Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2490

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
Awb 08 / 6068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse, contra-expertise, beluisteren bandopname, voldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08 / 6068

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam], eiser,

gemachtigde mr. [naam 1],

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij fax van 19 februari 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 januari 2008. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen.

1.2. De gronden van het beroep dateren van 17 maart 2008.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

13 juni 2008, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. [naam 2]. Als tolk was aanwezig de heer [naam 3].

1.5. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek op 24 juli 2008 heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de bandopname van het gehoor van 12 september 2006 ten behoeve van de taalanalyse van 22 september 2006 aan de rechtbank toe te zenden.

1.6. Het onderzoek ter zitting is vervolgens op 12 december 2008 voortgezet, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] en dhr. [naam 5] van het Bureau Land & Taal.

2. Overwegingen

2.1. Op 12 mei 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2.2. Eiser is geboren op 15 augustus 1985 en stelt de Burundische nationaliteit te bezitten.

2.3. Na een taalanalyses te hebben laten uitvoeren, heeft verweerder bij brief van

5 december 2006, verzonden op 6 december 2006, eiser in kennis gesteld van het voornemen zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in te willigen.

2.4. Bij schrijven van 7 december 2006 heeft eiser verzocht het rapport taalanalyse aan hem toe te zenden en tevens verzocht om de termijn voor het indienen van de zienswijze met twee weken te verlengen in verband met het uitvoeren van een contra-expertise. Bij schrijven van 12 december 2007 heeft verweerder de ontvangst van de brief van eiser van 7 december 2007 bevestigd en twee weken uitstel verleend voor het indienen van een zienswijze. Een afschrift van het rapport taalanalyse en een kopie van de opname van de taalanalyse was volgens die brief bijgevoegd. In dezelfde brief is eiser verzocht om uiterlijk op 22 januari 2007 een verklaring van de Taalstudio over te leggen waaruit de opdrachtbevestiging voor de contra-expertise blijkt en waarin een termijn wordt gesteld voor het afronden van de eerste fase, het zogenoemde plan van aanpak. Tot slot wordt eiser meegedeeld dat uitstel van het aanleveren van de gevraagde gegevens verleend kan worden indien aan de in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) in de onderdelen C3/15.3.2. – C3/13.4.3. genoemde voorwaarden is voldaan. Eiser heeft vervolgens op 11 januari 2007 de gevraagde gegevens ingezonden en om uitstel verzocht voor het indienen van een zienswijze totdat de contra-expertise was afgerond. Bij schrijven van 15 januari 2007 heeft verweerder uitstel verleend voor het indienen van het plan van aanpak en is tevens – kort gezegd – aangegeven dat verder uitstel zou kunnen worden verleend indien zou blijken van een opdrachtbevestiging voor de zogenoemde tweede fase en een redelijke termijn genoemd kan worden voor het leveren van het contra-expertise-rapport. Eiser heeft vervolgens op 5 april 2007 nadere informatie aan verweerder verstrekt over de stand van zaken. Bij schrijven van 12 april 2007 heeft verweerder vervolgens uitstel verleend ten behoeve van het indienen van een contra-expertise tot 5 oktober 2007. Bij schrijven van

1 november 2007 heeft verweerder eiser op diens verzoek nogmaals uitstel verleend.

2.5. In de laatstgenoemde brief is – voor zover in dit geding relevant – het volgende vermeldt:

“Hierbij bevestig ik u de ontvangst van de brief waarin u aangeeft dat de contra-expertise rond 20 december 2007 wordt verwacht. Uitstel voor het indienen van de resultaten van de contra-expertise wordt verleend tot vijf werkdagen na de door u genoemde datum. (…)

Ik wil u er met klem op wijzen dat u de resultaten van de contra-expertise binnen vijf werkdagen na ontvangst bekend dient te maken.”

2.6. Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van

29 januari 2008, conform het uitgebrachte voornemen, de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven geen aanleiding te hebben gezien voor verdere opschorting van de besluitvorming omdat de laatste uitsteltermijn is verstreken zonder dat er een zienswijze of een verzoek om uitstel is ontvangen.

