Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2703

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
09/655361-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan een moeder is o.a. ten laste gelegd dat zij haar twee dochters in een hulpeloze toestand zou hebben gebracht en/of gelaten door met hen bij haar echtgenoot te blijven wonen, terwijl zij wist dat deze agressie toonde jegens de kinderen en door geen hulp te vragen aan personeel van de school van de kinderen dan wel aan politie en/of justitie. Verdachte is hiervan vrijgesproken omdat zij naar het oordeel van de rechtbank niet het opzet had om haar dochters in een hulpeloze toestand te brengen en/of te laten. Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan mishandeling van haar beide dochters, die ook al door hun vader werden geslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/655361-08

Datum uitspraak: 10 juli 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 14 november 2008 en 26 juni 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk:

- haar kind, [X], met een riem op de voet(en) heeft geslagen en/of

- haar kind, [X], op het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen en/of op/tegen de armen heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen het lichaam en/of de benen heeft geschopt ,waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk:

haar kind, [Y], tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam en/of tegen de benen en/of op/tegen de armen, heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

zij op tijdstippen in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] opzettelijk [Y] en/of [X], tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand heeft gebracht of heeft gelaten, immers heeft zij verdachte met dat opzet:

- terwijl zij, verdachte, wist dat haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] met (grote) regelmaat agressie jegens die [Y] en [X] toonde en/of

- terwijl zij, verdachte, wist dat haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] al dan niet opvoedkundige en/of huishoudelijke eisen aan die [Y] en [X] stelde waaraan die [Y] en [X] niet (konden en/of wilden) voldoen en/of

- zulks terwijl zij, verdachte, wist dat haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] als regel had: "wie niet luistert, krijgt klappen" en/of

- zulks terwijl zij, verdachte wist dat haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] die [Y] en [X] met (grote) regelmaat, althans iedere week, in ieder geval meermalen heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

- nadat zij door een personeelslid van de school van die [Y] en [X] was aangesproken op de blauwe plekken op het lichaam van die [Y] en [X], dat personeelslid niet om raad en/of bijstand gevraagd en/of

- zich niet tot politie en/of justitie gewend om de mishandelingen van die [Y] en/of [X] te melden en/of

- met haar dochters [Y] en [X] in de woning bij haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] blijven wonen, zodat de mishandelingen door haar, verdachtes, echtgenoot, [echtgenoot] voort konden gaan,

zulks terwijl die [Y] en/of [X] geheel van verdachte en die [echtgenoot] afhankelijk was/waren voor hun opvoeding en verzorging;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte haar dochter [X] in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] heeft mishandeld door haar met een riem op de voeten te slaan en door haar op diverse plekken op het lichaam te slaan en/of te schoppen (feit 1) en dat zij haar dochter [Y] in diezelfde periode eveneens heeft mishandeld door haar te slaan en/of te schoppen tegen diverse plekken op het lichaam (feit 2). Verder zou verdachte in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] haar twee dochters in een hulpeloze toestand hebben gebracht en/of gelaten door met hen bij haar echtgenoot, [echtgenoot], te blijven wonen terwijl zij wist dat haar echtgenoot agressie toonde jegens de kinderen en door geen hulp te vragen aan personeel van de school van de kinderen dan wel aan politie en/of justitie (feit 3).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan, met uitzondering van het schoppen van beide meisjes en van het slaan met een riem op de voeten van [X].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten omdat uit het dossier niet blijkt dat de dochters van verdachte pijn en/of letsel hebben ondervonden van de mishandelingen door verdachte.

De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op een uitspraak van de Hoge Raad van 30 mei 1931 (NJ 1932, p. 1266), waarin is beslist dat geen sprake was van verlating van een hulpbehoevende, omdat er anderen in de omgeving van de familie waren die voor het kind hadden kunnen zorgen. In het onderhavige geval waren volgens de raadsvrouw eveneens anderen aanwezig die voor de kinderen hadden kunnen zorgen, zoals de hulpverlening en de school van de kinderen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging(1)

3.3.1 Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Verdachte heeft samen met haar echtgenoot, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]), twee minderjarige dochters, [X] en [Y].

