Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2950

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
09/753523-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kindermishandeling: poging tot doodslag. Verdachte is vader van een 5 weken oude dochter. Hij heeft haar (eenmalig) ruw opgetild, zeer krachtig in de borst en de ribbenkast geknepen en haar met zeer veel kracht heen en weer geschud. Tengevolge daarvan heeft de baby 12 ribfracturen opgelopen en een breuk in haar linkeronderbeen. De rechtbank neemt voorwaardelijk opzet op de dood aan omdat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen tot hersenletsel zou leiden en dat de baby tengevolge daarvan zou komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753523-08

Datum uitspraak: 3 juli 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 juni 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Kramer en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2008, in elk geval in of omstreeks de maand april 2008, te [P] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [X] van het leven te beroven, opzettelijk

die [X] meermalen, althans éénmaal,

- (zeer) krachtig met zijn beide hand(en) om haar borst en/of ribbenkast, in elk geval om het (boven) lichaam, heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- heeft opgetild en/of (vervolgens)

- (zeer) krachtig in/op de borst en/of de ribbenkast, in elk geval in/op het lichaam, heeft geknepen en/of geduwd en/of (vervolgens)

- met (zeer veel) kracht heen en weer heeft geschud,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 april 2008, in elk geval in of omstreeks de maand april 2008, te [P] aan een persoon genaamd [X], geboren op [geboortedatum] 2008, zijnde zijn kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twaalf ribfracturen en/of een metafysaire hoekfractuur van de distale tibia van het rechter been), heeft toegebracht, door

- die [X] opzettelijk meermalen, althans éénmaal,

- (zeer) krachtig met zijn beide hand(en)om haar borst en/of ribbenkast vast te pakken en/of (vervolgens)

- op te tillen en/of (vervolgens)

- (zeer) krachtig in/op de borst en/of de ribbenkast, in elk geval in/op het lichaam, te knijpen en/of te duwen en/of (vervolgens)

- met (zeer veel) kracht heen en weer te schudden

art 304 ahf en sub 1 Wetboek van Strafrecht;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 april 2008 in elk geval in of omstreeks de maand april 2008 te [P] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], geboren op [geboortedatum] 2008, zijnde zijn kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

die [X] meermalen, althans éénmaal,

- (zeer) krachtig met zijn beide hand(en) om haar borst en/of ribbenkast, in elk geval om het (boven) lichaam, heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- heeft opgetild en/of (vervolgens)

- (zeer) krachtig in/op de borst en/of de ribbenkast, in elk geval in/op het lichaam, heeft geknepen en/of geduwd en/of (vervolgens)

- met (zeer veel) kracht heen en weer heeft geschud,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 ahf en sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 april 2008 te [P] opzettelijk een persoon (te weten [X], geboren op [geboortedatum] 2008), zijnde zijn, verdachtes, kind,

meermalen, althans éénmaal,

- (zeer) krachtig met zijn beide hand(en) om haar borst en/of ribbenkast, in elk geval om het (boven) lichaam, heeft vastgepakt en/of (vervolgens)

- heeft opgetild en/of (vervolgens)

- (zeer) krachtig in/op de borst en/of de ribbenkast, in elk geval in/op het lichaam, heeft geknepen en/of geduwd en/of (vervolgens)

- met (zeer veel) kracht heen en weer heeft geschud,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf en sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 april 2008 te [P] heeft gepoogd zijn ongeveer vijf weken oude dochter, genaamd [X], van het leven te beroven door haar zeer krachtig in de borst en in de ribbenkast te knijpen en door haar met zeer veel kracht heen en weer te schudden, of , indien de rechtbank het vorenstaande niet bewezen acht, dat verdachte door vorenstaande handelingen aan [X] zwaar lichamelijk letsel, te weten twaalf ribfracturen en een fractuur in de linker onderscheenbeen, heeft toegebracht.