2.7. De rechtbank concludeert op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dat het beroep zich richt tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c

en d, van de Vw 2000.

2.8. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar;”

2.9. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954,88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967,76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;"

2.10. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.11. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.12. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden over kan leggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.13. Blijkens onderdeel C4/3.6 van de Vc 2000 moet het toerekenbaar ontbreken van documenten altijd in de context van het totale feitencomplex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan. Indien de vreemdeling desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. Voor de beoordeling van de asielaanvraag is onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.14. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen.

2.15. Documenten die de reisroute onderbouwen zijn volgens onderdeel C4/3.6.2 van de Vc 2000 in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft tijdens de reis naar Nederland. In de tweede plaats kan de reisroute worden onderbouwd met alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. In het geval dat een vreemdeling geen documenten inzake de reisroute over heeft gelegd maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van de wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute.

2.16. Daargelaten of aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn nationaliteit heeft overgelegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. Redengevend daartoe acht de rechtbank dat van de zijde van eiser onweersproken is gebleven dat eiser geen reisdocumenten of enig ander concreet of indicatief bewijs heeft geleverd van de door hem gestelde vliegreis van Burundi naar Nederland. Verweerder heeft in redelijkheid mogen stellen dat een dergelijke reis met documenten moet kunnen worden gestaafd. Voor zover eisers verklaring, dat hij de gebruikte documenten niet zelf in handen heeft gehad, al gevolgd zou kunnen worden, heeft verweerder in redelijkheid van eiser mogen verwachten dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als bijvoorbeeld met welke vliegtuigmaatschappij hij gevlogen is en hoe het vliegtuig er van de buitenkant uit zag. De enkele omstandigheid dat eiser stelt dat hij zoveel mogelijk informatie heeft verstrekt, dat hij bang was en dat hij nooit eerder met een vliegtuig heeft gereisd, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een ander standpunt hoeven brengen.

2.17. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing is.

2.18. Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1998 1999, 26 732, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de desbetreffende vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.19. Volgens verweerder is dat in het geval van eiser niet aan de orde. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij bij navraag alleen algemene informatie over Burundi kan verstrekken. Eiser heeft geen specifieke en gedetailleerde informatie over zijn gestelde woonomgeving kunnen verstrekken. Derhalve is bij verweerder twijfel gerezen omtrent de gestelde Burundische nationaliteit van eiser. Verweerder heeft aangegeven dat eiser weliswaar in het bezit is van een nationale identiteitskaart maar dat het Bureau Falsificaten van de Koninklijke Marechaussee de authenticiteit niet heeft kunnen vaststellen vanwege het ontbreken van referentiemateriaal. Verweerder verwijst in dit kader naar het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 11 mei 2005 (lees 2006). Daarbij heeft verweerder voorts overwogen dat het identiteitsbewijs geen informatie verschaft over de nationaliteit van eiser. Voorts heeft verweerder een taalanalyse laten uitvoeren. Uit het rapport van de taalanalyse van 22 september 2006 is gebleken dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi.

2.20. De rechtbank constateert op basis van het bestreden besluit, in samenhang met verweerders toelichting ter zitting, dat de besluitvorming in het onderhavige geval in overwegende mate berust op het rapport taalanalyse van Bureau Land en Taal (hierna: BLT) van 22 september 2006. In dit rapport wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak en cultuurgemeenschap binnen Burundi. Gelet op met name de bevindingen van het BLT heeft verweerder vervolgens niet geloofwaardig geacht dat eiser de Burundese nationaliteit heeft.

