Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1412

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
316033 - HA ZA 08-2392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veel verbintenisrechtelijke geschillen en forse geldvorderingen over en weer na wegens wanbetaling ontbonden koopovereenkomst van landgoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 316033 / HA ZA 08-2392

Vonnis van 1 juli 2009

in de zaak van

1. de heer [A],

wonende te [woonplaats],

oorspronkelijke eiser in conventie, verweerder in reconventie,

toevoeging nr. [nummer] / [datum],

advocaat: eerst mr. A. Groenewoud, nu mr. A.M. Dumoulin-Siemens,

2. de stichting STICHTING INCASSO VORDERING [B],

gevestigd te Den Haag,

opvolgend eiser in conventie ex artt. 225-227 Rv,

advocaat : mr. A.M. Dumoulin-Siemens,

tegen

de heer [B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat : eerst mr. J.A. Huijgen, nu mr. J. Weermeijer.

De rechtbank zal de procespartijen in deze zaak over kort gezegd een wegens wanbetaling ontbonden koopovereenkomst m.b.t. landgoed [naam] te [woonplaats] hierna aanduiden als [A], de Stichting Incasso en [B].

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 juli 2008, met 5 producties van mr. Groenewoud;

- de akte uitlating domiciliekeuze van 13 augustus 2008 van mr. Groenewoud;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 24 september 2008, met 10 producties van mr. Huijgen;

- het tussenvonnis van 8 oktober 2008 en de beschikking van 17 november 2008 van de rechtbank, waarbij een comparitie van partijen is gelast en bepaald;

- het instructieformulier van 30 januari 2009 en de beschikking van 24 februari 2009 van de comparitierechter;

- de bij brief van 24 februari 2009 ingezonden akte vermeerdering van eis in reconventie met producties nrs. 11 en 12 van mr. Weermeijer;

- de bij brief van 2 maart 2009 ingezonden akte met toelichting en met producties nrs. 13 t/m 24 van mr. Weermeijer;

- de akte van depot van 3 maart 2009 met de door mr. Weermeijer gedeponeerde verkoopbrochure van land[naam] te [woonplaats];

- de bij brief van 3 maart 2009 ingezonden akte vermeerdering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie met de extra producties nrs. 1 t/m 11 van mr. Dumoulin;

- de bij (fax)brief van 12 maart 2009 ingezonden antwoordakte van mr. Weermeijer;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 maart 2009;

- de (fax)brief van 3 april 2009 van mr. Dumoulin;

- de (fax)brief van 3 april 2009 van mr. Weermeijer, met 2 extra producties;

- de (fax)brief van 6 april 2009 van mr. Dumoulin.

1.2 Uiteindelijk is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij in augustus 2006 ondertekende kopovereenkomst heeft koper [A] voor een koopprijs van € 4.225.000,- (plus kosten koper) van verkoper [B] gekocht het centrale deel van landgoed [naam] aan [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als [perceel] van circa 26.255 m², dit ten behoeve van de voorgenomen herbouw door [A] op dat centrale deel van het landgoed van een landhuis met een bovengronds bouwvolume van maximaal 3.000 m³ met tennisbaan en zwembad. Volgens die koopovereenkomst zou verkoper [B] eigenaar blijven van de voor en achter gelegen [percelen] van landgoed [naam], waarbij [B] van plan was om op het achtergelegen [perceel] van circa 14.050 m² een landhuis te doen herbouwen met een bovengronds bouwvolume van maximaal 1.000 m³.