Indien de rechtbank ook dat feit niet bewezen acht, wordt verdachte ervan verdacht dat hij heeft gepoogd [X] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Meest subsidiair wordt verdachte ervan verdacht dat hij [X] heeft mishandeld, waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie is van mening dat – gelet op de eigen verklaring van verdachte en gelet op het rapport van de deskundige dr. R.A.C. Bilo – sprake is van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [X].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting vrijspraak van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde bepleit. De raadsman acht slechts de onder meest subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het opzet van zijn cliënt niet gericht was op de dood van [X]. Volgens de raadsman heeft zijn cliënt ook niet willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop aanvaard. Naar de mening van de raadsman was er ook geen sprake van aanmerkelijke kans op het overlijden van [X]. Hij heeft hierbij verwezen naar het rapport van dr. Bilo, waarin deze aangeeft dat de kans op overlijden bij de handelingen die zijn cliënt bij zijn dochter heeft verricht slechts 20% is.

Met betrekking tot het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er bij [X] geen sprake is van blijvend letsel. Voorts staat naar de mening van de raadsman ook niet vast dat de fractuur in het linkeronderbeen is ontstaan door het schudden van [X] door zijn cliënt.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging(1)

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

[X] is geboren op [geboortedatum] 2008. Op 26 april 2008, [X] was toen ongeveer 5 weken oud, is zij door haar ouders naar het [ziekenhuis] in [P] gebracht, omdat haar moeder toen zij [X] uit de wieg haalde, haar borstkastje voelde “knisperen”. Na onderzoek heeft de kinderarts twee ribfracturen en een enkelfractuur bij [X] geconstateerd. Ook werd een blauwe plek op de rechterwang van [X] aangetroffen.(2) Gelet hierop heeft de kinderarts op 26 april 2008 bij de vertrouwensarts van het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), [A], melding gemaakt van een vermoeden van kindermishandeling.(3)

Op 27 april 2008 heeft mevrouw [A] met de ouders van [X] gesproken. Zij hebben tijdens dit gesprek onder meer aangegeven dat de hangwieg waarin [X] lag, 10 dagen daarvoor naar beneden was gevallen. Verder zou er niets bijzonders met haar zijn gebeurd.(4) Met betrekking tot de oorzaak van het letsel hebben zij geopperd dat [X] zou kunnen lijden aan Osteogenesis Imperfecta (hierna: O.I.).(5) Omdat ook mevrouw [A] een vermoeden van kindermishandeling had, heeft zij hiervan melding gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming. Op 15 mei 2008 heeft [B], teamleider bij het AMK, aangifte gedaan van mishandeling van [X].(6) Een en ander heeft ertoe geleid dat [X] uit huis is geplaatst.

Op 26 mei 2008 heeft de officier van justitie dr. R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige/consulent forensische pediatrie bij het Nederlands Forensisch Instituut, benoemd tot deskundige en hem gevraagd om een beoordeling van de medische bevindingen in relatie tot de door de ouders van [X] verstrekte verklaringen.(7)

Dr. Bilo heeft op 27 mei 2008 een voorlopige rapportage uitgebracht.(8) Zijn volgende rapportage dateert van 26 september 2008.(9) Daarin geeft dr. Bilo aan dat bij [X] het volgende letsel is aangetroffen: een blauwe plek op de rechterwang, twaalf ribfracturen en een metafysaire hoekfractuur van de distale tibia aan de binnenzijde van het linkeronderbeen.

In de aan dr. Bilo verstrekte gegevens worden als mogelijke verklaring voor de fracturen het volgende aangegeven: een geboortetrauma, de val met de hangwieg, de wijze van vasthouden van de baby bij het oplopen van de trap zoals verdachte heeft aangegeven te doen, en aandoeningen, waaronder O.I.

Volgens dr. Bilo kan een geboortetrauma uitgesloten worden als oorzaak vanwege de leeftijd van [X] en het ontbreken van kenmerken van genezing in de vorm van callusvorming (botgenezing). De val met de hangwieg is gezien het tijdstip (10 dagen voor de opname) niet plausibel. De ribfracturen zijn, gezien de callusvorming, mogelijk op 26 april 2008 of enige dagen daarvoor ontstaan. Ook bij de metafysaire hoekfractuur is geen sprake van opvallende callusvorming.

