direct nietig zijn verklaard. Alsdan zou - op basis van de in de dagvaarding geformuleerde vordering - van aanvang af enkel een "consumentenzaak" tegen [gedaagde] aanhangig zijn geweest. Op grond van artikel 110 lid 1 Rv juncto artikel 101 Rv zou de civiele rechter die zaak ambtshalve hebben moeten verwijzen naar de (civiele sector van de) rechtbank Rotterdam. Na de laatste eiswijziging zou vervolgens verwijzing naar de kantonrechter te Rotterdam hebben plaatsgevonden. Gelet hierop verzetten de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat - in feite door een "fout" van Direktbank - [gedaagde] van haar "eigen" kantonrechter wordt afgehouden.

4.6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak rechtstreeks verwijzen naar een bepaalde rolzitting van de sector kanton van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam. In beginsel zou Direktbank eerst nog op het verzoek van [gedaagde] tot verwijzing hebben moeten kunnen reageren. Daaraan gaat de rechtbank hier echter voorbij om proceseconomische redenen. Zonder een uitdrukkelijk verzoek tot verwijzing van [gedaagde], zou de rechtbank namelijk ambtshalve zijn overgegaan tot verwijzing. Omdat beide partijen zich hebben kunnen uitlaten over de vraag of de zaak bij de juiste rechter in behandeling is, behoeft hen niet nogmaals - maar dan uitdrukkelijk - de gelegenheid te worden geboden zich over die voorgenomen ambtshalve verwijzing uit te laten (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 228-229). Een rolverwijzing om Direktbank de mogelijkheid te geven zich uit te laten over een verwijzing betreft dus een overbodige exercitie.

4.7. De rechtbank zal de kostenveroordeling overlaten aan de kantonrechter te Rotterdam. Deze zal daarbij rekening dienen te houden met eventueel onnodig door [gedaagde] gemaakte kosten, zoals door de civiele sector van deze rechtbank in rekening gebracht griffierecht dat [gedaagde] niet verschuldigd zou zijn geweest wanneer de zaak direct bij de kantonrechter was aangebracht. Met het oog daarop wijst de rechtbank er op dat het door [gedaagde] verschuldigde griffierecht is vastgesteld op een bedrag van € 380,--, waarvan € 285,-- in debet is gesteld wegens de aan [gedaagde] verleende toevoeging.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, alwaar partijen in persoon dan wel bijgestaan of vertegenwoordigd door een gemachtigde dienen te verschijnen op de rolzitting van woensdag 2 september 2009 te 10.00 uur, teneinde verder te procederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.