Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1995

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
324337 / FARK 08-9154
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 08-9154

Zaaknummer: 324337

Datum beschikking: 10 april 2009

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 6 november 2008 bij de rechtbank Utrecht ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de man],

de vader,

wonende te [land].

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[adresde vrouw],

de moeder,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers, kantoorhoudende te Breda.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 maart 2009 is bepaald dat de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding zal worden voortgezet op de terechtzitting van 20 maart 2009, teneinde partijen met het oog op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1, sub b van het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag) in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen met name over de situatie waarin de minderjarige terechtkomt, indien zij naar de vader in [land] zou worden teruggeleid, over hoe de contacten tussen de vader en de minderjarige op dit moment verlopen en sinds november 2007 zijn verlopen en over de wijze waarop de vader meent invulling te kunnen geven aan het ouderschap.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de volgende stukken:

- de brief d.d. 16 maart 2009 van de Centrale Autoriteit met als bijlage een brief d.d. 13 maart 2009 van de vader;

- de brief d.d. 18 maart 2009, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 20 maart 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. [A], de vader, vergezeld van de heer [B], tolk in de [land] taal, de moeder en de advocaat van de moeder, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming, vertegenwoordigd door de heer [C].

Van de zijde van de moeder zijn ter terechtzitting overgelegd:

- pleitnotities;

- een schriftelijke reactie van de moeder met betrekking tot de brief van de vader d.d. 13 maart 2009.

Beoordeling

Ter terechtzitting heeft de moeder bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van de brief van de vader d.d. 13 maart 2009, nu hierin door de vader inhoudelijk wordt ingegaan op een aantal aspecten van de zaak waartoe hij door de rechtbank niet in de gelegenheid was gesteld. De rechtbank zal voorbij gaan aan dit bezwaar van de moeder nu de moeder met de door haar ter terechtzitting overgelegde schriftelijke reactie voldoende gelegenheid heeft gehad om op de inhoud van die brief te reageren.

Ter terechtzitting heeft de moeder de stelling ingenomen dat de rechtbank in de tussenbeschikkingen d.d. 23 december 2008 en 6 maart 2009 op vele verweren niet heeft beslist, althans daaraan geen enkele overweging heeft gewijd en de rechtbank verzocht deze alsnog in haar overwegingen te betrekken. Desgevraagd is van de zijde van de moeder aangegeven dat het om de navolgende punten gaat.

Allereerst stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het feit dat eerder door de Centrale Autoriteit namens de moeder een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige vanuit [land] naar Nederland is ingediend en dat de Centrale Autoriteit deze zaak heeft gesloten nadat de moeder de minderjarige in november 2007 naar Nederland heeft gebracht. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen overwogen op pagina 3 van de beschikking d.d. 23 december 2008 waar deze stelling van de moeder is vermeld. Vervolgens is overwogen dat, gelet op de daarvoor weergegeven feitelijke stellingen van partijen, het antwoord op de vraag of de gewone verblijfplaats van de minderjarige direct vóór 11 november 2007 in [land] of Nederland was gelegen, afhankelijk is van de intentie van de ouder die op dat moment het gezag had. In de beschikking van 6 maart 2009 is beslist dat het gezag over de minderjarige op 11 november 2008 uitsluitend bij de vader lag en dat daarmee de gewone verblijfplaats van de minderjarige op dat moment in [land] was.

Voorzover de moeder bedoelt te stellen dat de voormelde handelswijze van de Centrale Autoriteit reeds moet leiden tot afwijzing van het onderhavige verzoek, kan de rechtbank haar daarin niet volgen. Dat de Centrale Autoriteit, bij de uitoefening van de haar ingevolge het Verdrag en de Uitvoeringswet Verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen (Wet van 2 mei 1990, Stb. 202) opgelegde taken, in eerste instantie - op basis van de door haar verstrekte gegevens - het verzoek van de moeder in behandeling heeft genomen en, nadat het kind in Nederland is teruggekeerd, de zaak heeft gesloten impliceert nog niet dat zij het daarna, via de [land] Centrale Autoriteit, ingediende verzoek van de vader niet in behandeling mag nemen en/of dat dit verzoek door de rechtbank aanstonds dient te worden afgewezen. Ook dit verzoek moet immers op zijn inhoudelijke merites worden beoordeeld, hetgeen in de onderhavige procedure geschiedt.