Wat betreft de manier van vasthouden concludeert dr. Bilo dat, indien aangeboren afwijkingen zijn uitgesloten, het onwaarschijnlijk is dat bij normale dagelijkse handelingen, inclusief de manier van vasthouden bij traplopen zoals de vader heeft aangegeven te doen, fracturen ontstaan.

Voorts concludeert hij dat aandoeningen – op basis van onderzoeken in diverse ziekenhuizen – uitgesloten moeten worden geacht als oorzaak van de fracturen. Ook O.I. kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten worden.

Evenmin kan, zo begrijpt de rechtbank het rapport, voor wat betreft de oorzaak van het geconstateerde letsel betekenis worden gehecht aan de afwezigheid van blauwe plekken.

Dr. Bilo concludeert dat op basis van exclusie met behulp van de hem bekende gegevens fysiek geweld de enig plausibele verklaring vormt voor de aangetroffen fracturen afzonderlijk en in combinatie.(10)

Naar aanleiding van dit rapport zijn de ouders van [X] op 13 oktober 2008 aangehouden als verdachten.

Verdachte heeft in zijn verhoor in eerste instantie ontkend iets met [X] te hebben gedaan. Hij verklaarde dat het ook mogelijk is dat [X] de fracturen had opgelopen, doordat zijn vrouw in de week van 26 april 2008 [X] in een omslagdoek had liggen. Zijn vrouw had hem verteld dat zij de omslagdoek te strak had omgeslagen.

Uiteindelijk heeft verdachte bekend dat hij op 25 april 2008 [X], toen zij niet wilde stoppen met huilen, uit irritatie heel ruw en heel hard uit bed heeft gehaald en haar heel stevig heeft aangepakt bij haar borst en ribbenkast. Heel zijn lichaam was in één keer gespannen door de irritatie. Verdachte weet ook dat hij sterke kracht in zijn handen heeft. Vervolgens heeft hij haar met veel kracht bij haar ribbenkast vastgepakt en haar twee keer kort en heftig geschud. Verdachte heeft aangegeven dat hij gelijk wist dat hij verkeerd bezig was. Hij hield [X] tegen zich aan en zei “sorry” tegen haar. Na het schudden was hij bang dat hij [X] wat had aangedaan, dat hij haar had vermoord.(11)

Op 16 oktober 2008 heeft de officier van justitie dr. Bilo gevraagd of de handelingen die verdachte volgens zijn eigen verklaringen van 14 en 15 oktober 2008 op 25 april heeft verricht ten aanzien van [X] mogelijk tot dodelijke gevolgen leiden(12) In het rapport van 29 januari 2009 komt dr. Bilo tot de conclusie dat de verklaring van verdachte over de gebeurtenissen op 25 april 2008 een plausibele verklaring vormen voor het ontstaan van zowel de ribfracturen als de metafysaire hoekfractuur.

Op de vraag van de officier van justitie of de handelingen die verdachte heeft verricht ten aanzien van zijn dochter [X] tot een dodelijk gevolg kunnen leiden, antwoordt hij als volgt.

De handelingen die tot de botafwijking hebben geleid (kort heftig schudden in combinatie met samendrukken van de borstkas) kunnen, indien de handelingen langer worden volgehouden dan op de beschreven wijze, op twee manieren levensbedreigend zijn:

1. het schudden kan, indien heftig (meer uitslagen per seconde) en te lang volgehouden (meer dan 5 tot 10 seconden) uiteindelijk leiden tot hersenletsel, als gevolg van een acceleratie-deceleratietrauma (ook bekend als het zogenaamde “shaken baby syndrome”). Het overlijdensrisico van kinderen met een dergelijk trauma bedraagt 20%.