2.2 Volgens de door notaris De Bruijn opgestelde (ver)koopovereenkomst moest de levering plaatsvinden uiterlijk 15 februari 2007 en moest [A] kort gezegd uiterlijk 15 oktober 2006 een aanbetaling hebben gedaan aan [B] van in totaal € 2.000.000,-. Het overeengekomen restant van de koopprijs van (€ 4.225.000,- minus € 2.000.000,- =) € 2.225.000,- moest [A] bij levering via notaris De Bruijn aan [B] betalen. De koopovereenkomst bevat verder onder meer specifieke bepalingen over de nieuwbouwplannen van beiden en de daartoe door [B] nader te regelen gemeentelijke vergunningen, en kent ook de volgende contractsbepaling:

18. ingebrekestelling/verzuim/ontbinding/boete

18.1 Bij niet of niet tijdige nakoming van de overeenkomst anders dan door niet toerekenbare tekortkoming (overmacht) is de nalatige partij aansprakelijk voor alle daaruit voor de wederpartij ontstane schade met kosten en rente, ongeacht het feit of de nalatige in verzuim is in de zin van het volgende lid.

18.2 Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van haar verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:

a. uitvoering van de overeenkomst te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie promille van de koopprijs; of

b. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs.

18.3 Betaalde of verschuldigde boete strekt in mindering op eventueel verschuldigde schadevergoeding met rente en kosten.

18.4 Eventueel over de boete verschuldigde omzetbelasting is daarin begrepen.

2.3 [A] heeft per 15 november 2006 in meerdere termijnen en deels via buitenlandse vennootschappen aan [B] feitelijk € 2.040.000,- aanbetaald op de koopprijs. [A] en [B] hebben eind januari 2007 in vriendschappelijk overleg besloten om de overeengekomen leveringsdatum en betaaldatum van de restant kooprijs van 15 februari 2007 enige tijd uit te stellen, onder meer omdat [A] in een echtscheidingsprocedure verwikkeld was geraakt. In dat licht spraken [A] en [B] in de eerste helft van 2007 ook af dat [A] wegens de uitgestelde levering aan [B] na 15 februari 2007 rente en kosten zou gaan vergoeden, maar ook dat in aanvulling op de koopovereenkomst het maximale bouwvolume voor [A] zou worden uitgebreid van 3.000 m³ naar 3.850 m³.

2.4 Voor die vergroting van zijn bouwvolume heeft [A] begin juli 2007 in twee termijnen de daarvoor overeengekomen vergoeding (extra koopprijs) van € 425.000,- aan [B] betaald. Voor de overeengekomen vergoeding van rente en kosten (misgelopen rente restant koopsom, doorbetaalde hypotheekrente, groenonderhoud, architecten, gemeentelijke WOZ-belasting, koopovereenkomst notaris De Bruijn) tot de uitgestelde leveringsdatum heeft [A] van maart 2007 t/m oktober 2007 in totaal nog eens € 137.730,- aan [B] betaald. Zowel [A] als [B] gingen in die periode in 2007 nog steeds uit van nakoming van de koopovereenkomst, met uitgestelde afname en eindbetaling door [A], en daarna herbouw en herinrichting van het landgoed.

2.5 [A] was bij het sluiten van de koopovereenkomst in augustus 2006 nog in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [C]. Hun echtscheiding (zie rov. 2.3) is ingeschreven in de daartoe bestemde registers op 11 november 2007. Per die datum is hun huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden.

2.6 Begin december 2007 gaf [A] aan [B] mondeling te kennen dat [A] wegens zijn financiële problemen de koopovereenkomst niet meer zou kunnen nakomen. [B] heeft toen zijn eerste advocaat mr. Huijgen ingeschakeld, en [A] daarna zijn eerste advocaat mr. Groenewoud.

2.7 Bij deurwaardersexploot van 3 januari 2008 heeft mr. Huijgen namens [B] aan [A] een brief van 2 januari 2008 doen betekenen, waarbij hij kort gezegd [A] in gebreke stelt en sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door alsnog de resterende koopsom te voldoen en [perceel] af te nemen ten overstaan van notaris De Bruijn. Ook wijst hij [A] op de volgens artikel 18 van de koopovereenkomst na die acht dagen door [A] aan [B] verschuldigde contractuele boetes plus de eventuele schade van [B] voorzover die zou uitstijgen boven het bedrag van beide boeteregelingen.

2.8 In e-mails van februari 2008 en later mei 2008 dringt [A] bij [B] aan op terugbetaling van de voor landgoed [naam] aanbetaalde som van (volgens [A] dan) € 2.425.000,-, of een andere onderlinge regeling. [B] reageert daar niet op.