Volgens een proces-verbaal van bevindingen werd de politie op 15 juni 2007 gestuurd naar de [school] te [P] alwaar een leerlinge zou zijn die tussen de middag door haar vader op haar neus was geslagen. De verbalisanten die ter plaatse zijn gegaan, troffen in de werkkamer van de directeur [Y] en [X] aan. Bij beide meisjes rolden de tranen over de wangen. [Y] vertelde dat ze tijdens de lunchpauze door haar vader was geslagen op haar neus en hierdoor een bloedneus had gekregen. Zowel de juffrouw van [Y] als de juffrouw van [X] verklaarden dat de meisjes op school wel vaker hadden verteld dat ze thuis werden geslagen.(2)

In overleg met het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) werd besloten [echtgenoot] en verdachte uit te nodigen voor een gesprek op het politiebureau.

[echtgenoot] heeft bekend dat hij zijn dochters met enige regelmaat heeft geslagen en geschopt. Hij deed dit omdat hij moeite had met de opvoeding van zijn kinderen en hen voor zijn gevoel niet de baas kon. Tevens heeft [echtgenoot] verklaard dat zijn vrouw de kinderen om diezelfde redenen wel eens sloeg in het gezicht. Volgens [echtgenoot] is het mishandelen begonnen toen de kinderen ongeveer 6 jaar oud waren.(3) Hij is voor deze mishandelingen op 11 maart 2008 door de politierechter te ’s Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact.

Ook verdachte heeft zowel tijdens haar verhoor bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij haar dochters wel eens sloeg, omdat zij beiden qua opvoeding niet makkelijk zouden zijn. Verdachte sloeg haar dochters ook wel eens terug als zij haar hadden geslagen. Volgens verdachte is het mishandelen ongeveer 2 à 3 jaar geleden begonnen en sloeg zij haar dochters ongeveer eens in de 4 maanden. Tevens heeft verdachte verklaard dat zij na het slaan altijd spijt had en zich afvroeg waar zij mee bezig was.(4)

Op 19 juni 2007 is de leerkracht van [Y] als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat op school het vermoeden van mishandeling al langer aanwezig was. Tevens heeft zij verklaard dat [Y] heeft verteld dat zij door haar moeder met een riem op haar voeten was geslagen. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend [Y] dan wel [X] met een riem op de voeten te hebben geslagen. Het slaan met een riem is alleen ten aanzien van [X] ten laste gelegd. Nu er geen enkel bewijsmiddel voorhanden is dat verdachte haar met een riem zou hebben geslagen, dient verdachte ten aanzien van dit gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting ontkend haar dochters te hebben geschopt. Nu zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit zou kunnen blijken dat verdachte dit wel heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van dit gedeelte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten eveneens dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat in het dossier nergens staat vermeld dat [Y] en [X] pijn en/of letsel hebben ondervonden door het slaan door verdachte. Dit staat evenwel niet in de weg aan een bewezenverklaring van de mishandelingen zoals ten laste gelegd onder 1 en 2, omdat pijn ook bewezen kan worden aan de hand van algemene ervaringsregels. Zoals hierboven weergegeven sloeg verdachte de kinderen terug en deed zij dit onder meer in hun gezicht. De algemene ervaring leert dat wanneer iemand een klap in het gezicht krijgt, dit pijn doet. Dit zal eens te meer het geval zijn indien de klap wordt gegeven als reactie op een eerder zelf ontvangen klap. Ook het feit dat verdachte na het slaan spijt had en zich afvroeg waar zij mee bezig was, duidt er op dat de klappen die zij gaf pijn moeten hebben gedaan bij haar kinderen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de dochters van verdachte pijn hebben ondervonden door haar mishandelingen.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hieronder weergegeven.

