Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3652

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/6907
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere vormen van wangedrag, op zichzelf en in samenhang, zijn merendeels gebaseerd op de verklaring van één getuige. De disciplinaire straf van ontslag is gerechtvaardigd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/6907 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde [B],

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 11 december 2007 heeft verweerder verzoeker met ingang van 1 januari 2008 ontslag verleend wegens wangedrag, met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2008 bezwaar gemaakt. Het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 28 juli 2008 (AWB 08/4767 MAW) afgewezen.

2. Bij besluit van 9 september 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 17 september 2008 beroep ingesteld.

3. Het door verzoeker ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 18 december 2008 (AWB 08/7820 MAW) afgewezen.

4. Het beroep is op 25 juni 2009 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en mr. [D].

II OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser, laatstelijk marechaussee der tweede klasse bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), is met ingang van 2 januari 2006 voor bepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de KMar als marechausseebeveiliger. Na de opleiding is eiser van april 2006 tot april 2007 geplaatst bij de brigade Den Haag Beveiliging (DHBV). Met ingang van 2 april 2007 is eiser geplaatst op de functie van medewerker Grenscontrole bij de brigade Grensbewaking van het district [district].

1.2 Op 5 juli 2007 is eiser, zowel mondeling als schriftelijk, door de Commandant van het District KMar [district] geschorst in zijn ambt. Bij besluit van 5 oktober 2007 is deze schorsing met ingang van 5 oktober 2007 voor drie maanden verlengd.

Eiser heeft in beide besluiten berust.

1.3 Het bij besluit van 11 december 2007 aan eiser verleende ontslag wegens wangedrag per 1 januari 2008 is bij het thans bestreden besluit van 9 september 2008 gehandhaafd.

2. Eiser wordt verweten dat hij in de periode van eind 2006 tot april 2007 gedurende zijn plaatsing bij DHBV veelvuldig in strijd met alle instructies tijdens diensten handelingen heeft verricht met een doorgeladen vuurwapen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van de Sectie Interne Onderzoeken. Daaruit is verweerder onder meer gebleken dat:

1. twee getuigen ([E] en [F]) hebben verklaard dat eiser tijdens een nachtdienst op of omstreeks 25 januari 2007, in de meldkamer van het [wachtobject 1], zijn dienstvuurwapen op [E] heeft gericht;

2. één getuige ([F]) heeft verklaard dat eiser tijdens een wachtdienst op het [wachtobject 2] zijn dienstpistool heeft ontladen door 10 maal de slede naar achteren te halen;

3. één getuige ([G]) heeft verklaard dat eiser zijn dienstwapen in de meldkamer van [wachtobject 3] uit de holster heeft gehaald;

4. één getuige ([E]) heeft verklaard dat eiser een filmpje heeft laten zien waarop een collega met een pistool loopt te "zwaaien" op het [wachtobject 4];

5. eiser tijdens een wachtdienst op [wachtobject 3] een collega ([H]) een pistool in zijn rug heeft geduwd en gezegd dat hij door moest lopen;

6. eiser bij de aflossing van de wacht bij het [wachtobject 5] zijn pistool op dezelfde collega ([H]) heeft gericht, nadat deze collega in de bus was gestapt;

7. één getuige ([H]) heeft verklaard dat hij enkele keren heeft gezien dat eiser, vaak samen met collega [I], tijdens de aflossing van de wachtdienst aan is komen lopen met een getrokken pistool en als een soort cowboy het pistool om zijn vinger draaide. Volgens verweerder zijn in het proces-verbaal nog een drietal incidenten aangehaald met dezelfde strekking, waarover [J] en [H] nader hebben verklaard.

Aan een beroepsmilitair bij de KMar worden hoge eisen gesteld voor wat betreft betrouwbaarheid, plichtsbetrachting en geloofwaardigheid. Gezien deze hoge eisen conflicteren de gedragingen van eiser met de uitoefening van zijn functie. Eiser beschikt kennelijk niet over het verantwoordelijkheidsbesef om op een volwassen wijze een dienstwapen onder zich te hebben. Verweerder heeft de gedragingen van eiser, elk afzonderlijk, aangemerkt als wangedrag en deze verwijtbaar geacht.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de hem verweten gedragingen telkenmale zijn gebaseerd op een enkele verklaring van een collega. Geen enkel feit wordt nader onderbouwd. Het enige incident waarbij wel sprake zou zijn van een getuige, zijnde het incident waarvoor eiser strafrechtelijk is vervolgd, heeft geleid tot vrijspraak. Eiser heeft elk incident ontkend.