2.9 Bij fax van 29 april 2008 aan mr. Huijgen reageert mr. Groenewoud namens [A] onder meer formeel op de sommatie van 2 januari 2008 en doet zij een schikkingsvoorstel. Ook verzoekt mr. Groenewoud mr. Huijgen om binnen 10 dagen “een keuze te maken welke van de hem ter beschikking staande middelen” [B] jegens [A] zou willen uitoefenen indien [A] in verzuim zou zijn, welk verzuim overigens door mr. Groenewoud wordt betwist omdat [B] volgens haar eerder in verzuim zou zijn geraakt in verband met de door [B] contractueel te regelen bouwvergunningen.

2.10 Bij fax van 15 mei 2008 aan mr. Groenewoud reageert mr. Huijgen. Hij wijst op de na sommatie per 11 januari 2008 volgens art. 18 van de koopovereenkomst door [A] verschuldigde boete van 3 promille van de koopprijs die op dat moment al € 1.597.050,- zou bedragen, en behoudt zich namens [B] ook het recht voor om daarenboven en daarna alsnog tot ontbinding over te gaan en aanspraak te maken op de daarop gestelde boete van 10% van de koopprijs, welke beide boetes op dat moment volgens hem in totaal al meer dan € 2.000.000,- bedragen. Het eerder in verzuim zijn van [B] in verband met de bouwvergunningen wordt betwist en er wordt een ander schikkingsvoorstel gedaan.

2.11 Bij (fax)brief van 16 juni 2008 schrijft mr. Huijgen aan mr. Groenewoud onder meer dat hij nog steeds geen enkele reactie heeft ontvangen op het laatste voorstel, dat [B] de koopovereenkomst wegens wanprestatie en verzuim van [A] ontbindt, en dat [B] hetgeen [A] als aanbetaling heeft voldaan verrekent met de door [A] aan [B] volgens de koopovereenkomst verschuldigde boetes.

2.12 Vervolgens doet mr. Groenewoud namens de ontbonden huwelijksgemeenschap van [A] en zijn ex-echtgenote [C] na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter op 4 juli 2008 conservatoire beslagen leggen op (kort gezegd) de onroerende zaken van [B] aan de [adres] te [woonplaats] én op de door [D] aan [B] verleende opstalrechten aan de [adres] te [woonplaats]. Vervolgens vordert mr. Groenewoud bij dagvaarding van 14 juli 2008 namens [A] (maar ten behoeve van de ontbonden huwelijksgemeenschap van [A] en [C]) terugbetaling door [B] van primair de aanbetaling van € 2.562.000,- op de ontbonden koopovereenkomst, met rente en kosten. Subsidiair vordert mr. Groenewoud een bedrag van in hoofdsom € 2.139.500,-, dat is de volgens haar door [A] gedane aanbetaling van € 2.562.000,- minus de contractueel eventueel verschuldigde boete van hooguit € 422.500,- (10% van de koopprijs), ook met rente en kosten.

2.13 Bij conclusie van 24 september 2008 voert mr. Huijgen gemotiveerd verweer in conventie, doet hij onder meer een beroep op verrekening met de volgens hem verschuldigde beide contractuele boetes, en vordert hij in reconventie een verklaring voor recht dat [A] aan [B] een boete van 3 promille over € 4.225.000,- verschuldigd is van 10 januari t/m 16 juni 2008 plus de boete van 10% van € 4.225.000,-.

2.14 Op 5 oktober 2008 heeft [A] via notaris Feijen de Stichting Incasso opgericht, welke stichting formeel tot doel heeft de incasso en het beheer van de vordering van [A] en [C] op [B] tot terugbetaling van de aanbetaling op de onderhavige koopovereenkomst. Ook op 5 oktober 2008 is bij akte van notaris Feijen door [A] en [C] hun vordering op [B] gecedeerd aan die Stichting Incasso, welke cessie notaris Feijen bij e-mail van 5 oktober heeft meegedeeld aan [B].