2.21. De rechtbank overweegt als volgt.

2.22. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen (onder meer in een uitspraak van 31 maart 2005 in zaak nr. 200410541/1; JV 2005/207), komt verweerder met het uitvoeren van een taalanalyse de desbetreffende vreemdeling tegemoet in de voldoening aan de ingevolge voormelde bepaling op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel gerezen is over de gestelde identiteit en nationaliteit, waaronder in voorkomende gevallen begrepen de stamafkomst of de plaats van herkomst. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan de desbetreffende vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Hiertoe kan hij, indien hij van mening is dat de analyse onvolkomenheden bevat, de band waarop het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is opgenomen door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige laten beoordelen en zo nodig van commentaar laten voorzien. De desbetreffende vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan. Door het achterwege laten van een contra-expertise blijft de gerezen twijfel aan de identiteit en nationaliteit bestaan. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer in voormelde uitspraak van 31 maart 2005), volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 dat een rapport houdende een contra-expertise in beginsel in het kader van de besluitvorming dient te worden overgelegd. Slechts indien dit niet mogelijk is geweest als gevolg van niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden, kan het in rechte bij de beoordeling worden betrokken.

2.23. Het rapport van de contra-expertise dateert van 2 januari 2008. Blijkens de gedingstukken is het door de Taalstudio op donderdag 24 januari 2008 aan de gemachtigde van eiser toegezonden. Het betreffende rapport is door die gemachtigde, naar ter zitting van 13 juni 2008 onbestreden is gesteld, op 25 januari 2008 ontvangen. Het bestreden besluit dateert van dinsdag 29 januari 2008. Namens eiser is gesteld, onder verwijzing naar het onder 2.5 geciteerde schrijven van verweerder van 1 november 2007, dat de contra-expertise mocht worden ingezonden mits dat maar binnen vijf werkdagen na ontvangst was. Verweerder heeft daarentegen gesteld dat het binnen vijf werkdagen na 20 december had moeten worden ingezonden nu er geen verzoek om nader uitstel voor die datum is ontvangen.

2.24. De rechtbank acht de door eiser voorgestane uitleg van het schrijven van

1 november onlogisch. Naar dezerzijds oordeel is duidelijk dat het rapport van de contra-expertise binnen vijf werkdagen na 20 december 2007 zou moeten worden ingezonden en dat de passage “Ik wil u er met klem op wijzen dat u de resultaten van de contra-expertise binnen vijf werkdagen na ontvangst bekend dient te maken.” geen andere betekenis heeft dan er op te wijzen dat die termijn een maximumtermijn is. Vervolgens ziet de rechtbank zich nog steeds gesteld voor de vraag of het aan eiser is te wijten dat het rapport van de contra-expertise niet vóór het nemen van het bestreden besluit door verweerder is ingezonden. Bepaald onhandig vindt de rechtbank dat de gemachtigde van eiser – die voordien meermaals gemotiveerd om uitstel had gevraagd - niet opnieuw om uitstel heeft gevraagd nadat de datum van 20 december 2007 niet haalbaar bleek te zijn. Wat daarvan ook echter moge zijn, gelet op de datum van ontvangst van het rapport van contra-expertise (vrijdag 25 januari 2007) en de datum van het thans voorliggende besluit (dinsdag 29 januari 2009) is het tijdsbestek, uitgaande van werkdagen, daartussen zo kort dat de rechtbank het niet toerekenbaar acht dat dit niet al in de besluitvormingsfase is toegezonden aan verweerder.

2.25. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank derhalve van oordeel dat het rapport van de contra-expertise bij haar beoordeling van het geding kan worden betrokken. Verweerder heeft ter zitting van 12 december 2008 te kennen gegeven, indien de rechtbank tot dat oordeel zou komen, in de gelegenheid te willen worden gesteld op dat rapport te reageren. De rechtbank ziet geen reden verweerder daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Het rapport van de contra-expertise is reeds op

17 maart 2008 bij de gronden van het beroep in het geding gebracht. Verweerder heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad op dat rapport te reageren al dan niet bij wijze van subsidiair standpunt. Ter zitting van 12 december 2008 heeft verweerder zich bovendien laten bijstaan door een deskundige van het Bureau Land & Taal die zich ook heeft uitgelaten over de contra-expertise. Kort samengevat heeft deze daarover gezegd dat die contra-expertise mede is gebaseerd op een tweede bandopname naast de oorspronkelijke bandopname en dat verder betwist wordt hetgeen de contra-expert heeft gesteld, namelijk dat de bij de oorspronkelijke bandopname gesproken zinnen die Kinyarwanda zouden zijn in plaats van Kirundi wel degelijk ook voorbeelden van Kirundi zouden zijn. Bij het voormelde oordeel heeft de rechtbank mede het hierna overwogene betrokken.

