Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2187

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
AWB 09/20454
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Vw 2000 / voortvarendheid met betrekking tot een Dublinclaim

Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen (o.m. bij uitspraak van 19 mei 2009, AWB 09/16132) dient verweerder ook bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 met ‘due diligence’ aan het vertrek van eiser te werken. In casu is aan eiser op 4 juni 2009 medegedeeld dat zijn asielaanvraag zal worden afgewezen en een claim op Oostenrijk zal worden gelegd. Op 16 juni 2009 worden de claimbescheiden naar Bureau Dublin verstuurd.

Alhoewel door verweerder nog niet op het asielverzoek van eiser is beslist, ontslaat dat verweerder niet van de verplichting al het mogelijke te ondernemen teneinde er zorg voor te dragen dat er geen beletselen zijn om tot uitzetting over te gaan op het moment dat daartoe ook feitelijk de mogelijkheid bestaat.

Door eerst op de twaalfde dag na de beslissing tot claimen het dossier naar Bureau Dublin te sturen ter verdere voorbereiding van de claim, en daartoe als reden op te geven dat vergeten was het dossier eerder te sturen, heeft verweerder niet de vereiste voortvarendheid betracht om het vertrek van eiser voor te bereiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/20454

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

V-nr:

in het geding tussen:

eiser [naam], geboren in [datum] 1972, van Nepalese nationaliteit,

gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Zaandam,

en:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.S. Mol, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Op 31 mei 2009 is eiser op grond van artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 (Schengengrenscode) op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de (Vreemdelingenwet 2000) Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 6 juni 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 1 juni 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij voornemen van 4 juni 2009 heeft verweerder medegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, aanhef sub a, van de Vw 2000 nu Oostenrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van eisers asielverzoek. Bij brief van 4 juni 2009 heeft verweerder aan eiser medegedeeld een claim te leggen bij Oostenrijk en de ten aanzien van eiser toegepaste vrijheidsontnemende maatregel te handhaven.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 17 juni 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig C. Boelens-Karki, tolk Nepalees. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Op dossierstuk 5 als ook op andere “Folders artikel 6, Vw” (folders) is aangekruist dat eiser Nederland niet aanstonds kon verlaten. Eiser kon Nederland echter wel verlaten nu hij in het bezit was van een geldig visum en paspoort. De grondslag voor (voortzetting van) de maatregel ontbreekt dan ook. Voorts heeft eiser vanaf 7 juni 2009 vier dagen in het Uitzetcentrum Schiphol in bewaring gezeten. Deze locatie is ongeschikt voor een asielzoeker. Eiser is hierdoor ook in zijn belangen geschaad nu het in het uitzetcentrum des te moeilijker is om middels contact met derden ten behoeve van het asielrelaas ondersteunende documenten te verkrijgen. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 mei 2009 (AWB 09/16132) blijkt, tot slot, dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder ook bij grensdetentie met de nodige voortvarendheid aan uitzetting moet werken. Nadat verweerder op 4 juni 2009 besloten heeft eiser te gaan claimen op Oostenrijk, heeft verweerder geen actie meer ondernomen.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Op sommige folders is aangekruist dat eiser Nederland niet aanstonds kan verlaten en op andere niet. Op iedere folder staat wel aangekruist dat eiser de toegang tot Nederland is ontzegd. De maatregel is dan ook rechtmatig opgelegd en duurt ook rechtmatig voort. Eiser is voorts niet in zijn belangen geschaad door zijn verblijf in Uitzetcentrum Schiphol. Daarnaast handelt verweerder voldoende voortvarend. Het dossier is gister per koerier aan Bureau Dublin verzonden en zal daar vandaag waarschijnlijk zijn gearriveerd. De claim zal dan ook zeer binnenkort worden gelegd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er niet voldoende voortvarend is gehandeld, dan stelt verweerder zich op het standpunt dat er pas schadevergoeding kan worden toegekend vanaf 6 juni 2009.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Wat er ook zij van het aankruisen van de zinsnede op de folder dat eiser Nederland niet aanstonds zou kunnen verlaten, is niet in geschil dat aan eiser de toegang is geweigerd en dat reeds om die reden de onderhavige maatregel kon worden opgelegd. De rechtbank merkt overigens op dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend zodat de situatie dat eiser aanstonds Nederland zou kunnen verlaten vanaf dat moment feitelijk geen opgeld meer deed.

4.1 Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen (o.m. bij uitspraak van 19 mei 2009, AWB 09/16132) dient verweerder ook bij een vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw 2000 met ‘due diligence’ aan het vertrek van eiser te werken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 22 maart 1995, Series A-311 (Quinn) en 15 november 1996, RV 1996,20 (Chahal), waarin het Hof overwoog dat “deprivation of liberty under article 5 para. 1 (f) will be justified only for as long as extradition proceedings are being conducted. It follows that if such proceedings are not being prosecuted with due diligence, the detention will cease to be justified” en “any deprivation of liberty under article 5 para. 1 (f) will be justified only for as long deportation proceedings are in progress. If such proceedings are not prosecuted with due diligence, the detention will cease to be permissible under article 5 para. 1 (f).” De rechtbank wijst er hierbij op dat artikel 5, sub f, van het EVRM zowel bewaring als grensdetentie omvat, en dat het EHRM oordeelt dat in geval van beide soorten detentie er voortvarend door de detinerende overheid moet worden gewerkt aan vertrek c.q. uitzetting.

4.2.1 Uit het dossier volgt dat op 4 juni 2009 aan eiser is medegedeeld dat er een Dublinclaim op Oostenrijk zou worden gelegd. Deze beslissing is op 6 juni 2009 bevestigd. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat de claim op 16 juni 2009 met een koeriersdienst naar Bureau Dublin is gestuurd alwaar het dossier vermoedelijk inmiddels is gearriveerd. Verweerder heeft desgevraagd gesteld dat vergeten is het dossier eerder door te sturen aan Bureau Dublin.

4.2.2 Alhoewel door verweerder nog niet op het asielverzoek van eiser is beslist, ontslaat dat verweerder niet van de verplichting al het mogelijke te ondernemen teneinde er zorg voor te dragen dat er geen beletselen zijn om tot uitzetting over te gaan op het moment dat daartoe ook feitelijk de mogelijkheid bestaat.

Door eerst op de twaalfde dag na de beslissing tot claimen het dossier naar Bureau Dublin te sturen ter verdere voorbereiding van de claim, en daartoe als reden op te geven dat vergeten was het dossier eerder te sturen, heeft verweerder niet de vereiste voortvarendheid betracht om het vertrek van eiser voor te bereiden. Anders dan verweerder ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om te oordelen dat er eerst vanaf 6 juni 2009 sprake was van onvoldoende voortvarend handelen. Niet valt in te zien wat de brief van 6 juni 2009 op dit punt toevoegt aan de brief van 4 juni 2009 nu de brief van 6 juni 2009 slechts een bevestiging van de beslissing van 4 juni 2009 is.

5. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 4 juni 2009 in strijd is met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding de nog resterende beroepsgrond te beoordelen.

6. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag (drie dagen, namelijk van 4 juni 2009 tot en met 6 juni 2009) dat eiser op AC-Schiphol ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest ,€ 80,-- per dag (vier dagen, namelijk van 7 juni 2009 tot en met 10 juni 2009) dat eiser in het Uitzetcentrum ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 50,-- per dag (zeven dagen, namelijk van 11 juni 2009 tot en met 17 juni 2009) dat eiser in het Grenshospitium ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 910,--.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 910,-- (zegge: negenhonderdtien euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2009 door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MP

Coll: HH

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.