2.15 Op 6 oktober 2008 heeft mr. Groenewoud na verlof van de voorzieningenrechter nog een conservatoir beslag doen leggen, ditmaal op perceel D [nummer] van [B] aan de [adres] te [woonplaats], dat is het centrale deel van landgoed [naam] dat [A] van [B] in augustus 2006 had gekocht (zie rov. 2.1).

2.16 In oktober 2008 kwamen partijen via hun toenmalige advocaten overeen dat [B] “onder voorbehoud van alle rechten” en ter opheffing van het voor hem problematische conservatoir beslag van [A] op zijn opstalrechten aan de [adres] te [woonplaats] (zie rov. 2.12) een bedrag van € 1.000.000,- zal terugbetalen aan [A] of de Stichting Incasso. Medio oktober 2008 heeft [B] ook daadwerkelijk deze € 1.000.000,- terugbetaald via de derdenrekening van mr. Huijgen op de derdenrekening van notaris Feijen, die dit bedrag heeft doorbetaald aan [A] of de Stichting Incasso, waarna het beslag op de opstalrechten aan de [adres] te [woonplaats] is opgeheven.

2.17 Inmiddels had de rechtbank in deze procedure bij tussenvonnis van 8 oktober 2008 een comparitie van partijen gelast, te houden op 18 maart 2009 (zie rov. 1.1). Beide kampen in dit conflict met een financieel belang van aan beide zijden ruim € 2 miljoen hebben in 2009 een nieuwe advocaat in de arm genomen: [A] en de Stichting Incasso mr. Dumoulin, en [B] mr. Weermeijer. Die advocaatwijziging aan beide zijden heeft onder meer geleid tot de navolgende ingrijpende wijzigingen van eis in conventie en in reconventie bij vooraf ingezonden akten ter comparitie. Ook heeft mr. Dumoulin bij deurwaardersexploot van 27 februari 2009 de cessie van de vordering aan de stichting Incasso nogmaals aan [B] doen betekenen, en heeft zij [B] daarbij ook de schorsing en de hervatting van de procedure op de voet van de wetsartikelen 225 en 227 Rv aangezegd.

3. De vorderingen

3.1 Na wijziging van eis en in het licht van de hiervoor onder 2 door de rechtbank vastgestelde feitelijke voorgeschiedenis vordert de Stichting Incasso in conventie bij akte ter comparitie van 18 maart 2009, sterk samengevat en naar de rechtbank begrijpt:

- veroordeling van [B] tot primair (terug)betaling aan de Stichting Incasso van het door [A] vooruitbetaalde deel van de koopprijs van € 2.465.000,- minus het door [B] in oktober 2008 al aan de Stichting Incasso terugbetaalde bedrag van

€ 1.000.000,-, dat is dus per saldo € 1.465.000,- met wettelijke rente vanaf 9 mei 2008 of 16 juni 2008, en subsidiair onder verrekening van de door [A] eventueel verschuldigde en door de rechtbank vast te stellen contractuele boete, met matiging van die eventueel volgens art. 18 van de koopovereenkomst verbeurde boete;

- veroordeling van [B] tot terugbetaling aan de Stichting Incasso van de door [A] in de loop van 2007 aan [B] betaalde bedragen aan rente en kosten van in totaal € 135.897,88, met rente vanaf 16 juni 2008;

- met proceskostenveroordeling van [B] en alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2 Na wijziging van eis en gezien die voorgeschiedenis vordert [B] in reconventie bij akte van 18 maart 2009, sterk samengevat en naar de rechtbank begrijpt:

- een verklaring voor recht dat [A] aan [B] vanaf 11 januari 2008 t/m 16 juni 2008 beide contractuele boetes verschuldigd is van in totaal € 2.412.475,-;

- na verrekeningen van diverse bedragen [A] te veroordelen tot betaling aan [B] van “het restantbedrag” van € 978.205,- aan verbeurde boetes, met wettelijke rente vanaf 18 maart 2009;

