Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1519

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
09/900934-08 en 09/535667-07 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ten aanzien van tenlastegelegde pogingen tot doodslag subsidiair zware mishandeling van politieagenten. Verdachte heeft zich onttrokken aan een staandehouding, waarna de politie hem heeft willen aanhouden. Verdachte reed met grote snelheid door Den Haag om zich daaraan te onttrekken. Op enig moment (feit 1) ontweek hij een surveillancevoertuig dat zijn weg blokkeerde. Een agente, die in de nabijheid van dit voertuig op de weg stond, heeft zich uit de voeten gemaakt voor de auto waarin verdachte reed. De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte de betreffende agente heeft gezien. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat een of meer agenten zich in de nabijheid van de door hen verlaten auto op de rijbaan zouden bevinden. Enige tijd later (feit 2) reed verdachte in de richting van een kruising die geblokkeerd werd door twee surveillancevoertuigen. Hij is toen het naast de rijbaan gelegen fietspad opgereden om die blokkade te omzeilen. Toen hij op dat fietspad reed, heeft een ander surveillancevoertuig de doorgang op het fietspad afgesloten, waarna een botsing volgde. De rechtbank acht ten aanzien van dit incident geen voorwaardelijk opzet aanwezig omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij via het fietspad ongehinderd zijn vlucht kon vervolgen en het politievoertuig eerst op het laatste moment het gat dichtreed.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 163
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 177
Wegenverkeerswet 1994 179
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14g
Wetboek van Strafrecht 24c
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/900934-08 en 09/535667-07 (tul)

Datum uitspraak: 3 juli 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Vught – Nieuw Vosseveld 1 VBA" te Vught.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 juni 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.H. Westendorp, advocaat te ‘s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 17 december 2008, ter uitvoering van het

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een

persoon genaamd [A] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan

niet na rustig overleg en kalm beraad met een bestelbus, althans een Ford

Transit Connect, met het kenteken [kenteken], met hoge snelheid is ingereden op

die [A], althans met die bestelbus met hoge snelheid in de richting van

die [A] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A],

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

met een bestelbus, althans een Ford Transit Connect, kenteken [kenteken], met

hoge snelheid is ingereden op die [A], althans met hoge snelheid is

gereden in de richting van die [A], terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage [A] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend

- met een bestelbus, althans een Ford Transit Connect, kenteken [kenteken] met

hoge, althans aanmerkelijke snelheid over de Meppelweg gereden en/of

- met die bestelbus/Ford Transit aldus af/ingereden op een opvallend

politievoertuig waarin die [A] zich bevond en/of

- waardoor die [A] zich genoodzaakt zag dat politievoertuig te verlaten

en/of

- heeft hij, verdachte, (vervolgens) met die bestelbus/Ford Transit, zijn

(rij)baan en/of (rij)strook verlaten en/of

- is hij, verdachte, vervolgens met die bestelbus/Ford Transit met

onverminderde snelheid gereden in de richting van die [A];

meest subsidiair indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage als bestuurder van een

voertuig (auto), daarmee rijdende op de hierna genoemde weg de Meppelweg, als

volgt heeft gehandeld:

- hij verdachte, heeft met hoge, althans aanmerkelijke snelheid over de

Meppelweg gereden en/of

- hij verdachte heeft toen die Meppelweg voor hem en/of zijn voertuig gestremd

werd door een politievoertuig zijn voertuig naar links gestuurd en/of

- hij verdachte is (vervolgens) naar het midden/de middenberm, althans de

tramstrook van de Meppelweg gereden en/of

- hij verdachte heeft daarbij een politieagent, te weten: [A], die

aldaar in het midden van / op de Meppelweg/ die middenberm, althans op die

tramstrook rende, althans liep, in ieder geval daar stond, voor zijn auto

weg/op gejaagd/doen vluchten en/of

- hij verdachte heeft (vervolgens) zijn weg vervolgd door op de

tegenoverliggende rijbaan van de Meppelweg te gaan rijden en/of tegen de

verkeersrichting in te gaan rijden en/of

- hij verdachte heeft (daarbij) met gedoofde lichten gereden, althans zijn

lichten gedoofd , door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

A. [B]:

hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 17 december 2008, ter uitvoering van het