De moeder verwijst voorts naar haar brief d.d. 18 februari 2009, waarin zij gemotiveerd bezwaar maakt tegen de suggestie van de [land] liaisonrechter om de [land] rechtbank te verzoeken de echtheid van de handtekening te laten onderzoeken door een [land] deskundige ingevolge de EG-bewijsverordening. In de beschikking van 6 maart 2009 is beslist dat een dergelijk onderzoek niet zal worden ingesteld.

Tot slot stelt de moeder dat in de tussenbeschikkingen d.d. 23 december 2008 en 6 maart 2009 niet nader is ingegaan op de vraag op welke wijze het verzoek tot homologatie is ingediend bij de [land] rechtbank, welke rol de advocaat van de vader heeft gespeeld en of en zo ja de moeder op enig moment een handtekening heeft geplaatst. De moeder heeft deze feitelijke stellingen naar voren gebracht in het kader van haar beroep op artikel 6 EVRM en/of artikel 23, aanhef en sub c en d Brussel IIbis. Dit beroep is in de beschikking van 6 maart 2009 verworpen op de aldaar genoemde gronden.

Gelet op het voorgaande handhaaft de rechtbank al hetgeen bij haar beschikkingen d.d. 23 december 2008 en 6 maart 2009 is overwogen en beslist.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag

Thans is aan de orde de vraag of er sprake is van de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag.

Beoordeeld moet worden of de moeder heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengen doel en strekking van het Verdrag mee dat voormelde weigeringsgrond restrictief moeten worden toegepast en dat de rechter van de aangezochte staat de in de bepaling van artikel 13 lid 1, sub b gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter.

De moeder heeft in het geding gebracht het verslag van de psycholoog [D] van 23 september 2008, waarin deze aangeeft dat een terugkeer van de minderjarige naar [land] traumatiserend zal zijn. Ter terechtzitting heeft de moeder aangegeven dat de minderjarige vanaf eind november 2007 gedurende ongeveer vier maanden onder behandeling is geweest bij genoemde psycholoog en dat de aanleiding hiervan was dat de minderjarige na haar komst naar Nederland weer begon met bedplassen en last had van verlatingsangst.

Dit klemt volgens de moeder temeer, omdat zijzelf niet kan terugkeren naar [land] vanwege het feit dat er tegen haar een arrestatiebevel is uitgevaardigd en door de vader tegen haar aangifte is gedaan van een strafbaar feit. Reeds daarom, zo stelt de moeder, dient het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar [land] direct te worden afgewezen.

Voorts stelt de moeder dat de vader geen enkel begrip heeft voor de ontstane situatie. Zij stelt dat zij altijd de verzorgende ouder is geweest. Na december 2006 heeft de vader in het kader van verzorging en opvoeding geen enkele rol meer gespeeld in het leven van de minderjarige. Daar komt volgens haar nog bij dat de vader de minderjarige in [land] niet kan opvangen, nu hij zelfstandig schilder is en om die reden veel van huis is. Ook kan de vader volgens de moeder niet op familie terugvallen. Hij heeft een zus die aan drugs verslaafd is en van wie zelfs een kind uithuis is geplaatst. Het feit dat de vader zo luchtig doet over een terugkeer van de minderjarige geeft volgens de moeder aan dat hij totaal geen inzicht heeft in wat zich het afgelopen anderhalf jaar in het leven van de minderjarige heeft afgespeeld. De veronderstelling dat de minderjarige in [land] het leven zo weer kan oppakken getuigt volgens haar niet van realiteitszin.