- [A] te veroordelen tot vergoeding van alle schade van [B] die het gevolg is van de wanprestatie van [A] onder de ontbonden koopovereenkomst, voorzover die schade uitkomt boven de betaalde of verschuldigde boete, die schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- opheffing van de (resterende) conservatoire beslagen van [A] op de percelen en registergoederen van [B] aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend [percelen] (landgoed [naam]);

- met proceskostenveroordeling van [A] en alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.3 Voor de weergave van de gedetailleerde wederzijdse stellingen en verweren aan beide zijden volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van alle gedingstukken met producties. Uiteindelijk bleek ook na de comparitie van partijen een minnelijke regeling niet mogelijk en is vonnis bepaald op heden.

4. De beoordeling

4.1 Naar het oordeel van de rechtbank ligt alles afwegende het juridisch gelijk in deze procedure grotendeels aan de zijde van [B]. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de navolgende rechtsoverwegingen.

4.2 De voorwaarde waaronder ter comparitie een vereenvoudiging van de procedure was overeengekomen (zie het proces-verbaal van comparitie) is niet vervuld. Daardoor is de

cessie van de vordering in conventie aan de Stichting Incasso een vaststaand feit gebleven.

4.3 Ook is er gelet op het bepaalde in art 6:15 BW wellicht reden om terug te komen op het ter comparitie uitgesproken voorlopig oordeel dat de ontbonden huwelijksgemeenschap van [A] en zijn ex-echtgenote contractspartij [B] in deze zaak niet regardeerde. In dat geval zou contractspartij [B] naar het oordeel van de rechtbank echter niet beperkt mogen worden in zijn eventuele rechten op verrekening van contractuele boetes jegens zijn contractspartij [A] door het enkele toevallige feit, dat de vordering van [A] tot terugbetaling van de aanbetalingen inmiddels in de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van [A] en zijn ex-echtgenote is gevallen. Indien hierdoor per 11 november 2007 een gemeenschappelijke vordering tot terugbetaling aan de zijde van [A] en zijn ex-echtgenote is ontstaan, moet de daar eventueel tegenoverstaande schuld tot betaling van contractuele boetes immers redelijkerwijs ook als een verrekenbare gemeenschappelijke schuld van [A] en zijn ex-echtgenote worden beschouwd.

Door de cessie aan de Stichting Incasso kan en moet de rechtbank deze voor civiele juristen interessante kwestie op het grensvlak tussen contractenrecht en huwelijksvermogensrecht buiten beoordeling laten. Hetzelfde geldt voor het beroep dat mr. Huijgen jegens [A] op art. 3:171 BW deed en de daaraan door hem in dit geval verbonden gevolgen.

4.4 Wel oordeelt de rechtbank dat [B] gelet op de wetsartikelen 6:130 en 6:145 BW in dit geval jegens de Stichting Incasso het totaalbedrag van de door [A] (en de zijnen) eventueel verschuldigde boetes mag verrekenen met de door [B] na de cessie aan de Stichting Incasso eventueel terug te betalen aanbetaling op de koopsom.

4.5 Mr. Weermeijer heeft nog betoogd dat de cessie aan de Stichting Incasso vernietigbaar is omdat dit een onverplichte rechtshandeling was waarvan [A] en zijn ex-echtgenote wisten of behoorden te weten dat daardoor één of meer schuldeisers (lees: [B]?) in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld. De rechtbank verwerpt dit beroep als zijnde onvoldoende concreet onderbouwd. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom [A] (mede namens zijn ex-echtgenote) zijn vordering op [B] in de gegeven omstandigheden niet zou mogen overdragen aan een derde en waarom daardoor verhaalsmogelijkheden (en zo ja, welke) van [B] in de concrete omstandigheden van dit geval zijn benadeeld of gefrustreerd.