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

[B], senior brigadier van politie van het leven te beroven, opzettelijk en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg met een bestelbus, althans een Ford Transit Connect,

kenteken [kenteken] met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid is ingereden op

het (stilstaande) politievoertuig waarin die [B] zich

bevond en/of met onverminderde snelheid tegen de zijkant van dat

politievoertuig is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd

[B], senior brigadier van politie Haaglanden opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten: bewegingsbeperking

aan de pols), heeft toegebracht door opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en

rustig overleg met een

bestelbus, althans een Ford Transit Connect, kenteken [kenteken] met hoge, althans

aanmerkelijke, snelheid in te rijden op het (stilstaande) politievoertuig waarin die

[B] zich bevond en/of met onverminderde snelheid tegen de zijkant van dat

politievoertuig te botsen;

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 303 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om [B], senior brigadier

van politie Haaglanden, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en

rustig overleg met een bestelbus, althans een

Ford Transit Connect, kenteken [kenteken] met hoge, althans aanmerkelijke,

snelheid is ingereden op het (stilstaande) politievoertuig waarin die

[B] zich bevond en/of met onverminderde snelheid tegen de

zijkant van dat politievoertuig is gebotst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

B. [C]

hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 17 december 2008, ter uitvoering van het

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [C],

adspirant van politie van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad

en rustig overleg met een bestelbus, althans een Ford Transit Connect,

kenteken [kenteken] met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid is ingereden op

het (stilstaande) politievoertuig waarin die [C] zich

bevond en/of met onverminderde snelheid tegen de zijkant van dat

politievoertuig is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 17 december 2008, ter uitvoering van het

voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade

[C], adspirant van politie zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

met een een bestelbus, althans een Ford Transit Connect,

kenteken [kenteken] met hoge, althans aanmerkelijke, snelheid is ingereden op

het (stilstaande) politievoertuig waarin die [C] zich

bevond en/of met onverminderde snelheid tegen de zijkant van dat

politievoertuig is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Ter berechting gevoegd: 935918-08

hij op of omstreeks 17 december 2008 te 's-Gravenhage als degene tegen wie

verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (auto) te hebben

gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het

vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid

van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij

de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het

verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan

een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij

regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich

aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft

verleend;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

4.

Ter berechting gevoegd: 530397-08

hij op of omstreeks 22 augustus 2003 te Voorschoten met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand, gelegen op of aan de [adres]

heeft weggenomen een kassalade, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan Wijnhandel De Gouden Leeuw, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik te hebben gebracht door een of meer schuifdeur(en) van dat pand open te

schuiven en/of een of meer ramen van een of meer toegangsdeur(en) van dat pand

in te slaan/gooien, althans te verbreken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 22 augustus

2003 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een auto (grijze Opel Kadett, voorzien van

kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 22 augustus

2003 te Rotterdam en/of Leiden, in elk geval in Nederland, een auto (grijze

Opel Kadett, voorzien van kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die auto wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 22 augustus 2003 te Leiden met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (blauwe Opel Kadett,

voorzien van kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [E], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

7.

hij in of omstreeks de periode van 20 april 2005 tot en met 21 april 2005 te

Den Haag met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

bestelbus/auto (witte Huyndai H100, voorzien van kenteken [kenteken]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [F],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

8.