Ter terechtzitting heeft de moeder de rechtbank verzocht, in het geval zij mocht overwegen de teruggeleiding van de minderjarige te gelasten, een raadsonderzoek te bevelen naar de vraag of de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht, alsmede naar de vraag of met de mening van de minderjarige rekening moet worden gehouden.

Van de zijde van de vader is in reactie op het verslag van de psycholoog [D] naar voren gebracht dat deze psycholoog in opdracht van de moeder de minderjarige heeft behandeld en vanuit die situatie het belang van de minderjarige heeft beoordeeld. Dat de minderjarige het gesignaleerde gedrag vertoont en zich uitlaat over de vader zoals in het rapport vermeld, is volgens hem inherent aan het feit dat zij vanuit [land] naar Nederland is overgebracht en betekent niet dat terugkeer een gevaar als bedoeld in artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag zal opleveren. Op grond van die bevindingen kan de teruggeleiding derhalve niet worden geweigerd, aldus de vader.

Ter terechtzitting is van de zijde van de vader voorts naar voren gebracht dat het arrestatiebevel in [land] tegen de moeder zal worden ingetrokken op het moment dat de minderjarige naar [land] terugkeert. Recentelijk hebben er bij de [land] rechtbank twee zittingen plaatsgevonden in het kader van de aldaar aanhangige gezagsprocedure. De Centrale Autoriteit heeft de autoriteiten in [land] op de hoogte gesteld van de onderhavige procedure en verzocht de moeder niet te beletten de zittingen in [land] bij te wonen. De [land] autoriteiten hebben hieraan gehoor gegeven en de moeder is tweemaal [land] in- en uitgereisd zonder enige repercussie.

De [land] Centrale Autoriteit neemt een teruggeleidingsverzoek pas in behandeling wanneer er strafrechtelijk aangifte is gedaan tegen de ontvoerende ouder. Dit is de reden waarom de vader dit heeft gedaan.

Met betrekking tot de zorg voor de minderjarige stelt de vader dat hij vanaf haar geboorte voor haar heeft gezorgd en dat hij altijd beschikbaar was en is. Hij heeft tweemaal per week telefonisch contact met de minderjarige en spreekt dan [taal] met haar. De vader heeft voorts gesteld dat hij een aannemingsbedrijf heeft. Hij houdt zich onder meer bezig met offertes, klanten werven en inkoop. De vader is, zo stelt hij, vrij zijn dag in te delen zoals hij dat wil en kan de minderjarige dan ook van school kan halen en brengen. Hij heeft een moeder, twee zussen en zeven nichtjes heeft die hem kunnen bijstaan; er is volgens de vader dus een heel netwerk beschikbaar als er op enig moment een probleem is met de invulling van de zorg. Ook voor wat betreft de medische zorg voorziet de vader geen problemen. Hij is in het bezit van een EHBO-diploma en hij heeft vier jaar op een ambulance gewerkt. Dichtbij zijn woning is een klein en een groter ziekenhuis gelegen. Hij zal zich niet verzetten tegen een medische behandeling in Nederland, indien de minderjarige die nodig heeft. In het verleden heeft hij hier ook altijd aan meegewerkt, aldus de vader.

De rechtbank stelt voorop dat een mogelijke arrestatie van de moeder in [land] op zichzelf niet met zich meebrengt dat er sprake is van een ernstig risico dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht en dat op grond hiervan de teruggeleiding moet worden geweigerd.

