Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2502

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 9713
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad / relativiteitsvereiste / niet tijdig besluit / geen schadevergoeding

Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad omdat het besluit in primo van 7 oktober 2004 inhoudelijk onjuist is gebleken. Daarnaast heeft verweerder niet tijdig, binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist op het bezwaar van eiseres. Het bezwaar dateert immers van 8 november 2004, terwijl verweerder eerst op 4 januari 2005 op het bezwaar heeft beslist.

De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). In dit arrest overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4: “Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [verweerster] is gevorderd”.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt het volgende naar voren (zie ondermeer uitspraken van 26 maart 2008 (200705549/1) en van 4 juni 2008 (200707146/1)). De regels van het nationale vreemdelingenrecht, op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar uiteindelijk ook heeft verleend, hebben tot doel haar een recht op verblijf voor bepaalde tijd in Nederland te verlenen voor verblijf bij partner en strekken niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt het verlenen van deze verblijfsvergunning de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, maar dit betekent niet dat verlening van de verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven en zich te verzekeren tegen ziektekosten. Dat de procedure door toedoen van de staat nodeloos lang heeft geduurd, maakt het vorenstaande niet anders.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de door eiseres gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 9713

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 juli 2009

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. K. Mohassel Zadeh, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 25 mei 2006 verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 17 oktober 2006 afgewezen met uitzondering van de telefoonkosten tot een bedrag van € 250,-. Eiseres heeft tegen het besluit op 24 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 17 maart 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 19 november 2008 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 6:162, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2.3 Ingevolge artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (het relativiteitsvereiste).

2.4 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiseres heeft op 12 juli 2004 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]” bij de Nederlandse ambassade te Teheran. Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat eiseres haar aanvraag in het buitenland had afgewacht. Eiseres heeft tegen dit besluit op 8 november 2004 bezwaar gemaakt en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 3 december 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder binnen twee weken op het bezwaar dient te beslissen (AWB 04/49182). Bij brief van 4 januari 2005 heeft verweerder eiseres bericht dat hij geen bezwaren meer maakt tegen de afgifte van een mvv. Eiseres dient haar eigen geldige nationale paspoort te overleggen en een kopie van het Nederlandse papoort van referent. Eiseres heeft op 9 februari 2005 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]”. Bij besluit van 22 maart 2005 is eiseres de gevraagde verblijfsvergunning verleend.

2.5 Eiseres verzoekt om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden in verband met de onredelijk en verwijtbaar trage afhandeling van haar aanvraag voor een mvv. Hierdoor heeft zij een jaar studie achterstand opgelopen terwijl ze de kosten voor haar studie al had betaald. Daarnaast heeft zij een nieuw vliegticket moeten kopen omdat niet tijdig is beslist. Voorts heeft zij telefoonkosten gemaakt en zal zij een jaar later afstuderen waardoor zij een jaar inkomsten als tandarts misloopt.

2.6 Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de cumulatieve vereisten als genoemd in artikel 6:162 en 6:163 BW. Weliswaar is sprake van een onrechtmatige overheidsdaad door het niet tijdig beslissen, maar er is niet voldaan aan de vereisten van relativiteit en causaliteit omdat de gestelde schade niet in een direct verband staat met het niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag. Immers, eiseres was in Nederland als asielzoeker uitgeprocedeerd en moest daarom terug voor de mvv procedure. Dat eiseres eerder zou zijn afgestudeerd als verweerder tijdig had beslist, wordt niet gevolgd nu eiseres in een schrijven van 1 oktober 2006 heeft aangegeven dat zij geen vertraging dan wel financiële schade heeft opgelopen. De advocaatkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu eiseres daar, gelet op artikel 7:15, derde lid, Awb, in de eerdere procedure om had moeten verzoeken. Gezien het voorgaande komt de gestelde schade, met uitzondering van de telefoonkosten tot € 250,-, niet voor vergoeding in aanmerking.

2.7 Eiseres heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verweerder is niet ingegaan op hetgeen in bezwaar is aangevoerd. De gronden van bezwaar moeten derhalve als herhaald en ingelast worden beschouwd. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat wel is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De norm waaraan getoetst moet worden is of de verweerder naar vermogen zorgvuldig, correct en tijdig heeft beslist. Hieronder is begrepen de mogelijkheid tot het verwerven van arbeid. Deze norm is in casu geschonden. Er is voorts sprake van causaal verband nu eiseres door het late beslissen een jaar later is afgestudeerd. Met het schrijven van 1 oktober 2006 heeft eiseres enkel beoogd aan te geven dat vanaf dat moment geen vertragingen meer zijn opgetreden. De vliegtickets komen voor vergoeding in aanmerking omdat zij er van uit mocht gaan dat verweerder tijdig zou beslissen. De kosten van de advocaat moeten vergoed worden omdat eiseres, gezien de lange duur van de procedure, genoodzaakt was een advocaat in te schakelen. De telefoonkosten moeten voor € 350,- vergoed worden. Er staan veel 0900 nummers op die gebruikt zijn om naar Iran te bellen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met de gestelde onrechtmatige besluitvorming dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor toekenning van schadevergoeding is gelet op de regeling van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht in het BW en de ter zake door de civiele rechter gevormde jurisprudentie grond indien er sprake is van een daad van de overheid die onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm, welke onrechtmatige daad de overheid is toe te rekenen. Voorts dient de geschonden norm ertoe te strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste), dient er schade te zijn en moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