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2005 tot en met 8 juni 2005 te Den

Haag met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

bestelbus/auto (witte Ford Transit, voorzien van kenteken [kenteken]), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [G], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting met betrekking tot de feiten 1 en 2 de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, nu naar zijn mening zijn cliënt door de onrechtmatige handelwijze van de politie de aanrijdingen heeft veroorzaakt. De raadsman heeft aangevoerd dat de politie in strijd met de “Brancherichtlijnen optische en geluidssignalen politie” zonder dringende noodzaak optische en geluidssignalen heeft gevoerd en zijn cliënt met hoge snelheid heeft achtervolgd, waardoor de politie het verkeer onnodig in gevaar heeft gebracht.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De raadsman heeft geen enkel argument aangedragen voor zijn conclusie dat, indien al kan worden aangenomen dat de politie in strijd heeft gehandeld met de aanwijzingen van de “Brancherichtlijnen optische en geluidssignalen politie”, dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het trekken van zodanige conclusie.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 (het inrijden op verbalisant [A]) geconcludeerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde (de poging tot doodslag) en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde (de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel). Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank bewezen zal verklaren de poging tot doodslag op verbalisant [B] (het primair ten laste gelegde) en de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op verbalisant [C] (het subsidiair ten laste gelegde). Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 en 8.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde bepleit, nu naar zijn mening zijn cliënt niet het opzet had om aangever [B] en/of aangever [C] aan te rijden.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. (1)

Op 17 december 2008, omstreeks 4.35 uur, werd verdachte als bestuurder van een witte bestelbus, merk Ford Transit, op de Ouverturestraat te ‘s-Gravenhage staande gehouden door de verbalisanten [H] en [I], omdat zij hadden gezien dat hij met hoge snelheid en slingerend over de weg reed. Toen verbalisant [H] verdachte aansprak met “Goedemorgen”, gaf hij hem direct zijn rijbewijs. Nadat ook verbalisant [I] naar het voertuig van verdachte kwam lopen, reed verdachte met slippende banden weg. De verbalisanten gaven direct aan de meldkamer door dat verdachte zich had onttrokken aan zijn staande houding. Vervolgens zetten de verbalisanten de achtervolging in. Verbalisant [H] zag dat de snelheid opliep tot boven de 100 kilometer per uur en dat verdachte de lichten van zijn bestelbus had gedoofd. Voorts zag hij dat verdachte richting de Meppelweg reed. Meerdere surveillance-eenheden werden gekoppeld om uit te kijken naar het voertuig van verdachte. De verbalisanten zijn vervolgens op de Meppelweg ter hoogte van de Bouwlustlaan het voertuig van verdachte kwijtgeraakt.(2)

Feit 1:

Verbalisanten [J] en [A] kregen ook de melding dat verbalisanten [H] en [I] achter de bestelbus van verdachte aanreden. Zij begaven zich in de richting van de kruising Dedemvaartseweg/Meppelweg. De zwaailichten van hun politievoertuig waren aangezet. De Meppelweg bestaat uit twee rijbanen met elk twee rijstroken. De rijbanen worden voor de kruising gescheiden door een verhoogde trambaan.

De verbalisanten zagen, zoals gerelateerd in hun proces-verbaal van bevindingen, verdachte in zijn witte bestelbus op de Meppelweg, komende uit de richting van de Lozerlaan, in hun richting komen rijden. Verbalisant [J] plaatste zijn politievoertuig haaks op de kruising Meppelweg/Dedemvaartseweg. De verbalisanten verlieten vervolgens hun voertuig. Verbalisant [J] nam positie in op het trottoir van de Meppelweg, verbalisant [A] op de trambaan. De verbalisanten hebben verklaard dat zij zagen dat de witte bestelbus langs het surveillancevoertuig reed. Beide verbalisanten zagen dat de bestelbus in de richting van verbalisant [A] reed zonder zijn snelheid te verminderen. Verbalisant [A] sprintte enkele tientallen meters weg richting de Lozerlaan om te voorkomen dat de witte bestelbus haar aan zou rijden. Ook verbalisant [J] zag dat zijn collega weg rende. Ook zag hij dat de witte bestelbus vervolgens over de plaats reed waar verbalisant [A] enkele ogenblikken daarvoor stond. De verbalisanten zagen dat de witte bestelbus vervolgens tegen het verkeer in over de Meppelweg reed in de richting van het Almeloplein. Direct zijn de verbalisanten in hun surveillancevoertuig ingestapt om de achtervolging in te zetten. Zij volgden de witte bestelbus op een afstand van ongeveer 100 meter. Op bepaalde momenten lagen de snelheden hoger dan 100 kilometer per uur. Op de Soestdijksekade raakten de verbalisanten het voertuig uit het zicht.(3)