Eiser meent dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

Bij brief van 4 mei 2009 heeft eiser de rechtbank verzocht vier personen op te roepen als getuige. Eiser heeft deze vier personen ook zelf opgeroepen. Bij brief van 15 juni 2009 heeft de rechtbank eiser medegedeeld vooralsnog geen aanleiding te zien gevolg te geven aan dit verzoek en dat na de behandeling ter zitting in beschouwing zal worden genomen of het onderzoek volledig is geweest.

4.1 Artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR bepaalt dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2 In de Ambtsinstructie voor de politie, de KMar en de buitengewoon opsporings-ambtenaar (hierna: de Ambtsinstructie) zijn in Hoofdstuk 2 Geweld regels neergelegd met betrekking tot het gebruik en het ter hand nemen van een vuurwapen.

In artikel 7 van de Ambtsinstructie is limitatief opgesomd in welke gevallen het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden gegeven, slechts is geoorloofd onder strikte voorwaarden en wel bij de aanhouding van een persoon onder bepaalde omstandigheden alsmede tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden.

In artikel 10, eerste lid, van de Ambtsinstructie is bepaald dat de ambtenaar slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisie-vuur kan worden afgegeven, ter hand mag nemen:

a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of

b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, de ambtenaar terstond het vuurwapen opbergt.

5.1 De rechtbank overweegt dat bij uitspraak van 18 december 2008 (AWB 08/7820 MAW) het verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van het thans bestreden besluit is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in voornoemde uitspraak overwogen dat niet valt in te zien waarom in de onderhavige zaak, gelet op het nader onderzoek van verweerder in de (ontslag)zaak van collega [I], geen nader onderzoek zou kunnen worden verricht. Voorts is overwogen dat verweerder in het onderzoek in de zaak van collega [I] aandacht kan besteden aan de verklaringen ten aanzien van eiser. De voorzieningenrechter heeft hierin echter geen reden gezien om een voorlopige voorziening te treffen, nu gelet op de reeds aanwezige verklaringen vooralsnog geen sterke twijfel bestond aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

5.2 Verweerder heeft zich gebaseerd op de processen-verbaal die zijn opgemaakt in het kader van het onderzoek van de Sectie Interne Zaken van de Korpsstaf KMar naar het wangedrag van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding de inhoud van deze processen-verbaal hier niet te volgen. Hoewel het nader onderzoek van verweerder nauwelijks nadere informatie heeft opgeleverd, bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De gedingstukken bieden voldoende inzicht met betrekking tot hetgeen eiser is tegengeworpen. Dat voor het merendeel van de gedragingen slechts één verklaring aanwezig is maakt dit niet anders. Niet gebleken is dat de in de processen-verbaal neergelegde verklaringen door de verschillende collega's zijn afgelegd uit rancune. De rechtbank ziet geen aanleiding [E], [G], [H] en [J] op te roepen als getuige, zoals door eiser is verzocht, nu deze getuigen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de oordeelsvorming kunnen bijdragen.

5.3 De rechtbank overweegt dat uit de gespreksnotitie van de hoorzitting op 20 september 2007 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij bekend is met de laad- en ontlaadprocedures van de Brigade en met de ambtsinstructie van de KMar. Niet in geschil is dat eiser beschikt over een vuistvuurwapen type Glock 17 als dienstwapen.

Het richten van het dienstwapen op collega [E]

6.1.1 Uit het proces-verbaal van aangifte van [E] op 24 april 2007 blijkt dat [E] heeft verklaard dat eiser tijdens een nachtdienst in de periode 1 januari 2007 tot 1 februari 2007 in de meldkamer op [wachtobject 1] zijn dienstvuurwapen uit de holster heeft gehaald en op haar heeft gericht op een afstand van ongeveer 50 cm van haar hoofd. Ten tijde van het incident waren tevens aanwezig de collega's [F], [I] en [K]. [E] heeft op dat moment niet gereageerd omdat eiser en [I] om het voorval moesten lachen.

Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [F] op 26 juni 2007 blijkt dat [F] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat eiser zijn pistool in zijn hand had en daarmee naar [E] wees.

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega's hebben gelogen.

Uit het vonnis van de militaire politierechter van 8 mei 2008 blijkt dat eiser is vrijgesproken omdat het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen werd geacht. De verklaring van aangeefster [E] staat lijnrecht tegenover de verklaring van eiser. Uit het vonnis blijkt voorts dat getuige [F], in tegenstelling tot haar eerdere verklaring, heeft verklaard dat zij het incident niet heeft gezien, dat zij met de rug naar de gebeurtenissen toe zat en dat zij het wel passief en hoorbaar heeft meegekregen. De getuigen [I] en [K], die eveneens zijn verwikkeld in een procedure wegens ongeoorloofde handelingen met hun dienstwapen, hebben verklaard dat zij eiser nooit ongeoorloofde handelingen met het dienstwapen hebben zien verrichten. De politierechter heeft in het vonnis benadrukt dat hij niet de overtuiging heeft gekregen dat de feiten in het geheel niet hebben plaatsgevonden maar acht het op basis van de voorliggende verklaringen niet voldoende bewezen.

6.1.2 De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser strafrechtelijk is vrijgesproken niet met zich brengt dat in bestuursrechtelijke zin onvoldoende is komen vast te staan dat het incident heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat eiser tijdens de bewuste nachtdienst zijn dienstpistool uit de holster heeft gehaald en heeft gericht op [E]. [F] heeft haar verklaring weliswaar gewijzigd, maar niet ingetrokken. Dit vormt geen aanleiding om de verklaring van [F] niet mee te wegen. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het ontladen van het dienstwapen

6.2 Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [F] op 26 juni 2007 blijkt dat [F] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat eiser op het [wachtobject 2] zijn dienstpistool uit de holster haalde en de slede van het pistool zo vaak naar achteren haalde dat alle patronen er uit vlogen.

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedraging voldoende is komen vast te staan.

Het enkele feit dat [F] haar verklaring in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot een andere gedraging heeft gewijzigd, maakt niet dat haar verklaring met betrekking tot de onderhavige gedraging niet geloofwaardig is te achten. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het uit de holster halen van het dienstwapen

6.3 Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [G] op 22 mei 2007 blijkt dat [G] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat eiser tijdens een dienst op [wachtobject 3] in december 2006 zijn dienstwapen uit zijn holster haalde en daarmee in de lucht liep te zwaaien. Meerdere collega's zijn hierbij aanwezig geweest. Daarna heeft eiser zijn dienstwapen weer geborgen in zijn holster.

Tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde telefoongesprek op 10 oktober 2008 heeft [G], als antwoord op de vraag of hij in de periode dat hij werkzaam was bij DHBV wapenincidenten heeft gezien of gehoord, verwezen naar zijn eerder afgelegde verklaring.

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedraging voldoende is komen vast te staan. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het tonen van een filmpje op de GSM

6.4 Uit het proces-verbaal van verhoor van [E] op 24 april 2007 blijkt dat [E] nog een verklaring heeft afgelegd met betrekking tot een gedraging van eiser. Zij heeft verklaard dat eiser haar in februari 2007 tijdens een dienst op een wachtobject een filmpje heeft laten zien op zijn GSM. Op het filmpje hoorde zij Turkse muziek. Zij zag dat collega [L], in uniform gekleed, met zijn wapen stond te zwaaien. Zij meent dat het filmpje, gezien de achtergrond, is opgenomen in de meldkamer op het [wachtobject 4].

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedraging voldoende is komen vast te staan.