3.3.2 Ten aanzien van feit 3

Op grond van wat hierboven is overwogen staat voldoende vast dat [echtgenoot] de beide dochters van hem en verdachte gedurende de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 herhaaldelijk heeft mishandeld door hen te slaan en te schoppen.(5)

De rechtbank stelt vast dat het niet zo is dat verdachte in deze periode in het geheel geen hulp heeft proberen te zoeken voor de problemen in haar gezin. Zij heeft verklaard dat zij diverse malen heeft getracht de mishandeling van haar dochters te voorkomen door er tussen te springen als haar man hun dochters mishandelde. Zij werd dan echter zelf ook door haar man geslagen en geschopt of kreeg spullen naar haar hoofd gegooid, zodat zij dit niet altijd durfde.(6) Ook heeft verdachte in de tenlastegelegde periode als gevolg van de huiselijke problemen en agressie van [echtgenoot] een echtscheiding overwogen.(7) Voorts heeft verdachte op de school van de meisjes, toen haar gevraagd werd naar mogelijke mishandelingen thuis, tegenover de directeur beaamd dat deze plaatsvonden.(8) Naar aanleiding van een gesprek dat [echtgenoot] met de bedrijfsmaatschappelijk werker op zijn werk heeft gevoerd, heeft verdachte bovendien samen hem gesprekken gevoerd met deze bedrijfsmaatschappelijk werker en zijn ze gezamenlijk doorverwezen naar stichting MEE voor het starten van hulpverlening aan het gezin.(9)

De rechtbank acht verder van belang dat verdachte en [echtgenoot] in de genoemde periode samenwoonden in een huwelijkse relatie en dat de mishandelingen overwegend in de echtelijke woning plaatsvonden. Verdachte had als moeder, op grond van de algemene verplichtingen van ouders zoals onder andere neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, zeker de plicht hun kinderen tegen de mishandelingen door hun vader te beschermen. Zij is in de nakoming van die plicht tekortgeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan haar daarvan echter, gelet op het belangen- en loyaliteitsconflict waarin zij in de geschetste situatie als echtgenote en moeder is komen te verkeren, geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt in die zin dat zij opzet –al dan niet in voorwaardelijke vorm– zou hebben gehad op het in hulpeloze toestand brengen of laten van hun dochters. De loyaliteit van echtgenoten onderling wordt ook door de wet beschermd: zo wordt bij het bestaan van een plicht tot aangifte bijvoorbeeld een uitzondering gemaakt voor iemand die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen (waaronder de echtgenoot, zie de artikelen 160 en 219 Wetboek van Strafvordering). Voor mishandeling bestaat overigens niet zo’n algemene aangifteplicht.

Gezien de bovenvermelde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had om haar dochters in een hulpeloze toestand te brengen en/of te laten. De rechtbank zal haar dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] meermalen, telkens opzettelijk, haar kind, [X], in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

2.

in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 te [P] meermalen, telkens opzettelijk, haar kind, [Y], in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten zijn verbeterd, zoals weergegeven in de bewezenverklaring. Door deze verbetering is verdachte niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing vermelde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van vijf jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dit inhoudt het volgen van enige vorm van therapie bij De Waag dan wel een andere instelling en ook indien dit inhoudt het mogelijk maken of accepteren van pedagogische gezinsbegeleiding.

De officier van justitie acht een lange proeftijd noodzakelijk omdat er, gelet op de rapportages en de verklaringen van verdachte, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [Y] en [X].

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een proeftijd voor de duur van vijf jaren in strijd is met het gelijkheidsbeginselbeginsel, aangezien [echtgenoot] een proeftijd van twee jaren heeft opgelegd gekregen. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een zo lange proeftijd niet noodzakelijk is. Het krijgen van hulpverlening is erg belangrijk voor verdachte, maar deze kan ook in een ander kader worden verkregen. Dat blijkt naar de mening van de raadsvrouw ook uit het feit dat de hulpverlening reeds op vrijwillige basis was gestart voordat bekend werd dat verdachte zou worden gedagvaard.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Door de rechtbank wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 15 juni 2004 tot en met 15 juni 2007 schuldig gemaakt aan mishandeling van haar beide dochters, die ook al door hun vader werden geslagen. Zij heeft hen meermalen onder andere in het gezicht geslagen. Mishandeling van een eigen kind is een kwalijk feit. Juist thuis bij hun eigen ouders horen kinderen zich immers veilig te kunnen voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die zijn mishandeld door hun ouders hiervan nog lang de psychische nawerking kunnen ondervinden.