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de Meppelweg reed en dat hij een politieauto zag. Hij is vervolgens naar links gereden, tegen het verkeer in. Hij heeft daar echter niet een agent zien staan.(4) Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen agenten heeft gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij op de kruising zijn lichten had uitgedaan en dat hij goed had gekeken voordat hij de trambaan opreed. (5)

De verbalisanten [J] en [A] zijn bij de rechter-commissaris als getuigen gehoord. Verbalisant [J] heeft verklaard dat de verlichting op het kruispunt niet opperbest was. Het was daar schemerig en je zag alleen contouren. Toen hij nog in zijn auto zat en in de richting van de Lozerlaan keek, leek het net een zwart gat. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet meer 100% weet of de auto van verdachte daadwerkelijk over de plek is gereden waar zijn collega [A] stond.(6)

Verbalisant [A] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte zijn auto naar haar toe stuurde en dat de auto van verdachte recht op haar af kwam. Vervolgens is zij gaan rennen. Voorts heeft zij verklaard dat zij en haar collega hadden besloten om uit de auto te stappen, toen de auto van verdachte ongeveer 40 meter van hen af was. (7)

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Zij gaat er van uit dat verdachte de agent [A] niet heeft gezien, omdat hij op een zodanige wijze reed dat hij zichzelf de kans ontnam om te kijken: hij reed te hard, hij reed soms zonder verlichting en hij reed met hoge snelheid het kruispunt op. Volgens haar moest verdachte er echter wel op bedacht zijn dat juist daar een politieagent zou staan. Hij wist immers dat de politie hem wilde aanhouden en zag dat op het kruispunt een politieauto stond om hem tegen te houden. Ook moet hij hebben geweten dat de agenten dit voertuig hadden verlaten om hem aan te houden. Verdachte moet dus ook geweten hebben dat hij een agent zou kunnen scheppen of raken indien hij met hoge snelheid om die politieauto zou heen rijden. Deze niet denkbeeldige kans heeft verdachte voor lief genomen. De officier van justitie heeft hierbij nog aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat agenten in de nabijheid zijn van een politieauto als deze een weg blokkeert. Door zijn bestelbus niet tot stilstand te brengen, maar met onverminderd hoge snelheid om die politieauto te rijden, heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op verbalisant [A].

De rechtbank komt tot het oordeel dat niet vast staat dat verdachte verbalisant [A] op de kruising heeft zien staan toen hij in zijn bestelbus aan kwam rijden. De omstandigheden ter plaatse – de rechtbank verwijst met name naar de verklaring van verbalisant [J] bij de rechter-commissaris – waren die avond niet optimaal. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet onaannemelijk dat hij verbalisant [A] niet op de kruising heeft zien staan.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, evenmin grond om aan te nemen dat verdachte ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat een agent zou staan op dat deel van de kruising waarover hij reed. Verdachte kon niet waarnemen of de agenten al dan niet in hun voertuig aanwezig waren. En, indien verdachte er al rekening mee moest houden dat de agenten uit de auto waren gestapt, hoefde hij er niet van uit te gaan dat zij (of één van hen) zich in de nabijheid van de door hen verlaten auto op de rijbaan zou(den) bevinden. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het arrest van de Hoge Raad waarop de officier van justitie zich ter onderbouwing van haar standpunt heeft beroepen (LJN BB7075) ziet op een casus die geheel anders is dan de onderhavige. In die casus immers was de verdachte in een personenauto met hoge snelheid van achteren op een andere auto ingereden terwijl voor hem kenbaar moet zijn geweest dat het linkerachterportier open stond en zich direct om die auto heen mensen bevonden. In de onderhavige zaak is verdachte juist om de auto die hem de normale doorgang belemmerde heen gereden teneinde te ontvluchten.

