Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2233

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/10827, 08/10830
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK8866, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / 8 EVRM / Boultif / onherroepelijkheid uitspraak / belangenafweging

Gelet op de eerdere uitspraak, waartegen door partijen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, staat in rechte vast dat voor de toets aan artikel 8 EVRM slechts de eerste drie Boultif-criteria van toepassing zijn, met daaraan toegevoegd de sociale, culturele en familiale banden die eiser heeft in het gastland enerzijds en in het land van oorsprong anderzijds. Deze banden hebben in ieder geval betrekking op de banden van eiser met zijn familieleden en vriendin in Nederland. Deze criteria zijn in het bestreden besluit getoetst. Het betoog van eiser dat er ook aan andere criteria dient te worden getoetst kan, gelet op het feit dat de eerdere uitspraak onherroepelijk is geworden, niet slagen. Na afweging van alle belangen komt de rechtbank tot het oordeel dat het belang van de staat bij ongewenstverklaring van eiser, gelet op de vergaande schending van de openbare orde waarvoor gevangenisstraffen zijn opgelegd van in totaal meer dan 7 jaar, meer gewicht toekomt dan de in het voordeel van eiser uitvallende omstandigheden, waaronder de lange duur van zijn verblijf van in totaal 16 jaar in Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/10827 (beroep)

AWB 08/10830 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiser en verzoeker [naam] , geboren op [datum] 1981, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te Dronten, eiser/verzoeker, hierna te noemen eiser,

gemachtigde: mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.H. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2006 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw 2000). Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 29 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 mei 2007 is het beroep daartegen door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, gegrond verklaard en is het besluit van 29 maart 2007 vernietigd (AWB 07/17846).

Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. In dit besluit wordt vermeld dat het instellen van beroep de rechtsgevolgen van dit besluit niet opschort.

Op 26 maart 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Op diezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hem in staat te stellen de beroepsprocedure in Nederland af te wachten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] de vriendin van eiser.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Eiser heeft zich op 9 mei 1984 in Nederland gevestigd en heeft tot 30 juni 2000 rechtmatig verblijf gehad bij zijn moeder. Niet is gebleken dat eiser na 30 juni 2000 om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verstrekte vergunning tot verblijf heeft verzocht.

Eiser is veroordeeld voor verschillende misdrijven, waaronder geweldsdelicten en een drugsdelict, gepleegd tussen 1994 en 2005. In totaal heeft eiser ruim 7 jaar gevangenisstraf opgelegd gekregen.

Bij uitspraak van 29 mei 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, onder meer het volgende overwogen:

“ (…) zodat verweerder bevoegd was hem op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 ongewenst te verklaren. (…) De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit, waarin het primaire besluit als ingelast is beschouwd, blijk geeft dat voorafgaand aan de ongewenstverklaring een gemotiveerde belangenafweging in het kader van de discretionaire bevoegdheid heeft plaatsgevonden, zoals het beleid voorschrijft. (…) Verweerder heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de aanvraag in te willigen in afwijking van het beleid. (…)

Blijkens het vorenstaande is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en dat de beslissing tot ongewenstverklaring een inmenging in het gezins- of familieleven tussen verzoeker en zijn in Nederland verblijvende familieleden en vriendin oplevert. (…) Niet in geschil is dat verzoeker als minderjarige naar Nederland is gekomen en hier te lande geen gezin heeft gesticht. Gelet hierop zijn, zoals ook door verweerder ter zitting gesteld, slechts de eerste drie criteria van Boultif van toepassing, te weten de aard en ernst van het door de vreemdeling gepleegde strafbare feit, de duur van zijn verblijf in de uitzettende staat en de tijd verstreken na het strafbare feit en het gedrag van de vreemdeling nadien; met daaraan toegevoegd: de sociale, culturele en familiale banden die de vreemdeling heeft in het gastland enerzijds en die hij heeft in het land van oorsprong anderzijds. (…) Weliswaar is meegewogen of (en beoordeeld dat geen) sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen verzoeker en zijn familieleden, is verzoekers relatie met zijn vriendin bekeken en is bekeken of (en geoordeeld dat) de relaties tussen voornoemde personen in verzoekers land kunnen worden voortgezet, welk criterium gelet op het bepaalde in artikel 7:11 Awb in de beoordeling mocht worden betrokken, doch niet is meegewogen dat verzoeker geen Marokkaans spreekt, zijn hele familie in Nederland woont en hij in Marokko geen familie meer heeft. Reeds uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en niet op een voldoende daadkrachtige motivering berust, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 en 7:12 Awb. (…)

