Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2494

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
268850 - HA ZA 06-2281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Staat voor schade wegens verzakking wegdek? Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 268850 / HA ZA 06-2281

Vonnis van 24 juni 2009

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.PH.J. baron van Utenhove,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.C. Jongens.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 mei 2007

- het deskundigenbericht van dhr. ing. J.A.A. Fitters, dat op 8 september 2008 ter griffie is gedeponeerd

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van de Staat

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Gebrek aan het wegdek

Partijen zijn het erover eens dat het wegdek, daar waar het asfalt overging in klinkerverharding, een verzakking vertoonde van ongeveer 60 millimeter diep, door de Staat aangeduid als oneffenheid. Bij de beoordeling of de Staat aansprakelijk is voor de schade van [eiser], dient eerst vast te komen staan dat deze verzakking aan te merken is als een gebrek aan de weg. Hiervan is sprake als de weg niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

2.2. [eiser] verwijst ter beantwoording van deze vraag op een richtlijn van het Centrum voor Regelgeving in de grond-, water-, en wegenbouw en verkeerstechniek (hierna: CROW). In deze richtlijn wordt een niveauverschil in de wegverharding aangemerkt als licht, matig of ernstig. Een niveauverschil van meer dan 30 millimeter wordt door het CROW aangemerkt als ernstig en kan, ook volgens het CROW, gemakkelijk gevaarlijke situaties opleveren. De validiteit van deze richtlijn, alsmede de daaraan ontleende classificatie van oneffenheden en de daaraan te verbinden gevolgen voor de verkeersveiligheid worden op zichzelf niet door de Staat betwist. Het verweer dat [eiser] als individuele weggebruiker geen rechten aan deze richtlijn kan ontlenen, treft geen doel. Gelet op het doel en de strekking van de richtlijn biedt deze een handvat om te beoordelen of een weg voldoet aan de eisen waaraan een weg moet voldoen en wat van de wegbeheerder verwacht mag worden. Derhalve moet de individuele weggebruiker niet worden beschouwd als een derde belanghebbende maar als persoon wiens belang, een veilige weg, door het niet (voldoende) naleven van deze richtlijn rechtstreeks wordt geschaad.

2.3. Beide partijdeskundigen zijn het erover eens dat de oneffenheid volgens de CROW richtlijn kon worden aangemerkt als ernstig. De Staat stelt zich op het standpunt dat de verzakking in het onderhavige geval echter niet aan te merken is als een gevaarlijk gebrek. Daartoe stelt de Staat dat de CROW richtlijnen een ideaaltypische situatie beschrijven, waar onder omstandigheden door de wegbeheerder van mag worden afgeweken. In dit geval was afwijking naar het oordeel van de Staat gerechtvaardigd omdat de weg bij normaal gebruik geen gevaar opleverde. Een waarschuwing was om deze reden naar de mening van de Staat niet nodig.

2.4. De rechtbank deelt deze conclusie van de Staat niet. Uit het gegeven dat de verzakking volgens de CROW richtlijn aan te merken was als een ernstige oneffenheid volgt dat deze vermoed moet worden een gevaarlijk gebrek te vormen. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt hoe zij het mogelijke effect van het doorrijden van een verzakking als in deze casus inschatten. De partijdeskundige van [eiser], de heer Meeuwisse is van mening dat dit kan leiden tot een instabiele reactie van het voertuig, hetgeen in combinatie met vaak reflexmatige reacties van de bestuurder bepalend is voor het verdere traject. De partijdeskundige van de Staat, de heer Lichteveld, is van mening dat niet is uit te sluiten dat er een schrikreactie optreedt. De door de rechtbank benoemde deskundige Fitters tenslotte concludeert dat de verzakking, in combinatie met stuurfouten de spreekwoordelijke druppel kan zijn die er toe leidt dat voertuigen op drift raken. Mede gelet op de classificatie 'ernstig' komt deze deskundige vervolgens tot de conclusie dat een waarschuwing voor de verzakking op zijn plaats was geweest.

