Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1677

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
317157 / FA RK 08-6272 319964 / FA RK 08-7412
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Scheiding en voorlopige voorzieningen. Vituele behoefte van de vrouw aan partneralimentatie na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 08-6272 (echtscheiding) en 08-7412 (voorlopige voorzieningen)

Zaaknummers: 317157 (echtscheiding) en 319964 (voorlopige voorzieningen)

Datum beschikking: 9 april 2009

Scheiding en voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 7 augustus 2008 ingekomen echtscheidingsverzoek (FA RK

08-6272) met nevenvoorzieningen van:

[de man],

de man,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. W.N.L. Donker te [plaats] (voorheen mr. J.L.J. Kapteijn),

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. S. Rozemeijer te Velserbroek,

alsmede op het op 22 september 2008 ingekomen verzoek tot voorlopige voorzieningen (FA RK 08-7412) van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. S. Rozemeijer te Velserbroek,

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. W.N.L. Donker te [plaats] (voorheen mr. J.L.J. Kapteijn).

De echtscheidingsprocedure (FA RK 08-6272)

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het faxbericht d.d. 21 november 2008, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 6 maart 2009, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 7 maart 2009, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

De minderjarige [A] heeft in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 12 maart 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, beiden vergezeld van hun advocaat.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een bijdrage ad € 450,- per maand per kind in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[A], geboren op [datum] 1996 te [plaats], en

[B], geboren op [datum] 1998 te [plaats], bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- de wijze van verdeling vast te stellen van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap van goederen conform hetgeen de man daartoe heeft verzocht;

- bepaling dat de echtelijke woning na 3 juli 2016 zal worden verkocht tegen de dan geldende marktwaarde, waarbij de op de woning rustende overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert - onder referte aan het oordeel van de rechtbank voor het overige - thans nog verweer tegen de door de man verzochte wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- bepaling dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 1.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- de wijze van verrekening en/of verdeling vast te stellening, met inachtneming van hetgeen de vrouw daartoe heeft verzocht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man stemt in met bepaling dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn. Hij voert thans nog verweer tegen de verzochte uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) en de verzochte verrekening en/of verdeling.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1987 in de gemeente [plaats] met elkander gehuwd. Zij hebben twee thans nog minderjarige kinderen.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De minderjarige kinderen van partijen

De man stemt ermee in dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn. De rechtbank zal aldus beslissen.

De man heeft zijn aanvankelijk verzoek betreffende de verdeling van zorg- en opvoedings-taken ten aanzien van de minderjarigen alsmede betreffende een informatie- en consultatieregeling, ter terechtzitting ingetrokken. Redengevend daartoe is dat het tussen partijen lopende mediationtraject nog niet is afgerond en beide partijen de intentie hebben uitgesproken om in overleg met de mediator nadere afspraken betreffende de belangen van de minderjarigen te maken. De rechtbank hoeft op dit punt daarom niet te beslissen.

Kinderbijdrage

Partijen hebben overeenstemming over een kinderbijdrage van € 450,- per maand per kind met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Aldus zal worden beslist.

Partneralimentatie

De vrouw verzoekt vaststelling van partneralimentatie. Zij heeft aangevoerd dat het gezinsinkomen ten tijde van feitelijk uit elkaar gaan van partijen circa € 5.000,- netto per maand bedroeg: € 1.000,- van de zijde van de vrouw en € 4.000,- van de zijde van de man. Uitgaande van de zogeheten 60% regel en met inachtneming van € 900,- per maand kosten kinderen, acht de vrouw een partneralimentatie van € 1.500,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

De man heeft tegen dit verzoek van de vrouw tot partneralimentatie verweer gevoerd.

Hij stelt daartoe dat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie. De vrouw heeft op geen enkele wijze aangetoond dat partijen ten tijde van uiteengaan beschikten over bovengenoemd gezinsinkomen. Voorts stelt hij dat de vrouw geen behoefte heeft aan partner-alimentatie naast de al door haar te ontvangen WAO/WIA-uitkering die thans

€ 1.355,68 bruto per maand bedraagt. Daarbij heeft de man er op gewezen dat de vrouw zeer lage woonlasten heeft.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de bepaling van mede aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in diezelfde periode.

Door de man zijn financiële jaarstukken ingediend van de door hem gedreven onderneming [C]. Door de vrouw is bevestigd dan wel niet weersproken, dat de jaren 2005, 2006 en 2007 voor de onderneming slechte jaren zijn geweest. Rekening houdend met de gemiddelde inkomsten uit onderneming over de afgelopen drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan het uiteengaan van partijen, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stelling ten aanzien van het uit deze onderneming gegenereerde gezinsinkomen en haar daaraan gerelateerde behoefte, onvoldoende heeft onderbouwd.