De voorzieningenrechter stelt vast dat onbetwist is dat door verzoeker feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit blijkt dat verweerder had moeten toetsen aan het recht op bescherming van het privé-leven als voormeld en dat, nu onbetwist is dat deze toets niet heeft plaatsgevonden, het bestreden besluit ook hierom onzorgvuldig is genomen en niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust. (…)”

3. Standpunten van partijen

3.1 Verweerder stelt zich in het thans bestreden besluit op het volgende standpunt.

Niet in geschil is dat eiser ongewenst had kunnen worden verklaard. Er is bovendien geen sprake van dermate bijzondere feiten en omstandigheden, op grond waarvan de ongewenstverklaring in afwijking van het beleid ongedaan moet worden gemaakt.

Verweerder stelt zich in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op het volgende standpunt. Met inachtneming van de uitspraak van 29 mei 2007 zijn de eerste drie ‘guiding principles’ uit het Boultif-arrest (verder: Boultif-criteria) van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, JV 2001/254, bij de beoordeling betrokken. Aangezien niet is gebleken dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland een gezin heeft gesticht dienen de overige ‘guiding principles’ buiten beschouwing te worden gelaten. Ten aanzien van de aard en ernst van de gepleegde misdrijven overweegt verweerder dat eiser, gelet op de lange lijst aan misdrijven die hij heeft gepleegd, dient te worden beschouwd als een ernstig gevaar voor de openbare orde. Bovendien is eiser veroordeeld voor een drugsdelict, waaraan zwaar wordt getild in het vreemdelingenrecht. Ten aanzien van de duur van het rechtmatig verblijf stelt verweerder vast dat eiser 16 jaar rechtmatig verblijf heeft gehad. Dat eiser na 1989 Marokko niet meer heeft bezocht en dat hij geen banden meer heeft met dat land, is niet onderbouwd. Eiser is bovendien een volwassen man die volgens verweerder geacht wordt zich te kunnen redden in Marokko, temeer nu eiser heeft aangegeven dat hij de Berber taal op een basaal niveau beheerst. Ten aanzien van het tijdsverloop sinds de gepleegde misdrijven stelt verweerder vast dat eiser is veroordeeld voor nieuw gebleken feiten. Zo is hij bij vonnissen van 23 juni 2004 en 8 december 2004 nog tot geldboetes veroordeeld voor misdrijven, waaronder een drugsdelict. Hieruit blijkt dat er sprake blijft van een acute bedreiging voor de Nederlandse rechtsorde. De belangenafweging valt volgens verweerder dan ook in het voordeel van de Nederlandse staat uit en de inmenging in het familie- en gezinsleven is gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde en nationale veiligheid.

Voorts is er volgens verweerder geen sprake van schending van het recht op privéleven. Er is geen sprake van een generatielang opgebouwd privéleven, eiser heeft de afgelopen jaren in detentie doorgebracht en derhalve door eigen toedoen weinig inkleuring aan zijn privéleven kunnen geven. Er wordt ook hier groot gewicht toegekend aan het feit dat eiser is veroordeeld voor zeer ernstige misdrijven en er sprake is van recidive.

3.2 Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Er is volgens eiser sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in de uitoefening van zijn gezinsleven en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder overweegt ten onrechte dat eiser geen gezin heeft gesticht, nu eiser een relatie heeft [met [naam] ]. Verweerder is hieraan voorbij gegaan. Verweerder had in de belangenafweging ook moeten betrekken of en hoe lang eiser na invrijheidstelling gezinsleven kon opbouwen. Eiser mag als gevolg van dit besluit tien jaar lang niet in Nederland komen. Niet is beoordeeld of er objectieve belemmeringen zijn voor uitoefening van het familieleven in Marokko. Eiser heeft niets in Marokko. Niet valt in te zien hoe eiser had moeten onderbouwen dat hij nooit naar Marokko terug is geweest. Eiser heeft geen paspoort meer en zijn familieleden hebben hun paspoort ter inzage aan verweerder gegeven. Met de tegenwerping dat eiser niet heeft aangetoond geen familieleden meer in Marokko te hebben, miskent verweerder dat zijn familie afkomstig is uit een klein bergdorp en al lang in Nederland woont. Eiser is er niet in geslaagd via het consulaat documenten te verkrijgen. Verweerder miskent bovendien dat het Berbers in Marokko slechts beperkt wordt gesproken en dat eiser slechts basaal Berbers spreekt, zodat hij niet in staat is een normaal gesprek te voeren. Volgens eiser kan niet worden gezegd dat er een actueel gevaar voor de openbare orde is. De laatste veroordelingen dateren uit 2004 en betreffen bovendien marginale feiten. Eiser heeft de band met zijn foute vrienden verbroken en nadien geen strafbare feiten meer gepleegd.