2.5. Bij de beoordeling of sprake is van een gebrek geldt dat de wegbeheerder er rekening mee dient te houden dat niet alle weggebruikers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid in acht zullen nemen. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt niet dat de stuurfouten en schrikreacties waar zij op wijzen enkel het gevolg kunnen zijn van zeer onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag, waarmee in redelijkheid geen rekening hoeft te worden gehouden. Het standpunt van de Staat dat de verzakking bij 'normaal gebruik van de weg' geen gevaar opleverde is met deze constatering onverenigbaar.

2.6. De rechtbank overweegt voorts dat de verzakking was gelegen in een doorgaande weg, bestemd voor gemotoriseerd verkeer waar de maximum toegestane snelheid 100 kilometer per uur bedroeg. Bij deze snelheid kan van weggebruikers niet worden verwacht dat zij een dergelijke verzakking tijdig kunnen signaleren en er hun rijgedrag op afstemmen. Nu niet is gebleken van omstandigheden die in dit geval weggebruikers aanleiding hadden moeten tot extra voorzichtigheid, had het op de weg van de wegbeheerder - bij wie deze verzakking bekend was - gelegen een waarschuwingsbord te plaatsen. Door niet te waarschuwen heeft de wegbeheerder nagelaten de gebrekkige toestand van de weg te neutraliseren. Bij de verdere beoordeling gaat de rechtbank er derhalve van uit de weg niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en er dus sprake was van een gebrek aan de weg.

2.7. Voor de aansprakelijkheid van de Staat is vervolgens vereist dat vast komt te staan dat het gevaar dat het gebrek in de weg opleverde, zich heeft gerealiseerd. De bewijslast rust op [eiser]. Partijen verschillen van mening over de rol die de verzakking heeft gespeeld bij de toedracht van het ongeval. Teneinde hierover helderheid te verkrijgen is door de rechtbank nadere voorlichting gevraagd aan een onafhankelijke deskundige.

Is de verzakking doorreden?

2.8.Na lezing van de rapportages komt de rechtbank tot de conclusie dat op basis van de beschikbare feitelijke informatie vast is komen te staan dat het op het asfalt aangetroffen remspoor dat op 17,6 meter na de verzakking begint, is gevormd door het rechterachterwiel van de auto. Met de heer Meeuwisse en de heer Fitters is de rechtbank van oordeel dat op basis van politiefoto's 10 en 11 ervan moet worden uitgegaan dat alle boogvormige sporen richting de ANWB-paal door de Toyota zijn veroorzaakt. Dat - zoals betoogd door partijdeskundige Lichteveld - deze sporen ook door hulpdiensten kunnen zijn veroorzaakt is, gelet op de eenvormigheid van het sporenpatroon en de eindpositie van de auto, niet aannemelijk. De conclusie van de heer Fitters, dat uit deze onderlinge positie van de sporen op het asfalt (drie min of meer parallelle sporen) volgt dat de auto maar op één manier over deze sporen kan hebben bewogen, acht de rechtbank eveneens gerechtvaardigd. Deze positie sluit de mogelijkheid dat - zoals betoogd door Lichteveld - het eerste remspoor veroorzaakt is door het linkerwiel, uit. De positie van de auto aan het begin van het sporenpatroon staat derhalve vast.