2. voorachterwaarts samendrukken van de borstkas kan, indien te lang volgehouden, leiden tot stoppen van de ademhaling doordat door de compressie de ademuitslagen van de borstkas worden belemmerd. (13)

Verdachte heeft ook ter terechtzitting bekend dat hij [X] op 25 april 2008 ruw en met heel veel kracht uit bed heeft gepakt en dat hij haar vervolgens twee keer hard en heftig geschud. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij die avond nog diverse malen naar boven is gelopen om te kijken of [X] nog leefde, omdat hij besefte dat hij haar iets ergs had aangedaan. Het schoot door zijn hoofd dat zij wel dood zou kunnen zijn.(14)

Dr. Bilo is ter terechtzitting als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft gepersisteerd in hetgeen hij in zijn rapport heeft geconcludeerd. Voorts heeft hij verklaard dat de fractuur in het linkeronderbeen van [X] mogelijk is ontstaan door fysiek geweld op de baby. Het geweld hoeft daarbij niet rechtstreeks op het been te zijn uitgeoefend. Volgens dr. Bilo is het zeer wel mogelijk dat de fractuur in het linkeronderbeen een rechtstreeks gevolg is van het schudden van [X]. Door hard en krachtig te schudden ontstaat er een overstrekking van het been, waardoor het bot breekt.

Tevens heeft hij ter terechtzitting verklaard dat ook het schudden van een baby korter dan 5 seconden, als dit zeer krachtig en heftig geschied, hersenletsel tot gevolg kan hebben.(15)

De rechtbank ziet geen reden om aan de deskundigheid en aan het rapport en de verklaring van dr. Bilo ter terechtzitting te twijfelen en neemt de conclusie uit zijn rapportages over.

Gezien het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte zijn dochter zeer krachtig bij haar borst en ribbenkast heeft vastgepakt en geknepen en vervolgens twee keer met zeer veel kracht heen en weer heeft geschud, waardoor zij 12 ribfracturen en een fractuur in haar linkeronderbeen heeft opgelopen.

Andere verklaringen voor het letsel bij [X] kunnen worden uitgesloten.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte de wens had [X] van het leven te beroven of zelfs maar lichamelijk te kwetsen. Het is evenwel een feit van algemene bekendheid dat een baby zeer kwetsbaar is en dat die kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Het ruw en met kracht vastpakken en het door elkaar schudden van een 5 weken oude baby is uitermate gevaarlijk voor de gezondheid van die baby en kan zeer wel de dood tot gevolg hebben.

Volgens dr. Bilo zal het twee keer schudden van een baby in de meeste gevallen niet tot hersenletsel leiden. Indien echter het schudden zeer heftig en krachtig geschiedt, is ook hier de aanmerkelijke kans aanwezig dat dit, ook als het schudden niet langer dan 5 seconden duurt, tot hersenletsel bij een baby leidt.

Nu verdachte [X] op een zodanig heftige en krachtige wijze heeft geschud, dat zij niet alleen 12 ribfracturen, maar ook een fractuur in haar linkeronderbeen heeft opgelopen, is de rechtbank van oordeel dat hij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen tot hersenletsel zou leiden en dat [X] ten gevolge daarvan zou komen te overlijden.

Uit de eigen verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting met betrekking tot zijn reactie na het vastpakken en schudden van zijn dochter, leidt de rechtbank voorts af dat verdachte zich ook bewust was van de kans dat zijn dochter door zijn handelingen zou komen te overlijden en dat hij deze kans ook willens en wetens heeft aanvaard.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 april 2008 te [P] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [X] van het leven te beroven, opzettelijk

die [X]

- zeer krachtig met zijn beide handen om haar borst en ribbenkast heeft vastgepakt en heeft opgetild en

- zeer krachtig in de borst en de ribbenkast heeft geknepen en

- met zeer veel kracht heen en weer heeft geschud,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts verzoekt de officier van justitie de rechtbank de maatregel TBS met voorwaarden aan verdachte op te leggen.

