Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2015

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
09/16829
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitzetting naar Bagdad van vreemdeling afkomstig uit Noord-Irak

Verweerder heeft er in het bestreden besluit – ook thans – geen blijk van gegeven zich er van te hebben vergewist dat verzoekers verblijfsduur in Bagdad tot een minimum beperkt kan blijven en dat hij vervolgens op een voldoende veilige wijze naar Noord-Irak kan doorreizen. Verweerder heeft er ter zitting enkel op gewezen dat er inmiddels twintig uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Noord-Irak, via Bagdad, en dat de autoriteiten van Centraal-Irak hebben medegedeeld dat deze vreemdelingen in Bagdad zijn toegelaten en dat doorreis heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft dit standpunt niet van een schriftelijke onderbouwing voorzien. Ook overigens kan aan vorenbedoelde mededeling niet die waarde worden gehecht die verweerder daaraan kennelijk gehecht wil zien, nu verweerder heeft bevestigd dat geen sprake is geweest van monitoring van deze vreemdelingen nadat zij naar Bagdad waren uitgezet. Het voorgaande klemt te meer nu verzoeker, ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij bij uitzetting naar Bagdad een veiligheidsrisico loopt, heeft verwezen naar een brief van Amnesty International aan verzoekers gemachtigde van 28 mei 2009. Deze brief vermeldt dat uitgeprocedeerde asielzoekers bij terugkeer in Bagdad door de Iraakse autoriteiten worden vastgehouden op het vliegveld in ieder geval ter vaststelling van hun nationaliteit en identiteit. Uitgeprocedeerde asielzoekers die niet in het bezit zijn van identiteitsdocumenten zullen naar verwachting in detentie verblijven totdat de autoriteiten voldoende informatie hebben omtrent de nationaliteit en identiteit van de betrokkene.

Uit het bestreden besluit noch uit hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, is gebleken dat het voor verweerder slechts mogelijk is naar Bagdad uit te zetten. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het contact met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van Centraal-Irak beter is dan met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van de KRG-gebieden, waardoor uitzetting naar Noord-Irak moeizamer en bewerkelijker is dan uitzetting naar Bagdad. Hieruit kan echter geenszins worden afgeleid dat (directe) uitzetting naar Noord-Irak niet (meer) tot de mogelijkheden behoort.

Vovo wordt toegewezen. Verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten naar Bagdad tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak op beroep.

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/16829, V-nummer: 200.751.7837,

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[xxx], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij faxbericht van 10 februari 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt bij verweerder tegen de op 11 februari 2009 geplande uitzetting van hem naar [xxx] (Centraal-Irak).

Bij faxbericht van eveneens 10 februari 2009 heeft verzoeker, teneinde uitzetting naar [xxx] te voorkomen, een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 09/4312.

Bij uitspraak van 11 februari 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, dit verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten naar Centraal-Irak tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker.

Bij besluit van 11 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 18 maart 2009 beroep ingesteld.

Bij faxbericht van 8 mei 2009 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 2 juni 2009 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig is dan wel kennelijk onrechtmatig. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, worden uitgezet.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de Minister van Justitie bevoegd tot uitzetting.

In artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 wordt voor de toepassing van het voor reguliere vreemdelingenzaken geldende procesrecht, een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig gelijkgesteld met een beschikking.

Deze bepaling kan onder omstandigheden, blijkens de wetsgeschiedenis, gelden voor de uitzetting, als bedoeld in artikel 63 van de Vw 2000.

2.2. Verzoeker kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat zijn uitzetting naar [xxx] onrechtmatig is. Volgens verzoeker heeft verweerder zich in het bestreden besluit geen rekenschap gegeven van de overwegingen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in diens uitspraak van 11 februari 2009. Verweerder beroept zich immers op het feit dat er reeds uitzettingen met een EU-staat naar [xxx] hebben plaatsgevonden terwijl de voorzieningenrechter heeft overwogen dat het enkele feit dat uitzettingen hebben plaatsgevonden niet betekent dat deze goed zijn verlopen, nu geen enkele vorm van monitoring ten aanzien van deze uitzettingen heeft plaatsgevonden. Ook heeft de voorzieningenrechter verwezen naar de nog immer slechte veiligheidssituatie in Irak in het algemeen en in [xxx] in het bijzonder en overwogen dat het verblijf van verzoeker in [xxx] dan ook zo kort mogelijk dient te zijn. Uit het bestreden besluit blijkt volgens verzoeker niet dat verweerder hem hiertoe wenst te faciliteren zodat nog immer geen sprake kan zijn van een zorgvuldige wijze van uitzetting naar [xxx]. Volgens verzoeker schendt verweerder het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel door ongemotiveerd gebruik te maken van verwijdering naar [xxx] terwijl rechtstreekse verwijdering naar Noord-Irak eveneens tot de mogelijkheden behoort. Voor zover het de aanwezige veiligheidsrisico’s betreft welke voor verzoeker ontstaan bij verwijdering naar [xxx] wijst verzoeker naar informatie van the International Safety Institute, naar een brief van Amnesty International van 28 mei 2009 en de UNHCR ‘eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers’ van april 2009 (hierna: de UNHCR guidelines).