2.9. Vervolgens is de vraag of hieruit kan worden afgeleid dat de auto door de verzakking is gereden. Partijdeskundige Meeuwisse volgt op dit punt de bevindingen van de politie. Deze schrijft in haar proces-verbaal dat, gelet op het beginpunt van het remspoor, het voertuig 'naar alle waarschijnlijkheid' met de rechterwielen door de voornoemde verzakking is gereden. Deskundige Fitters constateert echter dat, bij gebrek aan spoorvorming, niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de auto door de verzakking is gereden, omdat het begin van het remspoor niet zomaar mag worden geëxtrapoleerd naar de verzakking. In plaats daarvan kan, op basis van de ligging van het eerste remspoor, een breder gebied worden aangemerkt waarbinnen de rechterwielen zich voorafgaand aan het begin van het spoor kunnen hebben gereden. Middels een figuur op bladzijde 16 van zijn rapport illustreert Fitters dit gebied en komt op basis van de afmetingen van de dit gebied en van de daarin gelegen verzakking tot een inschatting van 50 % dat de auto daadwerkelijk door de verzakking is gereden. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat Fitters met deze uiteenzetting voldoende heeft onderbouwd hoe hij tot dit percentage is gekomen. Van de zijde van [eiser] is in reactie op het rapport van Fitters niet nader onderbouwd waarom de kans dat de auto door de verzakking is gereden, groter moet worden geacht dan 50 %. Een kans van 50 % is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat aannemelijk is dat het door de verzakking gecreëerde gevaar zich heeft gerealiseerd. De rechtbank concludeert dat bij de huidige stand van zaken de precieze toedracht van het ongeval niet kan worden vastgesteld. Dit brengt met zich mee dat met betrekking tot het bestaan van een causaal verband tussen de verzakking en het ontstaan van de schade de omkeringsregel thans niet van toepassing is.

2.10. Bij gebrek aan voldoende feitelijke informatie ter beantwoording van de vraag of de verzakking is doorreden acht deskundige Fitters het wenselijk dat getuige [A.], die achter de auto van [eiser]s reed toen deze op drift raakte, nader wordt gehoord over zijn eigen positie op het moment dat hij door [eiser] voorbij werd gereden en de wijze waarop [eiser] daarna heeft gestuurd. In zijn conclusie na deskundigenbericht biedt [eiser] bewijslevering met betrekking tot deze vraag aan middels het horen van een getuige die zich ten tijde van het ongeval zich in de auto bevond, de heer [B.]. De Staat heeft zich in haar antwoordconclusie na deskundigenbericht inhoudelijk niet verzet tegen het horen van de heer [B.] als getuige en verzoekt dat in dat geval eveneens de getuige [A.] wordt gehoord. [eiser] heeft geen bezwaar tegen het horen van [A.].

2.11. De rechtbank overweegt dat tijdens de comparitie ook al bekend was dat er een inzittende van de auto is van wie bekend is dat deze geen zwaar letsel heeft opgelopen. Door de comparitierechter is toen, met het oog op het belang van duidelijkheid rondom de precieze toedracht van het ongeval, gevraagd of deze als getuige kon worden gehoord. Nu toen van de zijde [eiser] is aangegeven dat daaraan geen behoefte bestond, is er in beginsel in de huidige stand van het geding geen ruimte meer voor het horen van getuigen. Echter, de aard van de zaak, de aard van het letsel, de mogelijke hoogte van de schade en de leeftijd van de gelaedeerde leiden ertoe dat het belang van [eiser] om zoveel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen over de toedracht van het ongeval zwaarder moet wegen dan een efficiënt procesverloop. De rechtbank zal [eiser] derhalve alsnog toelaten tot het horen van (de genoemde) getuigen.

2.12. Als naar aanleiding van de getuigenverklaringen vast komt te staan dat inderdaad door de verzakking is gereden, is de aansprakelijkheid van de Staat in beginsel gegeven. Vervolgens zal onder meer moeten worden beoordeeld of de gehele schade het gevolg van doorrijden van de verzakking is geweest, zoals door [eiser] is gesteld en door de Staat wordt betwist. Ook deze vraag kan bij de huidige stand van zaken niet worden beantwoord. Uit de rapportage van deskundige Fitters volgt dat daarbij van belang is of de auto op dat moment rechtdoor reed danwel al bezig was een bocht naar links te maken. Het horen van getuigen kan ook hierover mogelijk meer inzicht verschaffen.

2.13 Hangende het horen van de getuigen zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Wegens vertrek uit de sector van de rechter die dit vonnis heeft gewezen zal het horen van getuigen plaatsvinden voor een andere rechter.

De beslissing

De rechtbank

- laat [eiser] toe te bewijzen dat door de verzakking is gereden;

- bepaalt dat, indien [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, deze zullen worden gehoord op een nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage;

- bepaalt dat de advocaat van [eiser] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van de sector civiel - opgave zal doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

- bepaalt dat alle partijen - indien zij dat wensen - uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Thierry en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.