Op grond hiervan acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had om verbalisant [A] aan te rijden (met het risico haar te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen) of te bedreigen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Uit de voorgaande bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte extreem gevaarlijk heeft gereden. De rechtbank zal derhalve het onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Feit 2

Ook de verbalisanten [B] en [C] hoorden de melding dat de bestuurder van een witte bestelbus zich aan zijn staande houding had onttrokken. Zij begaven zich direct in de richting waarheen de bestuurder reed. Verbalisant [C] bestuurde het voertuig en verbalisant [B] zat op de bijrijdersplaats. Op een gegeven moment bevonden de verbalisanten zich op de zogenoemde “Zevensprong”, op de kruising Loosduinsekade met de Paul Krugerlaan. De verbalisanten hoorden van de meldkamer dat de verdachte via de Loosduinseweg in de richting van het Capitol reed. De verbalisanten zagen twee surveillance eenheden met hun voertuigen in de richting van de naderende verdachte staan om hem te doen stoppen. De verbalisanten zagen dat er tussen deze voertuigen (op de rijbaan van de Loosduinseweg) nog een opening was waar de verdachte door zou kunnen rijden. Terwijl de verbalisanten deze opening wilden afsluiten met hun voertuig, hoorden en zagen zij dat de verdachte via het fietspad gelegen naast de rijbaan met hoge snelheid zijn weg vervolgde. Teneinde de bestuurder te doen stoppen, heeft verbalisant [C] het surveillancevoertuig voor het fietspad geplaatst. De zwaailichten van het voertuig waren aangezet. De verbalisanten zagen vervolgens dat verdachte met onverminderde snelheid op hen kwam inrijden. Zij konden niet wegkomen en voelden een harde klap.(8) De bestelauto van verdachte botste met de voorzijde tegen de rechterflank van het politievoertuig. Volgens het proces-verbaal Verkeersongevals Analyse lag de botssnelheid tussen de 35 en 50 kilometer per uur.(9)

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de Loosduinsekade een blokkade van politieauto’s zag staan. Hij zag een gat bij het fietspad waar hij doorheen kon rijden. Verdachte reed vervolgens over het fietspad en zag dat een politieauto de doorgang ging blokkeren. De afstand was toen zo kort dat hij niet meer kon remmen. Vervolgens is hij tegen die auto gebotst.(10)

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de blokkade van de politieauto zag en vervolgens zijn snelheid minderde en het fietspad opreed omdat hij dacht op deze wijze te kunnen vluchten. Plotseling zag hij dat er een politieauto het fietspad opreed. (11)

De verbalisanten [B] en [C] zijn bij de rechter-commissaris als getuige gehoord.

Verbalisant [B] heeft verklaard dat hij zag dat de auto van verdachte 50 meter voor de kruising van de Paul Krugerlaan het fietspad opreed. Hij heeft vervolgens tegen zijn collega [C] gezegd dat hij het fietspad moest blokkeren. Toen hebben zij het fietspad geblokkeerd en botste de auto van verdachte tegen hun auto aan. Verbalisant [B] heeft ook aangegeven dat de afstand vanaf de fietspad waar verdachte erop reed en de plaats waar zij stonden, niet ver was, aangezien zij niet de kans hadden gekregen om uit te stappen.(12)

Verbalisant [C] heeft verklaard dat hij 2 of 3 seconden voor de aanrijding pas de auto van verdachte zag en dat hij geen tijd meer had om uit te stappen.(13)

De officier van justitie acht het onder 2 A primair en onder 2 B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Volgens de officier van justitie had verdachte het opzet om het politievoertuig te rammen. Door niet te stoppen, terwijl hij wist dat er een blokkade van politievoertuigen was, nam hij voor lief dat hij dodelijk of zwaar letsel zou toebrengen aan de inzittenden van een politievoertuig.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had, ook niet in de voorwaardelijke zin, om verbalisant [B] of verbalisant [C] te doden of zwaar letsel toe te brengen. Uit het relaas en uit de verklaring bij de rechter-commissaris van de twee verbalisanten leidt de rechtbank af dat verbalisant [C] met zijn politievoertuig naar de opening in de blokkade bij het fietspad is opgereden, toen verdachte al zeer dichtbij het politievoertuig was. De agenten hadden geen tijd meer om uit te stappen, hetgeen strookt met de verklaring van verdachte dat het politievoertuig plotseling het gat op het fietspad dicht reed. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verdachte met zijn bestelbus het fietspad op reed, omdat hij op deze wijze de blokkade wilde omzeilen. Verdachte had de blokkade op de kruising gezien en verkeerde in de veronderstelling dat hij via het fietspad aan zijn achtervolgers kon ontsnappen. Verdachte heeft dus niet willens en wetens de kans op een aanrijding voor lief genomen. Hij ging er immers juist van uit dat hij ongehinderd zijn vlucht zou kunnen vervolgen.

Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het inrijden op de auto waarin [B] en [C] zaten en dus ook niet op het doden van de inzittenden of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan hen. Uiteraard kan het rijgedrag van verdachte wel als roekeloos worden aangemerkt. Dit is hier echter – anders dan bij feit 2 - niet als meest subsidiaire variant ten laste gelegd. Dit betekent dat ten aanzien van dit feit algehele vrijspraak moet volgen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Proces-verbaal, nummer PL1532/2008/66409

- Proces-verbaal van bloedonderzoek, PL1532/2008/65980

- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ten aanzien van de feiten 4 tot en met 8 (14)

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Proces-verbaal van aangifte blz. 48 en 49

- Proces-verbaal van bevindingen blz. 51

- Proces-verbaal van technisch sporenonderzoek aan motorvoertuig, blz. 17 en 18

- Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 20 maart 2008, blz. 28

- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ten aanzien van feit 5

In de periode van 20 augustus 2003 tot en met 22 augustus 2003 werd een grijze Opel Kadett met het kenteken [kenteken], toebehorende aan [D], in Rotterdam weggenomen.(15)

Op 22 augustus 2003, omstreeks 21.18 uur, werd bovengenoemde auto aangetroffen op het Professorenpad te Leiden. In de auto werden een zwarte kassalade en een witte cassettelade aangetroffen.(16)

Tijdens een technisch sporenonderzoek werd op de binnenspiegel van de auto een vingerspoor aangetroffen.(17)

Na onderzoek werd dit spoor geïdentificeerd als de rechterduim van verdachte. (18)

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij in die auto heeft gereden en dat hij wist dat deze auto gestolen was.(19)

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto heeft gestolen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 5 primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht, mede gelet op de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting, het onder 5 subsidiair ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 6

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Proces-verbaal van aangifte, blz. 80 en 81

- Proces-verbaal van technisch sporenonderzoek aan motorvoertuig, blz. 19 en 20

- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ten aanzien van feit 7

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Proces-verbaal van aangifte blz. 148 en 149

- Proces-verbaal van bevindingen, blz. 153 en 154

- Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 20 maart 2008, blz. 28

- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

Ten aanzien van feit 8

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- Proces-verbaal van aangifte blz. 173

- Proces-verbaal van bevindingen blz. 177

- Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 20 maart 2008, blz. 28

- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 17 december 2008 te 's-Gravenhage als bestuurder van een

voertuig (auto), daarmee rijdende op de Meppelweg, als

volgt heeft gehandeld:

- hij verdachte, heeft met hoge snelheid over de

Meppelweg gereden en

- hij, verdachte, heeft toen die Meppelweg voor hem en zijn voertuig gestremd

werd door een politievoertuig zijn voertuig naar links gestuurd en

- hij, verdachte, is vervolgens naar het midden van de Meppelweg gereden en

- hij, verdachte, heeft daarbij een politieagent, te weten: [A], die

aldaar in het midden van de Meppelweg stond doen vluchten en

- hij, verdachte, heeft vervolgens zijn weg vervolgd door op de

tegenoverliggende rijbaan van de Meppelweg te gaan rijden en tegen de

verkeersrichting in te gaan rijden en

- hij, verdachte, heeft daarbij met gedoofde lichten gereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt

3.

hij op 17 december 2008 te 's-Gravenhage als degene tegen wie

verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (auto) te hebben

gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het

vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid

van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij

de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het

verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan

een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie , zich

aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft

verleend;