4. Overwegingen

Wettelijk kader

4.1 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

4.2 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Beoordeling van het beroep

4.3 Tussen partijen is in geschil of de weigering eiser verblijf toe te staan een schending oplevert van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende familieleden en vriendin en het recht op eerbiediging van het privéleven, beide in de zin van artikel 8 van het EVRM.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM niet slaagt en overweegt daartoe het volgende.

4.5 Gelet op de uitspraak van 29 mei 2007 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, waartegen door partijen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, staat in rechte vast dat voor de toets aan artikel 8 van het EVRM in dit geval slechts de eerste drie criteria van het Boultif-arrest van toepassing zijn, te weten de aard en ernst van het door de vreemdeling gepleegde strafbare feit, de duur van zijn verblijf in de uitzettende staat en de tijd verstreken na het strafbare feit en het gedrag van de vreemdeling nadien; met daaraan toegevoegd: de sociale, culturele en familiale banden die de vreemdeling heeft in het gastland enerzijds en die hij heeft in het land van oorsprong anderzijds. De rechtbank leest deze uitspraak zo dat het laatste door de rechtbank toegevoegde criterium ten aanzien van de banden in Nederland en Marokko (in ieder geval) betrekking heeft op de banden van eiser met zijn familieleden en vriendin in Nederland. De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit getoetst is aan de drie Boultif-criteria en dat in dit besluit tevens de banden die eiser heeft met zijn vriendin en familieleden zijn betrokken. Het betoog van eiser dat er tevens aan andere criteria dient te worden getoetst, kan niet slagen. De rechtbank wijst erop dat hiervoor, gelet op het feit dat de uitspraak van 29 mei 2007 onherroepelijk is geworden, geen ruimte bestaat. De vraag ligt thans voor of verweerder de door de rechtbank in de uitspraak van 29 mei 2007 gegeven criteria op juiste wijze in het hier bestreden besluit heeft betrokken en terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

4.6 Ten aanzien van de aard en ernst van het delict is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de nadruk legt op het feit dat eiser éénmaal is veroordeeld tot een geldboete voor een drugsdelict. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend wordt aan dit delict, mede gerelateerd aan het totaal van de aan eiser opgelegde straffen, geen groot belang gehecht. Dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte veel waarde lijkt te hechten aan het plegen van dit drugsdelict doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan de aard en ernst van de overige delicten waarvoor eiser is veroordeeld, waaronder diverse, meermalen gepleegde, geweldsdelicten, waarvoor onder andere forse gevangenisstraffen zijn opgelegd van in totaal meer dan 7 jaren. Verweerder heeft aan de aard en ernst van deze delicten, alsmede aan het feit dat deze meermalen zijn gepleegd, naar het oordeel van de rechtbank een zwaar gewicht mogen toekennen.

4.7 De duur van het verblijf van eiser in Nederland weegt in de belangenafweging in het voordeel van eiser. Hij heeft hier immers vanaf zijn derde levensjaar gewoond, waarvan het grootste deel, in totaal zestien jaar, op legale wijze. Het enkele feit dat eiser hierna illegaal in Nederland heeft verbleven, als gevolg van nonchalance bij eiser bij het verlengen van zijn verblijf, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan deze periode van illegaal verblijf alle betekenis moet worden ontzegd.