2.26. De rechtbank heeft het rapport van de contra-expertise bezien en concludeert dat veel van de door de contra-expert getrokken conclusies zijn gebaseerd op een tweede opname (CD2) naast de oorspronkelijke opname (CD1) van 12 september 2006. Die tweede opname betreft, zo is door eiser gesteld, een circa half uur durende opname, waarbij eiser in het Kirundi heeft gesproken met een Kirundi-tolk. Volgens de contra-expert was dat overigens een Kinyarwanda-tolk. Voor zover de rechtbank uit de stukken kan afleiden is die tweede opname in elk geval pas gemaakt na 10 april 2007 zijnde de datum waarop een tolk beschikbaar was. De betreffende opname is echter niet in het geding gebracht en derhalve is het Bureau Land & Taal niet in de gelegenheid geweest die te beoordelen. Derhalve is ook niet beoordeeld kunnen worden of eiser inderdaad degene is die op die opname te horen is en onder welke omstandigheden de bedoelde opname is gemaakt. In een uitspraak van

3 oktober 2008 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BG0576) van de Afdeling is ter zake van een dergelijke tweede opname verder overwogen dat het rapport van de contra-expertise, voor zover die is gebaseerd op een tweede opname, niet kan gelden als voldoende betwisting van het resultaat van de taalanalyse, gebaseerd op de eerste opname. “Opname B is een op zichzelf staande opname, die geruime tijd later tot stand is gekomen dan opname A. Mede gelet op het tijdsverloop tussen het opstellen van de taalanalyse en de contra expertise valt niet uit te sluiten dat de vreemdeling zich zodanig op opname B heeft voorbereid dat sprake is geweest van beïnvloeding van de uitkomst van de contra-expertise. Deze uitkomst kan derhalve geen betekenis hebben voor het resultaat van de door het BLT verrichte taalanalyse.” Los van het tijdsverloop gaat het echter om een andere opname dan die welke door de taalanalist van het Bureau Land & taal is beoordeeld. Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het rapport van de contra-expert derhalve een onvoldoende aanknopingspunt om te twijfelen aan het door verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde rapport van de taalanalyse voor zover de conclusies van die contra-expert zijn gebaseerd op een andere opname dan de oorspronkelijke opname (CD1).

2.27. Met betrekking tot die contra-expertise overweegt de rechtbank vervolgens als volgt. De contra-expert geeft bij de “phonology”slechts één voorbeeld van de spraak van eiser, ontleend aan CD1, waarin de uitspraak van eiser als Kirundu (nkaja “then I go”) wordt omschreven en het Kinyarwandese equivalent (nkajya) anders is. Voor wat betreft de syntax geeft hij op basis van CD1 drie voorbeelden die op het Kirundi wijzen. Bij de “morphosyntax”wordt wederom slechts één voorbeeld genoemd (umukinyi a-ashimishije “my favorite player”), ontleend aan CD1, waarin de uitspraak van eiser op Kirundi duidt. Het door eiser gesproken Frans en Swahili is volgens de contra-expert niet van dien aard dat daarop een conclusie kan worden gebaseerd over het wel of niet afkomstig zijn uit Burundi. Anders dan de taalanalist van verweerder is de contra-expert van mening dat eiser wel gedetailleerde informatie omtrent zijn woonomgeving heeft gegeven. Vervolgens ligt de vraag voor of er andere aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse.