4.

hij op 22 augustus 2003 te Voorschoten met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand, gelegen op of aan de [adres]

heeft weggenomen een kassalade toebehorende aan Wijnhandel De Gouden Leeuw, zulks na zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf te hebben verschaft enhet weg te nemen goed onder zijn

bereik te hebben gebracht door een of meer schuifdeur(en) van dat pand open te

schuiven en een raam van een toegangsdeur van dat pand

in te slaan

5.

hij in de periode van 20 augustus 2003 tot en met 22 augustus

2003 te Leiden een auto grijze

Opel Kadett, voorzien van kenteken [kenteken] voorhanden heeft

gehad, terwijl hij ten tijde van het

voorhanden krijgen van die auto wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof

6.

hij op 22 augustus 2003 te Leiden met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto blauwe Opel Kadett,

voorzien van kenteken [kenteken],

toebehorende aan [E]

7.

hij in de periode van 20 april 2005 tot en met 21 april 2005 te

Den Haag met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

bestelbus/auto witte Huyndai H100, voorzien van kenteken [kenteken], toebehorende aan [F]

8.

hij in de periode van 4 juni 2005 tot en met 8 juni 2005 te Den

Haag met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

bestelbus Ford Transit, voorzien van kenteken [kenteken], toebehorende aan [G]

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, zal opleggen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte ten aanzien van feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaren, ten aanzien van feit 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaren en ten aanzien van feit 3 een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden zal opleggen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de rechtbank aan zijn cliënt een gevangenisstraf zal opleggen gelijk aan de tijd die zijn cliënt al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, eventueel met een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden dat zijn cliënt zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in de periode van augustus 2003 tot juni 2005 schuldig gemaakt aan een inbraak in een pand, diefstal van diverse auto’s en opzetheling van een auto.

Dergelijke feiten veroorzaken in het algemeen bij de slachtoffers gevoelens van ergernis en onveiligheid. Verdachte heeft daarbij uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Verdachte heeft zich voorts op 17 december 2007 schuldig gemaakt aan bijzonder gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft met hoge snelheid, soms wel tot 100 kilometer per uur, binnen de bebouwde kom, gereden, waarbij hij ook heeft schuldig gemaakt aan spookrijden en heeft diverse andere verkeersregels overtreden. Verdachte probeerde met zijn onverantwoordelijke rijgedrag te ontkomen aan de politie. Een agente moest zelfs vluchten toen verdachte met hoge snelheid in haar richting aan kwam rijden. De dollemansrit eindigde toen verdachte met zijn bestelbus tegen een politieauto botste.

De rechtbank rekent verdachte zijn roekeloos gedrag zwaar aan. Verdachte heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Het mag een gelukkige omstandigheid worden genoemd dat er geen doden of ernstig gewonden zijn gevallen. De rechtbank zal derhalve voor deze overtreding aan verdachte de maximaal toegestane straf opleggen. Voorts zal de rechtbank aan verdachte voor dit feit een ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur opleggen.

Ten slotte heeft verdachte, toen hij na deze dollemansrit door de politie is aangehouden, ook nog geweigerd zijn medewerking aan een bloedproef te verlenen. Ook hiervoor legt de rechtbank een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid op.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 22 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig veroordeeld is voor vermogensdelicten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een voorlichtingsrapport d.d. 26 mei 2009 van Palier, Forensische en Intensieve Zorg te Leiden, en een Pro Justitie Rapport d.d. 19 maart 2009 van dr. W.J.L. Lander, psycholoog.

Beide rapporteurs achten de kans op recidive hoog, gelet op deverslavingsproblematiek van verdachte in combinatie met ADHD, en adviseren de rechtbank om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met verplicht reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde, zodat verdachte behandeld kan worden voor zijn problemen.

De rechtbank acht net als de rapporteurs een behandeling voor verdachte noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen. Echter, nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de meest ernstige feiten op de dagvaarding, ziet de rechtbank, mede gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geen ruimte meer om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande ook een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank acht na te melden staf passend en geboden.