2.9 Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad omdat het besluit in primo van 7 oktober 2004 inhoudelijk onjuist is gebleken. Daarnaast heeft verweerder niet tijdig, binnen de termijn als bedoeld in artikel 7:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist op het bezwaar van eiseres. Het bezwaar dateert immers van 8 november 2004, terwijl verweerder eerst op 4 januari 2005 op het bezwaar heeft beslist.

2.10 De rechtbank betrekt in de beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751, C06/081HR). In dit arrest overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4: “Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door [verweerster] is gevorderd”.

2.11 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt het volgende naar voren (zie ondermeer uitspraken van 26 maart 2008 (200705549/1) en van 4 juni 2008 (200707146/1)). De regels van het nationale vreemdelingenrecht, op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie haar uiteindelijk ook heeft verleend, hebben tot doel haar een recht op verblijf voor bepaalde tijd in Nederland te verlenen voor verblijf bij partner en strekken niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt het verlenen van deze verblijfsvergunning de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, maar dit betekent niet dat verlening van de verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven en zich te verzekeren tegen ziektekosten. Dat de procedure door toedoen van de staat nodeloos lang heeft geduurd, maakt het vorenstaande niet anders.

2.12 De rechtbank zal met inachtneming van het bovenstaande hieronder de door eiseres gevorderde schadevergoeding afzonderlijk per opgegeven schadepost bespreken.

2.13 Met betrekking tot de door eiseres gevorderde schade vanwege misgelopen inkomsten doordat eiseres pas een jaar later zal kunnen afstuderen en daarom pas een jaar later als tandarts kan gaan werken, wordt niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Gelet op de bovengenoemd arrest van de Hoge Raad en de uitspraken van de Afdeling strekt de door eiseres ingediende aanvraag voor een mvv voor het doel “verblijf bij echtgenoot de heer [naam echtgenoot]” niet tot bescherming van haar vermogensrechtelijke belangen. Hoewel de verblijfsvergunning eiseres in staat stelt hier te lande een bestaan op te bouwen, strekt de vergunning er toe om eiseres in staat te stellen gezinsleven met haar echtgenoot uit te oefenen.

2.14 Anders dan zij in haar brief van 1 oktober 2006 heeft aangegeven, namelijk dat de Vrije Universiteit (VU) het collegegeld over het jaar 2004/2005 zal terugstorten, heeft eiseres ter zitting meegedeeld dat zij maar de helft het collegegeld van de VU heeft teruggekregen. Gelet daarop vordert eiseres thans vergoeding van de helft van het betaalde collegegeld over het jaar 2004/2005. Nog daargelaten dat eiseres haar stelling niet heeft onderbouwd, komen de gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking nu ook hierbij niet aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan. Redengevend hiervoor is dat de door eiseres gevraagde mvv er niet toe strekt eiseres in staat te stellen een studie in Nederland te volgen.

2.15 Eiseres stelt voorts dat zij een nieuw vliegticket heeft moeten kopen omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag. Het retourticket dat eiseres had aangeschaft is op 6 oktober 2004 verlopen en eiseres vordert vergoeding van de kosten van het nieuwe ticket. Niet is in geschil dat verweerder voor aanvragen voor mvv een beslistermijn van drie maanden hanteert. De rechtbank is niet gebleken dat deze beslistermijn in het onderhavige geval onredelijk is. Nu de mvv-aanvraag van eiseres dateert van 12 juli 2004 was op het moment dat het retourticket van eiseres verliep nog geen sprake van een overschrijding van de beslistermijn waardoor de door eiseres gestelde schade niet aan verweerder kan worden toegerekend.

2.16 Eiseres heeft aangevoerd dat de vergoeding voor de gemaakte telefoonkosten van € 250,- niet juist is. De gemaakte kosten zijn volgens eiseres € 350,- omdat referent veelvuldig 0900-nummers heeft gebruikt om naar eiseres in Iran te bellen. Nu eiseres niet heeft onderbouwd dat de 0900-nummers voor het gestelde doel zijn gebruikt en de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat dit het geval is, kan eiseres niet worden gevolgd in de door haar gestelde schade van € 350,-.

2.17 De gestelde kosten voor rechtsbijstand in de procedure omtrent de afgifte van een mvv komen reeds niet voor vergoeding in aanmerking nu uit artikel 7:15, derde lid, Awb volgt dat het verzoek om vergoeding van deze kosten had moeten worden gedaan voordat op het bezwaar in de mvv-procedure was beslist. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

2.18 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komt de door eiseres gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking.

2.19 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.20 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 3 juli 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.