Voorts is niet aangetoond en niet aannemelijk geworden dat de moeder, in het geval de minderjarige naar [land] zal worden teruggeleid en de moeder hieraan meewerkt, ook daadwerkelijk gearresteerd zal worden. De moeder heeft immers niet betwist dat zij in het recente verleden tweemaal [land] is in- en uitgereisd. De moeder heeft geen informatie, feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat bedoeld risico zich zal voordoen wanneer zij meewerkt aan de teruggeleiding van de minderjarige. De verwijzing naar een andere zaak waarin niet aannemelijk werd geacht dat een moeder in de Verenigde Staten gearresteerd en vervolgd zou worden en dit desondanks uiteindelijk wel is gebeurd, is in dit verband niet redengevend.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de moeder met het rapport van psycholoog [D] niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

Uit het verslag blijkt niet expliciet welke vragen worden beantwoord. Voorts kan uit het verslag worden opgemaakt dat de psycholoog ter beantwoording van de aan hem gestelde vragen geen informatie bij de vader heeft ingewonnen. De rechtbank overweegt voorts dat de bevindingen van de psycholoog met name lijken te zijn gebaseerd op de periode dat de minderjarige bij hem/haar in behandeling was, dus in de periode direct na haar overbrenging vanuit [land] naar Nederland. Niet blijkt dat de psycholoog de minderjarige na de beëindiging van de therapie in april 2008 nog heeft gesproken. Verder is gesteld noch gebleken dat de problemen die de minderjarige ondervond door haar plotselinge vertrek naar Nederland en die zij wellicht weer zal ondervinden als zij zal moeten terugkeren naar [land] uitzonderlijk waren voor een kind in haar situatie, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat het risico bestaat dat de minderjarige door terugkeer naar [land] wordt blootgesteld aan een gevaar en/of in een ondragelijke toestand zal worden gebracht als bedoeld in artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag. De conclusie van de psycholoog dat het voor de minderjarige traumatiserend zou zijn om bij de vader te gaan wonen lijkt grotendeels te zijn gebaseerd op de - naar het oordeel van de rechtbank onjuiste - stelling van de moeder dat zij niet naar [land] kan terugkeren en op het beeld dat de minderjarige zich van de vader is gaan vormen vanaf het moment dat zij naar Nederland is overgebracht en de vader uit haar (dagelijkse) leven is verdwenen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat dit de toestand is waarin de minderjarige komt te verkeren in het geval zij terugkeert naar [land].

De moeder heeft tegenover de stellingen van de vader met betrekking tot de zorg voor de minderjarige, de opvang van de minderjarige en de medische behandeling van de minderjarige niet aangetoond dat hierin een risico is gelegen als bedoeld in artikel 13 lid 1, sub b van het Verdrag. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat de moeder ter terechtzitting heeft aangegeven dat de minderjarige op dit moment geen medische behandeling behoeft die niet in [land] maar wel in Nederland kan worden gegeven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de vader niet kan worden tegengeworpen dat hij na december 2006 in het kader van verzorging en opvoeding geen rol in het leven van de minderjarige meer heeft gespeeld. Het is immers de moeder geweest die de minderjarige in strijd met het éénhoofdig gezagsrecht van de vader heeft overgebracht naar Nederland.

De rechtbank ziet geen aanleiding een raadsonderzoek te gelasten, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die nader onderzoek vergen. Het enkele feit dat de minderjarige heeft gereageerd op haar overbrenging van [land] naar Nederland, zoals beschreven door de psycholoog [D], is in dit verband onvoldoende. In de beschikking d.d. 6 maart 2009 is reeds geoordeeld dat geen sprake is van een leeftijd en mate van rijpheid die rechtvaardigt dat met haar mening rekening moet worden gehouden.

De terugkeer

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

Nu er geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12, lid 1, van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

De rechtbank acht het, gelet op de beschikkingen van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 16 juli 2008, LJN: BG6755, en d.d. 13 augustus 2008, LJN: BE9360, wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 8 mei 2009 en daarbij tevens de afgifte van de minderjarige aan de vader bevelen, nu hij is belast met het éénhoofdig gezag.

Op grond van artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet Verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen is de onderhavige beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

De proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[E], geboren op [datum] 2001 te [plaats],

naar [land] op 8 mei 2009 en beveelt tevens de afgifte van de minderjarige aan de vader op 8 mei 2009;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, M. Kramer en M. Dam, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2009.