Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1707

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/6042 OB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5060, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Invoering art. 4, lid 2 (nieuw), Wet OB 1968 per 1 januari 2007 niet in strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, omdat de Wet van 14 december 2006 (Belastingplan 2007) niet met terugwerkende kracht in ingevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/49.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08/6042 OB

Uitspraakdatum: 17 juni 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 4 juli 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser over het tijdvak december 2007 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer]).

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Namens eiser is daar verschenen mr. drs. [A] en namens verweerder is verschenen mr. [B].

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

III.1. Tot 1 januari 2007 had de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) onder meer de volgende kenmerken:

- uitgesloten was de mogelijkheid ervoor te kiezen een investeringsgoed of een daarmee gelijkgesteld goed of een gelijkgestelde dienst geheel tot het ondernemingsvermogen te laten behoren ingeval de verkrijger dat goed of die dienst zowel binnen zijn onderneming als daarbuiten (met name voor privé-doeleinden) gebruikt;

- tevens, daarmee verbonden, was uitgesloten de mogelijkheid om de ter zake van de aanschaf van dat goed of die dienst in rekening gebrachte belasting onmiddellijk en volledig in aftrek te brengen;

- niet was voorzien in een heffing van BTW als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter a, van de Zesde richtlijn.

III.2. In zijn arrest van 10 oktober 2003, nr. 37 689 (LJN: AF8486), heeft de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie dan wel HvJ EG) verzocht uitspraak te doen over de vraag of een wettelijk stelsel met de hiervoor vermelde kenmerken, waarbij ten aanzien van alle soorten goederen of diensten die zowel in het kader van de onderneming als daarbuiten (in het bijzonder voor privé-doeleinden) worden gebruikt, de aftrek is uitgesloten voor zover van gebruik buiten het kader van de onderneming sprake is verenigbaar is met de Zesde richtlijn - in het bijzonder artikel 17, leden 1, 2 en 6, alsmede artikel 6, lid 2.

III.3. Vanaf 2004 heeft eiser, nu de Wet in zoverre niet in het aftrekrecht voorzag, kennelijk zich beroepend op artikel 17, tweede lid, van de Zesde richtlijn, dat, gelezen in samenhang met artikel 6, tweede lid, in zoverre in de aftrek van voorbelasting voorziet, de voorbelasting ter zake van de bouw van zijn woning in aftrek gebracht.

III.4. In HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles), BNB 2005/284, heeft het Hof van Justitie op de onder III.2 bedoelde vraag geantwoord dat de artikelen 6, tweede lid, en 17, tweede en zesde lid, Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn is vastgesteld, en die een belastingplichtige niet toestaat een investeringsgoed dat gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden wordt gebruikt, volledig voor zijn onderneming te bestemmen en in voorkomend geval de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde BTW volledig en onmiddellijk af te trekken.

III.5. Bij wet van 14 december 2006, Stb. 2006, 682, is met ingang van 1 januari 2007 de Wet op de hiervoor vermelde punten in overeenstemming gebracht met artikel 6, tweede lid, en 17, tweede en zesde lid, van de Zesde richtlijn.

III.6. Eiser heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waar hij het vertrouwen aan heeft ontleend dat het in overeenstemming brengen van het wettelijke systeem met dat van de Zesde richtlijn - waarin de samenhang tussen artikel 17, tweede lid en 6, tweede lid onmiskenbaar is - er niet toe zou leiden dat het gebruiken van de - getuige de ter zake van de bouw in aftrek gebrachte voorbelasting - tot het bedrijf van eiser behorende woning voor privé-doeleinden vanaf die wetswijziging zou worden aangemerkt als een dienst verricht onder bezwarende titel, nu daarvoor volledig recht op aftrek van voorbelasting is ontstaan.

III.7. Anders dan eiser stelt is de hiervoor onder III.5 vermelde wet van 14 december 2006 niet met terugwerkende kracht, maar eerst met ingang van 1 januari 2007 van kracht geworden. Van schending van het rechtszekerheidbeginsel of het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

III.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. L.M. Holdert.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.