4.8 Ten aanzien van de tijd verstreken na het strafbare feit en het gedrag van eiser nadien, voert eiser aan dat hij na de laatste in 2004 gepleegde delicten geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en dat hij in die periode zijn leven heeft gebeterd. De rechtbank wijst erop dat de stelling van eiser dat hij zijn leven heeft gebeterd op geen enkele wijze is onderbouwd. De rechtbank is voorts van oordeel dat het enkele feit dat eiser sinds eind 2004 /begin 2005 niet meer is veroordeeld voor een strafbaar feit onvoldoende gewicht toekomt om dit in het voordeel van eiser in de belangenafweging mee te laten wegen. De rechtbank acht hiervoor redengevend dat eiser het grootste deel van deze tijd in detentie, zowel in vreemdelingrechtelijke detentie als in strafrechtelijke detentie, heeft gezeten. Immers, eiser heeft tot november 2006 in strafrechtelijke detentie gezeten en is na ongeveer een maand in vreemdelingenbewaring gesteld, waar hij tot november 2007 heeft gezeten. De periode waarin eiser wel vrij was en waarin eiser stelt geen nieuwe strafbare feiten meer te hebben gepleegd, acht de rechtbank dusdanig kort dat dit onvoldoende gewicht toekomt, zoals hiervoor is vermeld. Aan de omstandigheid dat eiser na de ongewenstverklaring, hangende de hiertegen ingestelde procedure, zich bewust zijnde van de negatieve consequenties van het plegen van stafbare feiten voor zijn verblijfsstatus, zich niet nogmaals schuldig heeft gemaakt aan dergelijke feiten, acht de rechtbank niet van enig gewicht.

4.9 Ten aanzien van de sociale, culturele en familiale banden die eiser heeft in Nederland enerzijds en die hij heeft in Marokko anderzijds, overweegt de rechtbank als volgt. Los van de vraag of het eiser voldoende duidelijk kon zijn welk bewijs verweerder verlangt ten aanzien van het al dan niet bestaan van familiebanden in Marokko, alsmede de vraag of verweerder deze bewijslast bij eiser mocht neerleggen, heeft verweerder subsidiair naar het oordeel van de rechtbank terecht aangegeven dat eiser een volwassen man is die geacht wordt zich zelfstandig te kunnen handhaven in Marokko. Dat eiser naar hij stelt het Berbers slechts op basale wijze beheerst, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat niet valt in te zien waarom eiser zijn kennis van deze taal met deze basale beheersing niet zou kunnen uitbreiden.

Ten aanzien van de banden die eiser heeft met Nederland, acht de rechtbank van belang dat eiser naar hij zelf aangeeft met zijn vriendengroep heeft gebroken. Evenmin heeft hij aangegeven een vaste baan te hebben, danwel op andere wijze te zijn geworteld in de Nederlandse samenleving. Hij heeft aangegeven dat zijn banden met Nederland bestaan uit zijn band met zijn familie en zijn vriendin. De rechtbank maakt uit hetgeen in het gehoor van 4 december 2008, alsmede uit hetgeen als nadere toelichting door de vriendin van eiser ter zitting is verklaard, op dat eiser bij zijn moeder woont, dat het invulling geven aan de relatie tussen eiser en zijn vriendin moeilijk is geweest en nog steeds moeilijk is, dat eiser en zijn vriendin al tien jaar een goede band hebben, die veel moeilijkheden heeft doorstaan, maar dat op dit moment de prioriteit (nog) niet wordt gelegd bij bijvoorbeeld samenwoning en/of gezinsuitbreiding. De rechtbank is van oordeel dat, alhoewel aan deze banden zeker ook gewicht toekomt, dit gewicht niet kan worden gelijkgesteld aan het gewicht dat aan gezinsleven zou moeten worden toegekend, indien er sprake zou zijn geweest van een huwelijk, danwel samenwoning, alsmede de aanwezigheid van kinderen. Ook is van belang dat niet is gebleken dat de vriendin van eiser hem niet in Marokko zou kunnen opzoeken, zodat op die wijze toch nog, zij het in mindere mate, invulling zou kunnen worden gegeven aan de relatie.

4.10 Tot slot constateert de rechtbank dat in het bestreden besluit is getoetst aan het recht op bescherming van het privéleven en dat gemotiveerd is aangegeven waarom er geen sprake is van schending van dit recht. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van schending van dit recht, waarvoor de rechtbank verwijst naar hetgeen in het besluit hieromtrent is opgemerkt alsmede naar hetgeen hierboven over de banden met Nederland is overwogen.

4.11 De rechtbank komt na afweging van alle belangen als hiervoor omschreven tot het oordeel dat het belang van de staat bij eisers ongewenstverklaring met name gelegen in de vergaande schending van de openbare orde meer gewicht toekomt dan aan de in het voordeel van eiser uitvallende omstandigheden. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

4.12 Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

4.13 De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Proceskosten en griffierecht

4.14. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/10827,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/10830,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. J.P. Smit en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: ES

Coll: ST

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de utspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.