Deze gedraging staat niet op zich zelf en moet dan ook worden bezien in samenhang met de overige verweten gedragingen. Bedoelde gedraging conflicteert met de uitoefening van eisers functie als ambtenaar van de KMar en bevestigt dat eiser niet beschikt over het bij zijn functie behorende normbesef. De KMar is zowel belast met normbewaking als normhandhaving en dit dient niet alleen extern uitstraling te hebben maar ook intern naar collega's.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het duwen van het dienstwapen in de rug van collega [H]

6.5 Uit het proces-verbaal van verhoor van [H] op 26 juni 2007 blijkt dat [H] heeft verklaard dat hij in december 2006 tijdens een dienst werkzaam was bij het [wachtobject 3]. Hij liep vanuit de rustruimte via de hal richting de meldkamer. In de hal bevindt zich een trap. Eiser kwam op het moment dat [H] de trap passeerde naar beneden lopen. Op een gegeven moment heeft [H] gevoeld dat er iets in zijn rug werd geduwd en hij voelde tegelijkertijd dat een hand op zijn linkerschouder werd gelegd. [H] is doorgelopen en heeft achter zich gekeken. Hij zag dat eiser zijn dienstwapen in zijn rechterhand hield en dit in zijn rug duwde. Vervolgens heeft [H] gezien dat eiser zijn dienstwapen weer in zijn holster plaatste.

Tijdens het met de behandelaar van het bezwaar gevoerde telefoongesprek op 22 oktober 2008 heeft [H], als antwoord op de vraag of hij in de periode dat hij werkzaam was bij DHBV wapenincidenten heeft meegemaakt, verwezen naar zijn eerder afgelegde verklaring.

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedraging voldoende is komen vast te staan. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het richten van het dienstwapen op collega [H]

6.6 Uit het proces-verbaal van verhoor van [H] op 26 juni 2007 blijkt dat [H] voorts heeft verklaard dat hij begin 2007 dienst had op het [wachtobject 5]. Bij de aflossing van de dienst wordt de dienstgroep opgehaald door de aflossingsbus. [H] zag dat eiser op de achterste bank zat. [H] is ingestapt via de achterste deur van de aflossingsbus en zag dat eiser zijn dienstwapen met zijn rechterhand op hem gericht hield. Eiser zat in een zodanige houding dat niemand anders dan [H] dit heeft kunnen zien.

Eiser heeft deze gedraging ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedraging voldoende is komen vast te staan. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

Het lopen met een getrokken pistool

6.7 Uit het proces-verbaal van verhoor van [H] op 26 juni 2007 blijkt dat [H] tevens heeft verklaard dat hij meerdere keren heeft gezien dat eiser zijn pistool gericht hield op [I] en andersom. Zij waren altijd met elkaar aan het spelen, waarbij zij vaak hun pistolen uit hun holster haalden om vervolgens het pistool op elkaar te richten. Voorts heeft [H] enkele keren gezien dat eiser en/of [I] tijdens een aflossing aan kwamen lopen met getrokken pistool. Zij draaiden dan hun pistolen rond hun vinger als een cowboy en maakten de daarbij behorende 'uhoe'-geluiden.

Eiser heeft deze gedragingen ontkend en gesteld dat zijn collega heeft gelogen.

De rechtbank is van oordeel voornoemde gedragingen voldoende zijn komen vast te staan. Vast staat dat geen sprake is van een situatie waarin op grond van de Ambtsinstructie een vuurwapen ter hand mag worden genomen. Eiser heeft derhalve gehandeld in strijd met de geldende instructies ter zake van het gebruik van dienstwapens.

Verweerder heeft deze gedragingen terecht aangemerkt als wangedrag. Niet gebleken is dat dit wangedrag niet aan eiser kan worden toegerekend.

7. Gelet op voornoemde gepleegde vormen van wangedrag, elk afzonderlijk en in samenhang, was verweerder bevoegd om op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR tot ontslag over te gaan. Dit geldt evenzeer voor de drie incidenten waarover [J] en [H] nader hebben verklaard.

8. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de aan eiser verweten gedragingen, welke merendeels gelijksoortig zijn en een eenduidig beeld doen oprijzen, het ontslag van eiser rechtvaardigt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de belangen van eiser voldoende meegewogen.

9. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.