Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2944

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/23092 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / luchtoverdracht / veertien dagen tussen inbewaringstelling en overdracht

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de overdracht van eiser niet met de bij iedere inbewaringstelling vereiste voortvarendheid ter hand genomen. Hoewel sprake is van een zogenaamde luchtoverdracht, acht de rechtbank in deze zaak een periode van veertien dagen, waarvan tien werkdagen, tussen de inbewaringstelling van eiser en de voorgenomen overdracht naar Zwitserland op 9 juli 2009 onvoldoende voortvarend. In het bijzonder laat de rechtbank daarbij wegen dat reeds (ruim) voor eisers inbewaringstelling op 25 juni 2009, als gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000, een claimverzoek tot terugname van eiser bij de Zwitserse autoriteiten was ingediend en dat die autoriteiten daarmee hadden ingestemd. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder niet met vermelding van in deze zaak concrete en noodzakelijke uitvoeringshandelingen heeft aangegeven dat en waarom het niet mogelijk is geweest eiser eerder dan op 9 juli 2009 over te dragen aan Zwitserland. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2009 (LJN: BI1548), waaruit, voor zover van belang, kan worden afgeleid dat verweerder met gepaste voortvarendheid de overdracht ter hand neemt, indien hij bij de toepassing van het voor de effectuering van overdrachten gehanteerde protocol tevens rekening houdt met de concrete omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/23092 VRONTN

Uitspraak in het geding tussen de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiser]

geboren op 10 mei 1980,

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. A.W.M. van de Wouw, advocaat te Tilburg,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: S. Knoop-Alberts, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2009 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.

Eiser heeft daartegen bij brief van 25 juni 2009 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 juli 2009. Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 De rechtbank stelt vast dat de gronden van het bestreden besluit niet in geschil zijn. Evenmin is in geschil dat die gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat de procedure tot de inbewaringstelling alsmede de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

2.3 Eiser heeft ter zitting betoogd dat het - gelet op het tijdstip van overdracht aan Zwitserland - erg lang duurt voordat eiser daadwerkelijk wordt uitgezet.

2.4 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 23 februari 2009 hebben de Zwitserse autoriteiten ingestemd met de terugname van eiser. Op 25 mei 2009 heeft verweerder de vreemdelingenpolitie verzocht eiser in bewaring te stellen ter fine van overdracht naar Zwitserland. Daarop is eiser gevorderd op 22 juni 2009 te verschijnen bij de vreemdelingenpolitie. Op die datum is eiser niet verschenen. Vervolgens is eiser op 25 juni 2009 staande gehouden en in bewaring gesteld.

Op 1 juli 2009 is een eerste vertrekgesprek gevoerd met eiser en op of omstreeks deze datum is een vlucht geboekt naar Zwitserland. Voorts is op 3 juli 2009 een tweede vertrekgesprek gevoerd met eiser, waarin is meegedeeld dat hij op 9 juli 2009 om 09:50 uur zal vertrekken naar Zurich.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de overdracht van eiser niet met de bij iedere inbewaringstelling vereiste voortvarendheid ter hand genomen. Hoewel sprake is van een zogenaamde luchtoverdracht, acht de rechtbank in deze zaak een periode van veertien dagen, waarvan tien werkdagen, tussen de inbewaringstelling van eiser en de voorgenomen overdracht naar Zwitserland op 9 juli 2009 onvoldoende voortvarend. In het bijzonder laat de rechtbank daarbij wegen dat reeds (ruim) voor eisers inbewaringstelling op 25 juni 2009, als gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000, een claimverzoek tot terugname van eiser bij de Zwitserse autoriteiten was ingediend en dat die autoriteiten daarmee hadden ingestemd. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder niet met vermelding van in deze zaak concrete en noodzakelijke uitvoeringshandelingen heeft aangegeven dat en waarom het niet mogelijk is geweest eiser eerder dan op 9 juli 2009 over

te dragen aan Zwitserland. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2009 (LJN: BI1548), waaruit, voor zover van belang, kan worden afgeleid dat verweerder met gepaste voortvarendheid de overdracht ter hand neemt, indien hij bij de toepassing van het voor de effectuering van overdrachten gehanteerde protocol tevens rekening houdt met de concrete omstandigheden van het geval.

Het beroep van verweerder - met een uiteenzetting van de verschillende in het protocol opgenomen handelingen die in zijn algemeenheid moeten worden verricht voor de overdracht van een geclaimde vreemdeling en een verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, van 2 oktober 2008 (LJN: BF6919), waarin, voor zover van belang, is overwogen dat een termijn van veertien dagen redelijk moet worden geacht - volstaat in het licht van het voorgaande niet.

2.6 De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Het beroep is derhalve gegrond. De bewaring dient met ingang van heden te worden opgeheven, indien en voor zover niet zinledig vanwege eisers uitzetting.

2.7 Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, aan de vreemdeling een schadevergoeding toekennen.

2.8 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een schadevergoeding toe te kennen van € 105,-- voor de dagen dat de maatregel in een politiecel ten uitvoer is gelegd en € 80,-- voor de dagen dat de maatregel in een huis van bewaring ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding van € 1120,-- toekomt.

2.9 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden, indien en voor zover niet zinledig vanwege eisers uitzetting;

- kent aan eiser ten laste van verweerder een schadevergoeding toe van € 1120,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan de griffier van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer [nummer] ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op l0 juli 2009.

De voorzitter van de rechtbank 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding van € 1 120,--.

Aldus gedaan op l0 juli 2009 door mr. R.P. van Baaren, fungerend voorzitter.