Door de vrouw is verder gesteld dat de door de man in 2005 ontvangen gouden handdruk bij het bepalen van het uitgavenpatroon van partijen ten tijde van uiteengaan, dient te worden meegenomen. Zij heeft echter de stelling van de man, houdende dat de gouden handdruk omstreeks augustus 2006 volledig was opgesoupeerd en dat partijen sindsdien hun gezinsbestedingen mede hebben gefinancierd met middelen afkomstig van een flexibel krediet, niet weersproken. Tussen partijen staat derhalve vast dat zij in de periode voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan weliswaar een hoog uitgavenpatroon hadden, doch dat daartegenover in die periode geen reëel inkomen van (nagenoeg) gelijke hoogte stond. De rechtbank overweegt dat door deze gang van zaken wel een behoefte wordt gecreëerd, maar dat de vraag in alle redelijkheid dient te worden beantwoord of die 'virtuele' behoefte maatgevend is voor de behoefte van de vrouw. Immers, partijen hadden hun uitgavenpatroon evenzeer moeten bijstellen indien het huwelijk niet door echtscheiding zou zijn ontbonden. De rechtbank acht derhalve niet aannemelijk dat het reële netto besteedbare inkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan € 5.000,- zoals door de vrouw gesteld, bedroeg. De rechtbank neemt voorts nog in aanmerking dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw met toepassing van de 60%-regel op in mindering dient te strekken de door partijen in onderling overleg vastgestelde behoefte aan een bijdrage van de kinderen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij

- in aanvulling op het door de vrouw zelf gegenereerde inkomen- behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, in het licht van de betwisting daarvan door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden/ verdeling van de beperkte gemeenschap

Partijen zijn gehuwd na het opmaken van een akte houdende huwelijkse voorwaarden d.d. [datum] 1987.

De behandeling ter terechtzitting is korte tijd geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen overleg te voeren. Na hervatting van de behandeling hebben partijen meegedeeld dat zij overeenstemming hebben bereikt.

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

De echtelijke woning te [adres], is gezamenlijk eigendom van partijen. Ter financiering van deze woning hebben partijen op beider naam een hypothecaire lening afgesloten.

Teneinde de vrouw in staat te stellen de woning met de minderjarige kinderen van partijen te blijven bewonen totdat het de jongste kind 21 jaar is geworden, zal de woning tot uiterlijk [datum] 2019 in de onverdeelde boedel blijven of zoveel eerder aan de vrouw worden toegedeeld indien zij aantoont dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om de man uit te kopen tegen de dan geldende marktwaarde.

De man is bevoegd zijn aandeel in de onverdeelde boedel op te eisen indien de vrouw gaat samenwonen als ware zij gehuwd en na ommekomst van één jaar is gebleken dat er sprake is van een bestendige relatie.

De vrouw is niet bevoegd de woning of een gedeelte daarvan - onder welke titel dan ook - aan derden in gebruik, huur of onderhuur te geven, zolang de man mede-eigenaar is van de woning.

De vrouw verplicht zich jegens de man de rente van de op de echtelijke woning rustende hypothecaire lening alsmede de overige zakelijke lasten voor haar rekening te nemen en de man ter zake van deze verplichtingen te vrijwaren, uitgezonderd de kosten betreffende groot onderhoud van de woning. Ter zake van deze laatste kosten zijn partijen overeengekomen dat zij in voorkomende gevallen overleg met elkaar zullen voeren en heeft de man zich bereid verklaard de helft van deze kosten voor zijn rekening te nemen.

In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat twee kapitaalpolissen ten name van de man bij [bank] (nummers [1] en [2]) zullen worden verrekend, in die zin dat de man aan de vrouw tegen finale kwijting voldoet een bedrag van € 15.000,-, te betalen in vijftien maandelijkse termijnen van € 1.000,-, met ingang van 1 april 2009. De rechtbank zal beslissen als na te melden. Voor zover er meer of anders is verzocht - voor zover niet al ter terechtzitting ingetrokken - zal dit worden afgewezen.

De voorlopige voorzieningenprocedure (FA RK 08-7412)

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank en kamer d.d. 4 december 2008 is iedere verdere beslissing omtrent de voorlopige omgangsregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation. De man heeft zijn verzoek, gelet op de omstandigheid dat beide partijen de intentie hebben uitgesproken om in overleg met de mediator nadere afspraken betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen, ter terechtzitting ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank:

beschikkende in de echtscheidingsprocedure (rekestnummer FA RK 08-6272):

*

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1987 in de gemeente [plaats];

*

bepaalt dat de minderjarige kinderen van partijen:

- [A], geboren op [datum] 1996 te [plaats], en

- [B], geboren op [datum] 1998 te [plaats],

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)zal betalen een bedrag van € 450,- per maand, per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt vast dat de man aan de vrouw ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen € 15.000,- - te voldoen in vijftien maandelijkse termijnen met ingang van 1 april 2009 - en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

beschikkende in de voorlopige voorzieningenprocedure (rekestnummer FA RK 08-7412):

*

wijst af het meer of anders verzochte.

*

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Rootring, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. P.W.M. Jans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2009.