8. De voorlopige hechtenis

Verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis omdat ernstige bezwaren zijn aangenomen dat hij zich voor wat betreft de feiten 1 en 2 heeft schuldig gemaakt aan pogingen tot doodslag. Bij vonnis van heden wordt verdachte hiervan vrijgesproken. Het bevel tot gevangenhouding dient derhalve te worden opgeheven.

De rechtbank zal deze opheffing van het bevel tot gevangenhouding bij afzonderlijk geminuteerde beschikking bevelen.

9. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

9.1. De vordering van de officier van justitie

[A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 500,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 350,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring voor het overige (namelijk dat deel dat geen betrekking heeft op het bewezenverklaarde feit).

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

[B], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 750,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [B].

[C], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 750,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C].

[F], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.050,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.050,00, subsidiair 21 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F].

[K], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 202.500,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 2.500,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.500,00, subsidiair 35 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [K].

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niet-ontvankelijk verklaring bepleit van de benadeelde partijen [A], [K] en [F].

De raadsman heeft zich gerefereerd met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [B] en [C].

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [A]

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 300,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1. meest subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 300,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 17 december 2008 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de gestelde schade niet is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit, maar doordat verbalisant [J] bij de aanhouding van verdachte zijn surveillancevoertuig tegen de bestelbus heeft gereden om te voorkomen dat verdachte kon vluchten en waarbij [A] gewond is geraakt.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1. meest subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

De vordering van de benadeelde partij [B].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [C].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [F].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [K].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, te meer nu uit het dossier blijkt dat de politie kort na de diefstal de auto van de benadeelde partij aan hem heeft teruggegeven.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

10. De inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, te weten [naam] B.V. te Utrecht gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.

11. De vordering tenuitvoerlegging

11.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 19 september 2007 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, nu uit een rapport van Palier te Leiden d.d. 16 december 2008 blijkt dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de hem door voornoemde politierechter opgelegde bijzondere voorwaarde.

11.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging.

11.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 15 januari 2009 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 19 september 2007, nu uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het rapport van Palier te Leiden d.d. 16 december 2008 is gebleken dat verdachte de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

12. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14g, 24c, 36f, 57, 62, 63, 310, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 8, 163, 176, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 onder A (eerste cumulatief/alternatief) primair, subsidiair en meer subsidiair, 2 onder B (tweede cumulatief/alternatief) primair en subsidiair en onder 5 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 meest subsidiair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 en 8 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1 meest subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 163, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

Ten aanzien van feit 5 subsidiair:

Opzetheling

Ten aanzien van feit 6, 7 en 8:

Diefstal, meermalen gepleegd

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

Ten aanzien van feit 1 meest subsidiair

Hechtenis voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

Ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 en 8

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 17 december 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 19 december 2008,

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 3 voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart de benadeelde partijen [B], [C], [F] en [K] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen de vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil;

gelast de teruggave aan [naam] B.V. te Utrecht van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 19 september 2007, gewezen onder parketnummer 09/535667-07, te weten gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) WEKEN.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. R. Elkerbout, voorzitter,

B. Bastein en C. de Kimpe, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1532/2008/65980

2 Proces-verbaal van bevindingen blz.33 en 34

3 Proces-verbaal van bevindingen blz. 37 en 28

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte blz. 42

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting

6 Proces-verbaal verhoor van getuige [J], ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier

7 Proces-verbaal verhoor van getuige [A], ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier

8 Proces-verbaal van bevindingen blz. 45

9 Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse blz. 12

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte blz. 64 en 65

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting

12 Proces-verbaal verhoor van getuige [B], ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier

13 Proces-verbaal verhoor van getuige [C], ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1645/08-004619

15 Proces-verbaal van aangifte, blz. 126 en 127

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 51

17 Proces-verbaal van technisch sporenonderzoek aan motorvoertuig, blz. 17 en 18

18 Een geschrift, te weten een brief van [L], senior adviseur dactyloscopie bij de KLPD, d.d. 19 januari 2007, blz. 21

19 Verklaring verdachte ter terechtzitting