2.28. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de taalanalist stelt dat eiser Kinyarwanda spreekt terwijl tijdens het interview ten behoeve van de taalanalyse slechts circa 3 minuten Kirundi is gesproken. Gelet op het feit dat deze talen veel op elkaar lijken is dit volgens eiser te weinig. De taalanalist spreekt zelf, aldus eiser, geen Kinyarwanda, maar Kirundi, Swahili en Frans. De rest van de opname is in het Swahili en er is ook sprake geweest van een Swahili tolk. Eiser spreekt verder ook Frans hetgeen eveneens klopt met hetgeen hij stelt over zijn herkomst.

2.29. Vervolgens overweegt de rechtbank dat zich bij de door verweerder ingezonden stukken een zogenoemd “Herkomstonderzoekprofiel Burundi” bevindt, gedateerd 24 februari 2005. Bij het onderwerp taal is het navolgende vermeld:

“Burundi kent een eigen lokale taal, het Kirundi. Taal is dan ook meestal een zeer belangrijk onderscheidend element tussen Burundezen en anderen. Het Kirundi vertoont overigens wel grote gelijkenis met de taal van het buurland Rwanda, het Kinyarwanda. Taalanalyse is in een aantal gevallen een goed instrument om vast te stellen welke taal men spreekt. Zelfs het onderscheid met het sterk op het Kirundi lijkende Kinyarwanda valt door middel van Taalanalyse vast te stellen. Vanwege de intensieve migratiestromen is de uitkomst voor de herkomstbepaling niet altijd eenduidig.”

In datzelfde stuk wordt bij het onderdeel 2.2. Taalsituatie Burundi vermeldt:

“De officiële talen van Burundi zijn het Frans en het Kirundi. Het is nauwelijks denkbaar dat personen van Burundese nationaliteit geen Kirundi kunnen spreken, maar alleen het ontwikkelde deel van de bevolking spreekt (ook) Frans. Op de lagere school wordt lesgegeven in het Kirundi (…) Het Kirundi is in principe dezelfde taal als het Kinyarwanda, de taal die in het buurland Rwanda gesproken wordt. De verschillen zitten met name in het klanksysteem, woordenschat en uitspraak.

Swahili wordt in Burundi gesproken in het gebied langs (…). In het grensgebied met Tanzania is steeds meer Swahili in het taalgebruik geslopen. Voor enkele groepen is het Swahili zelfs de moedertaal. Dit geldt bijvoorbeeld voor bepaalde groepen moslims in de hoofdstad Bujumbura en andere steden zoals Gitega en Nyanza. In Bujumbura wordt het Swahili ook gebruikt als voertaal door andere minderheidsgroeperingen. Het Swahili wordt verder vooral in de handel gebruikt. Swahili-sprekenden die in Burundi wonen of hebben gewoond spreken op zijn minst een aantal woorden Kirundi.”

2.30. De informatie over de gesproken talen in het door eiser gestelde land van zijn nationaliteit, de door eiser gesproken talen, diens verblijf in Bujumbura, de ter zake van de opname aangevoerde grieven en de conclusies van de contra-expert, voor zover gebaseerd op CD1, zijn voor de rechtbank aanleiding geweest de bandopname door verweerder te laten inzenden. Daarbij is tevens te kennen gegeven dat de rechtbank de betreffende bandopname ter zitting wenst te beluisteren en verweerder in de gelegenheid zou worden gesteld de getrokken conclusies nader toe te lichten. Bij de behandeling ter zitting op 12 december 2008 is gebleken dat verweerder zich weliswaar liet bijstaan door de eerdergenoemde [naam 5], maar dat deze geen taalanalist was en de conclusies dus ook niet verder kon toelichten. Door verweerder is in dit verband gesteld dat de ingeschakelde taalanalist anoniem wenste te blijven. Met betrekking tot dit laatste punt overweegt de rechtbank dat dit er niet aan in de weg staat dat verweerder op andere wijze, bijvoorbeeld door inschakeling van een andere taalanalist of door middel van een andere voorbereiding dan kennelijk thans heeft plaatsgevonden, de getrokken conclusies zou hebben kunnen toelichten. Het beluisteren van de bandopname in het bijzijn van partijen had, gelet op het voorgaande, weinig zin, zodat dit achterwege is gebleven. Desgevraagd is ter zitting nog gesteld dat het door eiser gesproken Swahili niet ten grondslag is gelegd aan de getrokken conclusie dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi. De tijdsduur waarin in het Kirundi is gesproken is voor de taalanalist verder, aldus meergenoemde [naam 5], niet te kort geweest om zijn conclusie te kunnen trekken nu hij niet heeft aangegeven dat die tijd te kort was. Dat zou de taalanalist wel hebben gedaan als dat het geval zou zijn geweest. Ook is aan de conclusie ten grondslag gelegd dat eiser niet in staat is specifieke en gedetailleerde informatie te verschaffen over zijn beweerde herkomstomgeving.