2.3. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat verzoeker kan worden uitgezet naar [xxx]. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat, indien een vreemdeling niet beschikt over enig identiteitsdocument, uitzettingen naar Centraal-Irak kunnen plaatsvinden met een EU-staat. Uitzettingen naar [xxx] met een EU-staat, vinden volgens verweerder al geruime tijd plaats. Verweerder wijst er op dat Irak, zoals ook staat vermeld in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008, wordt aangemerkt als één staat. De keuze voor route en bestemming waarnaar zal worden uitgezet ligt in beginsel bij de overheid. Nu het categoriale beschermingsbeleid ten aanzien van Centraal-Irak is afgeschaft, kan verzoeker worden uitgezet naar [xxx]. Volgens verweerder is het aan verzoeker om vervolgens al dan niet door te reizen naar de plaats van bestemming. Indien verzoeker zelfstandig zou zijn teruggekeerd naar Irak, had hij route en bestemming zelf kunnen kiezen. Aangezien verzoeker dit heeft nagelaten is sprake van een gecontroleerde uitzetting met de sterke arm. Verweerder wijst er daarnaast op dat verzoeker zich, behalve over land, ook via het luchtruim van [xxx] naar Noord-Irak kan verplaatsen. Het ambtsbericht van juni 2008 vermeldt dat Iraqi Airlines commerciële binnenlandse vluchten uitvoert tussen Noord- en Centraal-Irak. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat hij geen financiële middelen heeft om een binnenlandse reis te kunnen bekostigen en geen documenten heeft ter staving van zijn identiteit, stelt verweerder zich op het standpunt dat vreemdelingen die worden uitgezet middelen kunnen ontvangen om eventueel door te kunnen reizen naar een plaats van bestemming. In dit geval zou verzoeker 200 USD ontvangen om, indien gewenst, door te kunnen reizen naar Noord-Irak. Indien verzoeker identiteitspapieren wil aanvragen, kan hij zich wenden tot de bevoegden in Irak. Volgens verweerder is dit de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker.

2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4.1. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8:81 van de Awb vereiste connexiteit. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat het door verzoeker op 10 februari 2009 gemaakte bezwaar was gericht tegen zijn uitzetting op 11 februari 2009 en dat aan dit bezwaar is tegemoetgekomen nu de op deze datum geplande uitzetting geen doorgang heeft gevonden. Volgens verweerder had het bezwaar dan ook niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden. Thans is aan de orde de op

3 juni 2009 geplande uitzetting van verzoeker en gesteld noch gebleken is dat hij hiertegen bezwaar heeft gemaakt, aldus verweerder.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Zowel uit de stukken als uit het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoeker zich niet kan verenigen met de wijze waarop verweerder hem wenst uit te zetten, namelijk naar [xxx], Centraal-Irak, terwijl verzoeker afkomstig is uit Noord-Irak. Het is deze feitelijke handeling, te weten uitzetting naar [xxx], waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt gehandhaafd dat verzoeker hiernaartoe kan worden uitgezet, tegen welk besluit verzoeker beroep heeft ingesteld. Het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening is connex aan dit beroep. Hieraan kan niet afdoen dat de feitelijke uitzetting aanvankelijk was voorzien op 11 februari 2009 en thans is voorzien op

3 juni 2009. Er is immers geen sprake van een nieuwe feitelijke handeling, maar van het ten uitvoer leggen van een op 10 februari 2009 aangekondigde handeling, na ongegrondverklaring van het bezwaar daartegen.

2.4.2. Niet in geschil is dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en dat de hem eerder gegunde vertrektermijn is verlopen. Verweerder is dan ook bevoegd tot uitzetting van verzoeker. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de wijze waarop verweerder voornemens is van die bevoegdheid gebruik te maken onrechtmatig is, met andere woorden of de geplande uitzetting van verzoeker naar [xxx], Centraal-Irak, als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

2.4.3. In de hiervoor genoemde uitspraak van 11 februari 2009 heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen:

“De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de uitoefening van zijn uitzettingsbevoegdheid in beginsel keuzevrijheid toekomt ten aanzien van het deel van het land van herkomst waarnaar zal worden uitgezet. Hierbij dient echter niet uit het oog te worden verloren dat uitzetting een vorm is van bestuursdwang, bij de effectuering waarvan volgens vaste jurisprudentie door het bestuursorgaan zorgvuldig te werk dient te worden gegaan en, indien er verschillende mogelijkheden bestaan om aan de illegale situatie een einde te maken, de minst bezwarende weg voor de betrokkene(n) moet worden gekozen.”

