Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3693

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/3145 en 2749
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wangedrag wordt voor het ene deel ondersteund door de verklaring van één getuige en voor het andere deel ondersteund door de verklaring van twee getuigen. De disciplinaire straf van ontslag is gerechtvaardigd. Het beroep is ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nrs.: AWB 09/3145 en 2749 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van

[eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. [P],

ter zake van het besluit van 9 maart 2009, van de Staatssecretaris van Defensie, verweerder, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 november 2007, inhoudende dat eiser met ingang van 15 december 2007 ontslag wordt verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), ongegrond wordt verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2009 bij de rechtbank beroep ingesteld (AWB 09/2749 MAW). Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 09/3145 MAW).

Het verzoek is op 25 juni 2009 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [P].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [D].

I OVERWEGINGEN

1. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb eveneens te beslissen in de hoofdzaak, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Hieraan kan niet afdoen dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat hij nog geen reactie heeft kunnen geven op de gedingstukken die door verweerder in de hoofdzaak zijn ingediend. De voorzieningenrechter overweegt dat namens eiser bij brieven van 4 mei 2009 de gronden van zijn beroep en van zijn verzoek om een voorlopige voorziening zeer uitvoerig zijn toegelicht. De door verweerder in de hoofdzaak ingezonden gedingstukken zijn bij brief van 6 mei 2009 door de griffier aan de gemachtigde van eiser gezonden. Eiser heeft tot deze zitting geruime tijd de mogelijkheid gehad om een nadere reactie op deze stukken in te dienen. Hij had daarbij, gelet op de connexiteit van de onderhavige procedures, er mee rekening kunnen houden dat deze stukken in beide procedures worden betrokken.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Eiser, laatstelijk marechaussee der tweede klasse bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), is met ingang van 2 januari 2006 voor bepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de KMar als marechausseebeveiliger. Na de opleiding is eiser van april 2006 tot april 2007 geplaatst bij de brigade Den Haag Beveiliging (DHBV). Met ingang van 2 april 2007 is eiser geplaatst op de functie van medewerker Grenscontrole bij de brigade Grensbewaking van het district [district].

2.2 Bij besluit van 20 juli 2007 is eiser door de Commandant van het District KMar [district] met ingang van het tijdstip van aanzegging daarvan op 19 juli 2007 geschorst in zijn ambt. Eiser heeft in dit besluit berust.

2.3.1 Bij besluit van 2 november 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 15 december 2007 ontslag verleend wegens wangedrag buiten de dienst.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 november 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt.

2.3.2 Het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 17 januari 2008 (AWB 07/9226 MAW) toegewezen, in die zin dat het besluit van 2 november 2007 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

2.4.1 Bij het thans bestreden besluit van 9 maart 2009 heeft verweerder opgemerkt dat het besluit van 2 november 2007 een aantal kennelijke verschrijvingen bevat. De vermelding dat sprake is van wangedrag buiten de dienst moet worden gewijzigd in wangedrag binnen de dienst. De vermelding dat eiser een wapen gericht zou hebben op een collega die daar vervolgens aangifte van heeft gedaan is niet geheel juist. Er is geen aangifte gedaan van deze gedraging. Het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2007 wordt ongegrond verklaard.

2.4.2 Verweerder heeft eiser in het besluit van 2 november 2007 meerdere gedragingen verweten, waarbij sprake is geweest van handelingen met het dienstwapen, de bijbehorende patroonhouder en/of de bijbehorende munitie.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit van 9 maart 2009 de grondslag van het ontslag beperkt tot één gedraging, inhoudende dat eiser tijdens een nachtdienst begin 2007 in de meldkamer van [wachtobject 2] rondliep met een doorgeladen dienstwapen in zijn hand en dat hij zijn dienstwapen op zijn collega [F] heeft gericht. Verweerder heeft zich gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [F] en [J]. Verweerder is er van overtuigd geraakt dat deze gedraging moet hebben plaatsgevonden tijdens de nachtdienst van 6 maart 2007. De overige gedragingen worden, alleen om de reden dat reeds één onbevoegde wapenhandeling ontslagwaardig wordt geacht, verder buiten beschouwing gelaten.

3. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat met betrekking tot de feiten, zoals eerder is geoordeeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 januari 2008, sprake is van gerede twijfel. Eiser meent dat geen sprake is van objectieve waarheidsvinding, maar slechts van het herstellen van fouten in het onderzoek en het dichten van gaten in de bewijslevering.