2.31. Met goedvinden van partijen heeft de rechtbank vervolgens wel, buiten aanwezigheid van partijen, kennis genomen van de bandopname.

2.32. Vervolgens stelt de rechtbank allereerst vast dat de contra-expert en de taalanalist van verweerder het erover eens zijn dat het door eiser gesproken Frans en Swahili onvoldoende onderscheidend is om op basis daarvan de afkomst van eiser te bepalen. De contra-expert heeft zich derhalve terecht uitsluitend gericht op het door eiser gesproken Kirundi, waarvan de taalanalist van verweerder, anders dan de contra-expert, heeft geconcludeerd dat het geen Kirundi maar Kinyarwanda is. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de uitkomst van de contra-expertise eenduidig is, de contra-expert concludeert immers “I strongly believe he belongs to the speech community of Bujumbura. No single doubt about it.” De rechtbank merkt daarbij op dat het rapport van de contra-expert, in tegenstelling tot het rapport taalanalyse van verweerder, uitgebreid, inzichtelijk, transparant en begrijpelijk is gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de contra-expertise daarmee voldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse. De contra-expert geeft concrete voorbeelden van het Kirundi van eiser. Er zijn weliswaar invloeden van het Kinyarwanda in het Kirundi van eiser aanwezig, dit kan volgens de contra-expert echter verklaard worden door de “sociolinguïstische” situatie in de regio waar eiser stelt vandaan te komen. Voorts heeft eiser volgens de contra-expert Kirundi/Kinyarwanda gesproken, waarbij de invloeden van het Kinyarwanda niet overheersend zijn geweest, hieruit moet volgens de contra-expert worden afgeleid dat het Kinyarwanda niet de moedertaal van eiser is. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de taalanalist van verweerder, in tegenstelling tot de contra-expert, geen Kinyarwanda spreekt. Voorts acht de rechtbank in de contra-expertise voldoende aanknopingspunten aanwezig voor twijfel omtrent de conclusie van de taalanalist dat eiser niet beschikt over gedetailleerde informatie omtrent zijn woonomgeving. Op grond van de opname waarop ook verweerders taalanalyse is gebaseerd, komt de contra-expert tot de conclusie dat eiser wel degelijk plaatselijke en geografische kennis heeft getoond. De contra-expert heeft in paragraaf 4 van de contra-expertise een uitgebreide opsomming gegegeven van de door eiser ten toon gespreide geografische kennis. Dit terwijl verweerder niet heeft aangegeven waarom deze kennis onvoldoende zou zijn.

2.33. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in de contra-expertise voldoende concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de inhoud van de taalanalyse, zodat die taalanalyse als een onvoldoende draagkrachtige onderbouwing van het besluit van 29 januari 2008 kan gelden.

2.34. Het beroep van eiser zal derhalve gegrond worden verklaard wegens schending van het motiveringsvereiste. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.35. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden drie punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en twee punt voor het verschijnen ter zitting ) met een waarde van EUR 322,= per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.36. Met inachtneming van de aan de gemachtigde van eiser gerichte brief van de griffier van 20 februari 2008 en gelet op de omstandigheid dat tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eiser geen toevoeging is verstrekt. Derhalve dient het bedrag van de proceskosten aan eiser te worden vergoed.

2.37. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 29 januari 2008;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op EUR 966,= (wegens de kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiser;

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.

w.g. mr. R.A. Debets,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 27 mei 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.