Voorts heeft de voorzieningenrechter, met inachtneming van hetgeen wordt vermeld in het ambtsbericht van juni 2008 omtrent de veiligheidssituatie in Irak in het algemeen en [xxx] in het bijzonder, overwogen:

“Uit het oogpunt van zorgvuldigheid had verweerder alvorens te kiezen voor uitzetting van verzoeker naar Centraal-Irak zich er dan ook van dienen te vergewissen dat het voor een persoon als verzoeker mogelijk is om – eenmaal aangekomen in [xxx] – binnen een aanvaardbare termijn en op een voldoende veilige wijze vanuit [xxx] naar Noord-Irak te reizen. Nu dit niet is gebeurd, althans daarvan niet is gebleken, dient verzoekers uitzetting naar Centraal-Irak – mede gezien de mogelijkheid van (directe) uitzetting naar Noord-Irak, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze mogelijkheid niet langer aanwezig is – (vooralsnog) als onrechtmatig te worden aangemerkt.”

2.4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder er in het bestreden besluit – ook thans – geen blijk van heeft gegeven zich er van te hebben vergewist dat verzoekers verblijfsduur in [xxx] tot een minimum beperkt kan blijven en dat hij vervolgens op een voldoende veilige wijze naar Noord-Irak kan doorreizen. Verweerder heeft er ter zitting enkel op gewezen dat er inmiddels twintig uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Noord-Irak, via [xxx], en dat de autoriteiten van Centraal-Irak hebben medegedeeld dat deze vreemdelingen in [xxx] zijn toegelaten en dat doorreis heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft dit standpunt niet van een schriftelijke onderbouwing voorzien. Ook overigens kan aan vorenbedoelde mededeling niet die waarde worden gehecht die verweerder daaraan kennelijk gehecht wil zien, nu verweerder heeft bevestigd dat geen sprake is geweest van monitoring van deze vreemdelingen nadat zij naar [xxx] waren uitgezet.

Het voorgaande klemt te meer nu verzoeker, ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij bij uitzetting naar [xxx] een veiligheidsrisico loopt, heeft verwezen naar een brief van Amnesty International aan verzoekers gemachtigde van 28 mei 2009. Deze brief vermeldt:

“Amnesty International kan bevestigen dat uitgeprocedeerde asielzoekers bij terugkeer in [xxx] door de Iraakse autoriteiten worden vastgehouden op het vliegveld in ieder geval ter vaststelling van hun nationaliteit en identiteit. Uitgeprocedeerde asielzoekers die niet in het bezit zijn van identiteitsdocumenten zullen naar verwachting in detentie verblijven totdat de autoriteiten voldoende informatie hebben omtrent de nationaliteit en identiteit van de betrokkene.”

2.4.5. De voorzieningenrechter neemt bij het voorgaande in aanmerking dat uit het bestreden besluit noch uit hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, is gebleken dat het voor verweerder slechts mogelijk is naar [xxx] uit te zetten. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het contact met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van Centraal-Irak beter is dan met de vertegenwoordigers van de autoriteiten van de KRG-gebieden, waardoor uitzetting naar Noord-Irak moeizamer en bewerkelijker is dan uitzetting naar [xxx]. Hieruit kan echter geenszins worden afgeleid dat (directe) uitzetting naar Noord-Irak niet (meer) tot de mogelijkheden behoort.

2.5. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich bij de voorbereiding van het besluit, voor zover het de wijze betreft waarop de feitelijke uitzetting ter hand wordt genomen, een onvoldoende beeld heeft gevormd van de bij het te nemen besluit betrokken belangen, hetgeen strijdig is met artikel 3:2 van de Awb. Aldus ontbeert het bestreden besluit ook een draagkrachtige motivering in de zin van artikel 7:12 van de Awb. Gelet hierop bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten naar [xxx], Centraal-Irak, tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep van verzoeker.

2.6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten, in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand, zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker nog andere kosten heeft moeten maken.

2.7. Voorts is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht wordt vergoed.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

-wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten naar [xxx], Centraal-Irak tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep van verzoeker;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644, -;

-wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan verzoeker moet vergoeden;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150, - vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 3 juni 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.