Tevens heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

De officier van justitie heeft desgevraagd ter toelichting van haar eis aangegeven waarom zij -kort gezegd- een TBS met voorwaarden meer passend acht dan een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, waaraan dezelfde voorwaarden kunnen worden verbonden. Volgens de officier van justitie is haar keuze ingegeven door enerzijds de ernst van het feit en anderzijds de mogelijke problemen bij de behandeling van de verdachte, alsmede het feit dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Met betrekking tot de vordering tot gevangenneming heeft de officier van justitie als gronden voor de voorlopige hechtenis het gevaar voor herhaling en de 12-jaarsgrond gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht plus eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft aangevoerd dat hier slechts sprake is van eenvoudige mishandeling en dat hij de toegevoegde waarde niet ziet om zijn cliënt weer in de gevangenis te stoppen. Zijn cliënt heeft is onder behandeling bij De Waag en heeft weer werk. Zijn cliënt is hard bezig om zijn toekomst weer op te bouwen.

Voorts heeft de raadsman afwijzing van de vordering tot gevangenneming bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn vijf weken oude dochter. Verdachte heeft haar zodanig hard vastgepakt bij de borstkas en ribbenkast en haar met zoveel kracht geschud, dat zij 12 ribfracturen en een fractuur in haar onderbeen heeft opgelopen. Daarmee heeft verdachte de zijn zeer jonge dochter veel pijn bezorgd.

Het mag een geluk worden genoemd dat [X] niet ten gevolge van het door verdachte uitgeoefende geweld is overleden en ook geen ander zwaar of onherstelbaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Feiten als het onderhavige roepen gevoelens van afschuw, onbegrip en geschoktheid op. Een strafbaar feit van een dergelijke ernst rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank laat daarbij nog het volgende meewegen.

Verdachte, die zich zeer bewust was van het feit dat hij fout gehandeld had, heeft pas na zijn aanhouding in oktober 2008 de ware toedracht van en zijn aandeel in het ontstaan van het letsel bij zijn dochtertje onthuld. Als gevolg daarvan was eerst ook ten aanzien van zijn echtgenote de verdenking gerezen dat zij zich aan de mishandeling had schuldig gemaakt. Mede als gevolg hiervan is [X] tot eind oktober 2008 uit huis geplaatst. Verdachte is aldus verantwoordelijk voor deze – vanzelfsprekend uiterst ongewenste - lange scheiding tussen zijn dochter en haar moeder. Hij heeft daarmee bovendien onnodig leed toegevoegd aan de moeder, het zusje van [X] en verdere familieleden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 16 oktober 2008. Hieruit blijkt dat verdachte in 1999 tot een langdurige gevangenisstraf is veroordeeld voor een aantal vermogens- en geweldsdelicten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de pro justitia rapporten van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater, d.d. 22 januari 2009, en van drs. G.M. Jansen, GZ-psycholoog, d.d. 23 januari 2009.

Beide rapporteurs concluderen dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Geadviseerd wordt om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusie van de rapporteurs en maakt deze tot de hare.

De rapporteurs achten bij verdachte een verhoogd risico op toekomstig gewelddadig gedrag aanwezig. Gezien de ernst en de aard van de gebrekkige ontwikkeling en het verhoogde recidiverisico is het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld. Een ambulante behandeling wordt hierbij als mogelijk gezien, waarbij men wel alert dient te zijn op zogenoemd façadegedrag.

Een dergelijke behandeling kan niet alleen worden gerealiseerd in het kader van een TBS met voorwaarden, maar ook als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.

Een TBS met voorwaarden heeft ten opzichte van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden als voordeel dat intensievere en een langere periode van controle en begeleiding mogelijk is. Gelet op zijn façadegedrag is deze intensieve en langdurige begeleiding nodig, aldus de rapporteurs.

