Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1810

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
331270 - FA RK 09-1402
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben verzocht de kinderalimentatie te beoordelen naar Nederlands recht. Nu het hen in zoverre niet vrijstaat een rechtskeus te doen, zal de rechtbank hieraan voorbijgaan en zelf bepalen welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 1 van het Haags Kinderalimentatieverdrag van 24 oktober 1956, Trb. 1959, 20, bepaalt de wet van de gewone verblijfplaats van de minderjarige of en in welke mate en van wie het kind onderhoud kan vorderen. Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in België heeft, dient Belgisch recht te worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

5x

Rekestnummer: FA RK 09-1402

Zaaknummer: 331270

Datum beschikking: 8 april 2009

Scheiding

Beschikking op het op 17 februari 2009 ingekomen gemeenschappelijk verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [plaats] (België),

advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven,

en

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats] (België),

advocaat: mr. R.H. Ebbeng te Veldhoven.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Echtscheiding

Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en is krachtens het bepaalde in artikel 1, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Verzoekers stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het daarop steunende verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Hoofdverblijf van de minderjarige en omgangsregeling

Krachtens art. 12 lid 1 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, nu ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige draagt en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk door de echtgenoten is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij deze rechtbank aanhangig werd gemaakt en door het belang van de minderjarige wordt gerechtvaardigd.

Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 past de rechtbank Nederlands recht toe als haar interne recht.

Nu partijen eensluidend hebben verzocht de hoofdverblijfplaats bij de vrouw te bepalen en de minderjarige reeds bij de vrouw verblijft, acht de rechtbank het verzochte in het belang van de minderjarige en aldus voor toewijzing vatbaar. De verzochte regeling met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken acht de rechtbank tevens in het belang van de minderjarige en aldus eveneens toewijsbaar.

De kinderbijdrage

Nu het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure is ingediend, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van dit verzoek.

Partijen hebben verzocht de kinderalimentatie te beoordelen naar Nederlands recht. Nu het hen in zoverre niet vrijstaat een rechtskeus te doen, zal de rechtbank hieraan voorbijgaan en zelf bepalen welk recht van toepassing is.

Op grond van artikel 1 van het Haags Kinderalimentatieverdrag van 24 oktober 1956, Trb. 1959, 20, bepaalt de wet van de gewone verblijfplaats van de minderjarige of en in welke mate en van wie het kind onderhoud kan vorderen. Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in België heeft, dient Belgisch recht te worden toegepast. Een en ander wijzigt niet op grond van de overige bepalingen van voornoemd verdrag.

Blijkens artikel 203, paragraaf 1, van het Belgische Burgerlijk Wetboek (B.W.) zijn beide ouders naar evenredigheid van hun middelen verplicht bij te dragen tot het onderhoud en de opvoeding van hun kinderen. De ouders zijn hierbij gerechtigd afspraken te maken over de onderlinge verhouding waarin zij bijdragen in het levensonderhoud van de kinderen. Nu het Belgische recht de mogelijkheid biedt om in onderling overleg een kinderbijdrage te bepalen en niet is gebleken dat de door partijen gesloten overeenkomst de rechtmatige belangen van de minderjarige miskent of het convenant voor één van partijen een ontheffing inhoudt van zijn verplichting om in het levensonderhoud van de minderjarige te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige als op de wet gegrond toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 2004 in de gemeente [plaats];

bepaalt dat de minderjarige [A], geboren op [datum] 2006 te [plaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn eenmaal in de twee weken van vrijdagavond tot zondagavond en de vakanties en de feestdagen voor de helft, en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man, met ingang van heden voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 140,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt - van Endt, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2009.