Eiser stelt dat nu alleen nog wordt verweten dat hij zijn dienstwapen uit de holster heeft gehaald. Ontslag is thans een buitenproportionele sanctie, nu verweerder bijna alle verwijten heeft laten varen, maar daaraan voor wat betreft de toegepaste sanctie geen enkele consequentie verbindt. Eiser doet, met verwijzing naar de collega's [M], [N] en [L], een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.1 Artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR bepaalt dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2 In de Ambtsinstructie voor de politie, de KMar en de buitengewoon opsporings-ambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie) zijn in Hoofdstuk 2 Geweld regels neergelegd met betrekking tot het gebruik en het ter hand nemen van een vuurwapen.

In artikel 7 van de Ambtsinstructie is limitatief opgesomd in welke gevallen het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden gegeven, slechts is geoorloofd onder strikte voorwaarden en wel bij de aanhouding van een persoon onder bepaalde omstandigheden alsmede tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden.

In artikel 10, eerste lid, van de Ambtsinstructie is bepaald dat de ambtenaar slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisie-vuur kan worden afgegeven, ter hand mag nemen:

a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of

b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, de ambtenaar terstond het vuurwapen opbergt.

5.1 De voorzieningenrechter overweegt dat bij uitspraak van 17 januari 2008 (AWB 07/9226 MAW) het verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van het besluit van 2 november 2007 is toegewezen. De voorzieningenrechter heeft in voornoemde uitspraak, op basis van de destijds aanwezige stukken en het verhandelde ter zitting, overwogen dat nader onderzoek aangewezen lijkt te zijn omdat eiser weliswaar onbevoegde wapenhandelingen heeft verricht met zijn dienstwapen, maar niet kan worden gezegd dat twee getuigen hebben gezien dat eiser zijn dienstpistool op collega [F] heeft gericht.

Daarbij komt dat verweerder niet heeft betwist dat er roosters beschikbaar zouden moeten zijn, waarop te achterhalen is welke collega's op welke dag dienst met elkaar hadden.

5.2 Verweerder heeft zich gebaseerd op de processen-verbaal die zijn opgemaakt in het kader van het onderzoek van de Sectie Interne Zaken van de Korpsstaf KMar naar het wangedrag van eiser. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de inhoud van deze processen-verbaal hier niet te volgen. De thans voorhanden zijnde gedingstukken bieden voldoende inzicht met betrekking tot hetgeen eiser is tegengeworpen. Niet gebleken is dat de in de processen-verbaal neergelegde verklaringen door de verschillende collega's zijn afgelegd uit rancune. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding ziet tot het horen van getuigen, zoals door eiser ter zitting is verzocht, nu dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de oordeelsvorming kan bijdragen.

5.3 De voorzieningenrechter overweegt dat uit de gespreksnotitie van de hoorzitting op 24 augustus 2007 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij bekend is met de laad- en ontlaadprocedures van de Brigade en met de ambtsinstructie van de KMar. Niet in geschil is dat eiser beschikt over een vuistvuurwapen type Glock 17 als dienstwapen.

6.1 Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [F] op 26 juni 2007 blijkt dat zij heeft verklaard dat zij heeft gezien dat eiser begin 2007 tijdens een nachtdienst in de meldkamer van [wachtobject 2] met zijn dienstwapen in zijn hand liep. [F] heeft daarop gezegd dat hij zijn dienstwapen direct terug moest doen in de holster. Eiser heeft daarop in eerste instantie lacherig gereageerd. [F] heeft gezien dat eiser met zijn dienstwapen in haar richting wees. Zij heeft nogmaals tegen eiser gezegd dat hij zijn dienstwapen moest holsteren. [F] heeft gehoord dat eiser tegen haar zei: "Je bent bang he?" en heeft daarop tegen eiser gezegd dat hij zijn dienstwapen moest holsteren. Zij heeft gehoord dat eiser tegen haar zei: "En anders?", waarop zij wederom heeft gezegd dat hij zijn dienstwapen moest holsteren. In de meldkamer was tevens collega [J] aanwezig.

Uit de gespreksnotitie van 13 februari 2008 blijkt dat [F] tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde gesprek overeenkomstig heeft verklaard. Zij heeft medegedeeld dat haar collega's [H] en [A] op dat moment ook aanwezig waren op het wachtobject.

Uit de gespreksnotitie van 21 maart 2008 blijkt dat [F] tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde gesprek desgevraagd heeft medegedeeld dat het mogelijk is dat het incident zich op 6 maart 2007 heeft afgespeeld.

Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [J] op 10 juli 2007 blijkt dat zij heeft verklaard dat zij tijdens de bewuste nachtdienst heeft gehoord dat eiser en [F] met elkaar in discussie waren en dat zij niet meer weet waar het over ging. Op geen gegeven moment zag zij dat eiser met zijn dienstwapen in zijn hand liep. Zij weet niet meer wat [F] tegen eiser heeft gezegd, maar het betekende wel dat hij normaal moest doen en zijn dienstwapen weer in de holster moest doen. [J] heeft gezien dat eiser dit niet meteen deed. Na nog een opmerking van [F] heeft [J] zich er mee bemoeid en tegen eiser gezegd dat hij normaal moest doen. Eiser heeft daarna zijn dienstwapen weer in de holster geplaatst.

Uit de gespreksnotitie van 20 februari 2008 blijkt dat [J] tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde gesprek overeenkomstig haar eerdere verklaring heeft verklaard. Desgevraagd heeft zij medegedeeld dat zij niet meer weet of eiser het dienstwapen op [F] heeft gericht.

Uit de diverse verklaringen van [H] en [A] blijkt dat zij met betrekking tot voornoemde gedragingen geen opmerkingen hebben gemaakt. Tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde telefoongesprek op 22 oktober 2008 heeft [H], als antwoord op de vraag of hij in de periode dat hij werkzaam was bij DHBV wapenincidenten heeft meegemaakt, verwezen naar zijn eerder afgelegde verklaringen. Hij heeft niet gehoord of gezien dat eiser in de nachtdienst van 6 maart 2007 op [wachtobject 2] zijn dienstwapen op [F] heeft gericht.

Eiser heeft deze gedragingen ontkend en gesteld dat zijn collega's hebben gelogen.

De voorzieningenrechter is van oordeel voornoemde gedragingen voldoende zijn komen vast te staan. De omstandigheid dat met betrekking tot het richten van het dienstwapen op collega [F] slechts één verklaring aanwezig is maakt dit niet anders.

De voorzieningenrechter acht het daarbij aannemelijk dat voornoemde gedragingen hebben plaatsgevonden tijdens de nachtdienst op 6 maart 2007. Verweerder heeft een aantal wachtrapporten overgelegd en inzending van wachtrapporten met betrekking tot andere wachtobjecten achterwege gelaten. Uit het wachtrapport van 6 maart 2007 blijkt dat eiser (5C), onder meer met zijn collega's [F], [J], [A] en [H] nachtdienst had. Uit de gespreksnotities van de met kapitein [O], plaatsvervangend Brigade-Commandant Brigade DHBV, gevoerde gesprekken op 4 september 2008 en 17 december 2008 blijkt dat uit het wachtrapport van 6 maart 2007 valt af te lezen dat [F] en [J] zich van 04.30 uur tot en met 05.30 uur in de meldkamer bij [wachtobject 2] bevonden. Hij acht het aannemelijk dat eiser daarbij aanwezig was omdat degene met de dienst 5C vaak in de meldkamer verblijft. De afkorting TB staat voor Ter Beschikking van de wacht. Deze personen kunnen overal op het complex worden ingezet. De codes 5P, 5P2, 5R en 5C hebben in de avonduren uitsluitend betrekking op de meldkamer bij [wachtobject 2]. Overdag hebben deze codes ook betrekking op de poort die daarnaast is gelegen.

Verweerder heeft de voornoemde gedragingen van eiser terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

6.2 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij ten aanzien van de collega's [M] en [L] onderzoek zal laten doen door de KMar en dat, indien nodig, rechtspositionele maatregelen zullen worden getroffen. Er is vooralsnog geen sprake van een situatie waarbij wangedrag is vastgesteld en dat daarop geen passende maatregelen zijn getroffen.

Bij [N] was sprake van een incident waarbij met een vinger de patroonhouder een stukje uit het geholsterde dienstwapen is gelicht. Ten aanzien van [N] heeft verweerder een ambtsbericht opgemaakt en dit opgelegd in diens personeelsdossier. De voorzieningen-rechter acht de gedraging van [N] niet vergelijkbaar met de gedragingen van eiser.

6.3 Gelet op voornoemd wangedrag van eiser was verweerder bevoegd om op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR tot ontslag over te gaan.

6.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ernst van de aan eiser verweten gedragingen het ontslag van eiser rechtvaardigt. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter de belangen van eiser voldoende meegewogen.

7. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is ongegrond.

8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.