De rechtbank deelt de conclusie van de rapporteurs dat een intensieve behandeling voor een lange duur noodzakelijk is om het recidiverisico te beperken. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de rapportages onvoldoende is gebleken dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van een maatregel van TBS met voorwaarden eist. De noodzakelijke behandeling kan ook plaatsvinden in het kader van een aan verdachte op te leggen langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij verdachte zich dient te houden aan dezelfde bijzondere voorwaarden als genoemd in het maatregelrapport. Daarbij acht de rechtbank van belang dat aan de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf een lange proeftijd wordt verbonden, waardoor de langdurige en intensieve behandeling en begeleiding van verdachte ook in dit juridisch kader een onmiskenbaar dwingend karakter heeft.

Tevens acht de rechtbank hierbij van belang dat verdachte te kennen heeft gegeven zelf in te zien dat behandeling voor hem noodzakelijk is en dat hij hieraan wenst mee te werken. Verdachte is inmiddels begonnen aan een behandeling bij de Waag.

Gezien het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden genoemd in het maatregelrapport.

Ondanks de hierboven weergegeven aspecten betreffende de ernst van het feit en de gepastheid van een zware sanctie, acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte, nu hij na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is begonnen met zijn behandeling bij De Waag, inmiddels weer aan het werk is en bezig is met zijn resocialisatie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt langer dan de duur die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur aan verdachte opleggen, met een daaraan gekoppelde lange proeftijd vanwege de noodzakelijk geachte behandeling.

De rechtbank acht – gelet op het vorenstaande – de na te melden straf passend en geboden.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding de gevangenneming van verdachte te gelasten, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie zal afwijzen.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Poging tot doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 720 (ZEVENHONDERD EN TWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 13 oktober 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 16 oktober 2008,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 16 april 2009,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 535 (VIJFHONDERD EN VIJFENDERTIG) DAGEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 4 (VIER) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich onder behandeling stelt van De Waag te Leiden en dat hij zich houdt aan het behandelplan, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie;

- dat verdachte zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering en zich begeleidbaar en controleerbaar opstelt;

- dat verdachte te allen tijde wanneer hij contact heeft met zijn jongste dochter onder toezicht is van een volwassen persoon die verantwoordelijk is voor dit kind volgens de aanwijzingen van bureau Jeugdzorg;

- dat verdachte toestemming geeft aan de reclassering om hem thuis te komen bezoeken en om informatie te verstrekken en op te vragen aan c.q. bij personen en instellingen die voor de uitvoering van het toezicht van belang zijn;

- dat verdachte niet zal verhuizen zonder vooraf toestemming te hebben verkregen van de reclassering (verhuizen is alleen mogelijk binnen de regio gedurende de OTS van [X]);

- dat verdachte, op het moment dat er sprake is van een crisis, zal meewerken aan een plaatsing in een GGZ instelling;

- dat verdachte de intensiteit en de kwantiteit van zijn daginvulling doseert en dat hij aanwijzingen van de reclassering accepteert indien de intensiteit en kwantiteit niet meer in evenwicht is met zijn draagkracht;

geeft hierbij opdracht aan de reclassering krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. R. Elkerbout, voorzitter,

B. Bastein en C. de Kimpe, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1691/08-004143

2 Proces-verbaal van verhoor [C], blz. 97, 98

3 Proces-verbaal van verhoor [A], blz. 46

4 Proces-verbaal van verhoor [A], blz. 47, 48, 51

5 Een aangeboren en erfelijke aandoening van het bindweefsel, die met name gekenmerkt wordt door broze botten

6 Proces-verbaal van aangifte, blz. 43

7 Benoeming deskundige op grond van artikel 151 van het Wetboek van Strafvordering (zie proces-verbaal, blz. 164-165)

8 Voorlopige rapportage d.d. 27 mei 2008, blz. 69

9 Deskundigenrapport d.d. 26 september 2008, blz. 166 e.v.

10 Deskundigenrapport d.d. 26 september 2008, blz. 188

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 224, 243, 244, 249, 250

12 Proces-verbaal, blz. 400

13 Deskundigenrapport d.d. 29 januari 2009, blz. 494 en 495

14 Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

15 Verklaring getuige-deskundige ter terechtzitting