Door de rechtbank wordt echter ook rekening gehouden met het volgende.

Blijkens het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2008 is zij niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Psycholoog A. Leurs concludeert in zijn pro justitia rapport d.d. 5 februari 2009 dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een functioneren op zwakbegaafd niveau. Hierdoor is verdachte verminderd in staat om de gevolgen van een situatie te overzien, adequaat te handelen, zich te verplaatsen in het perspectief van de kinderen en handelt zij veelal impulsief. Dientengevolge dient verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank kan zich met de conclusie van de deskundige dat verdachte verminderd ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht verenigen en neemt deze over.

In de rapporten van Reclassering Nederland d.d. 22 september 2008 en 27 januari 2009 wordt – om herhaling te voorkomen– geadviseerd verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringsbegeleiding, ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag.

Sinds de mishandelingen van haar dochters door verdachte zijn inmiddels twee jaar verstreken. De kinderen van verdachte zijn gedurende nagenoeg die gehele periode uit huis geplaatst geweest, maar wonen inmiddels weer bij hun ouders. In de tussentijd is voor het gezin een netwerk van multidisciplinaire hulpverlening opgezet, zoals is gebleken uit de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting en uit de verklaring van de reclasseringswerker, mevrouw [A], die als getuige-deskundige ter terechtzitting is opgetreden. Het gezin krijgt hulp van een gezinscoach van Ipse. [echtgenoot] volgt via Ipse een agressieregulatietraining. Voorts heeft het gezin regelmatig contact met Jeugdzorg, met hun gezinsvoogd en met De Waag. Verdachte is inmiddels ook in behandeling bij De Waag. Een keer in de zes weken komen al deze hulpverleners bovendien samen om het gezin te bespreken. Mevrouw [A] heeft duidelijk aangegeven dat het momenteel erg goed gaat met het hele gezin en dat de kans op recidive aanzienlijk is verminderd.

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 3 ten laste gelegde en gelet op alle bovenvermelde omstandigheden, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor verdachte thans niet meer passend. De rechtbank zal een werkstraf van na te noemen duur opleggen. De rechtbank zal deze werkstraf geheel voorwaardelijk opleggen, mede om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom soortgelijke feiten te begaan.

De rechtbank acht voorts van belang dat verdachte haar behandeling bij De Waag zal blijven volgen. Door deze behandeling kan het gevaar voor recidive nog verder worden verminderd. De rechtbank zal deze behandeling dan ook als bijzondere voorwaarde verbinden aan de voorwaardelijk op te leggen werkstraf.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om een proeftijd voor langere duur dan twee jaar op te leggen, nu verdachte reeds bijna twee jaar op vrijwillige basis hulpverlening ontvangt en de rechtbank er vertrouwen in heeft dat zij dit, indien nodig, ook na het verstrijken van de proeftijd zal voortzetten. Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad kan een bijzondere voorwaarde bovendien niet worden opgelegd gedurende een langere periode dan twee jaar.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en 2:

mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 40 (VEERTIG) UREN;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht, ook indien dit inhoudt het volgen van therapie bij De Waag dan wel een andere instelling en ook indien dit inhoudt het mogelijk maken of accepteren van pedagogische gezinsbegeleiding.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. N.B. Verkleij, voorzitter,

B. Bastein en A. Hartmann, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van der Graaff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2009.

Mr. Bastein, mr. Hartmann en mr. Van der Graaff zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar hierna wordt verwezen naar processen-verbaal en geschriften met paginanummers, betreft dit de paginanummers van de processen-verbaal en geschriften in het doorgenummerde dossier met nummer 1581/2007/15653.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 19-20.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [echtgenoot], p. 22 en p. 26-27.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 24 en eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [echtgenoot], p. 22 en eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [echtgenoot], p. 26-27, proces-verbaal van bevindingen verhoor [X], p. 67 en eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], p. 36.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [echtgenoot], p. 22 en eigen verklaring verdachte ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37, proces-verbaal van verhoor verdachte [echtgenoot], p. 22 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 24.