4.6 In beginsel behoort [B] na en door de ontbinding van de koopovereenkomst per 16 juni 2008 door zijn eerste advocaat mr. Huijgen de door hem van of voor [A] in totaal ontvangen aanbetalingen op de koopprijs terug te betalen, nu door die ontbinding een verbintenis tot ongedaanmaking is ontstaan als bedoeld in art. 6:271 BW. Evenals beide partijen in hun processtukken beschouwt de rechtbank in de gegeven omstandigheden het door [A] in juli 2007 aan [B] voor het “extra bouwvolume” betaalde bedrag van € 425.000,- als een overeengekomen extra koopprijs, zodat de aanbetaling van [A] op de totale feitelijke koopprijs van € 4.650.000,- in totaal feitelijk € 2.465.000,- heeft bedragen. Deze door of via derden voor [A] aanbetaalde € 2.465.000,- behoort [B] na de cessie begin oktober 2008 in beginsel terug te betalen aan de Stichting Incasso, waarop feitelijk in mindering strekt het door [B] medio oktober 2008 “onder voorbehoud van alle rechten” al terugbetaalde bedrag van € 1.000.000,-, waardoor aan de Stichting Incasso in beginsel nog toekomt € 1.465.000,-.

4.7 Daarop mag [B] echter na de verrekeningsverklaring van mr. Huijgen van 16 juni 2008 en gelet op de wetsartikelen 6:130 en 6:145 BW (zie de voorgaande rovv. 4.3 en 4.4) nog het bedrag van de door [A] verbeurde contractuele boete of boetes van artikel 18 van de koopovereenkomst in mindering brengen. Partijen verschillen naar de kern genomen vooral van mening over de omvang van die verbeurde boete(s) en de interpretatie van het onduidelijke, op meerdere manieren uit te leggen artikel 18 lid 2 van de koopovereenkomst, d.w.z. “de al dan niet subsidiaire keus”.

4.8 Ter comparitie is desgevraagd gebleken dat [A] en [B] in 2006 door een makelaar bij elkaar zijn gebracht maar daarna in vriendschappelijke verstandhouding zelf de hoofdzaken van de koopovereenkomst hebben uitonderhandeld. Dat in een tijd dat het hen beiden financieel nog zeer goed ging en beiden vol optimisme waren over het toekomstig succes van de nog te (her)bouwen twee landhuizen op landgoed [naam]. Over in hun ogen details zoals tekst en strekking van artikel 18 hebben zij destijds zelf nooit onderhandeld en nooit nagedacht: (ook) die contractsbepaling is bedacht en opgesteld door notaris De Bruijn. Koper [A] was destijds naar de rechtbank begrijpt nog een financieel succesvol zakenman in [woonplaats buiten Nederland] in zogenaamde hedge funds. Van [B] is slechts bekend dat hij vermogend was en een groot deel van zijn tijd in [woonplaats buiten Nederland] verbleef. Voor beiden reiken de bomen inmiddels naar hun mededelingen ter comparitie niet meer tot aan de financiële hemel: [A] procedeert in deze zaak zelfs op een toevoeging.

4.9 Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 18 lid 2 van de koopovereenkomst – ook gelet op de hoedanigheid van partijen en op hetgeen zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten – in de gegeven feitelijke omstandigheden aldus uitgelegd worden, dat [B] jegens [A] na de wanprestatie van [A] per 15 februari 2007 aanspraak kon en kan maken op zowel de overeengekomen contractuele boete van 3 promille van de koopprijs in de verzuimperiode van 11 januari 2008 tot 16 juni 2008 én cumulatief op de contractuele boete van 10% over de koopprijs door de ontbinding per 16 juni 2008. Het stond [B] met andere woorden in de gegeven omstandigheden contractueel vrij eerst te kiezen voor nakoming op straffe van 3 promille per dag en daarna voor ontbinding op straffe van cumulatief eenmalig nog eens 10 procent. Met die ontbinding beperkte [B] feitelijk zelfs het verder oplopen van de contractuele boete van 3 promille per dag voor [A] wegens niet tijdige nakoming, welke boete in beginsel tot in het oneindige kan oplopen maar wel op enig moment haar begrenzing vindt door matiging op de voet van art. 6:94 BW. Aan deze uitleg van artikel 18 ten gunste van [B] doet onvoldoende af dat mr. Huijgen in zijn sommatiebrief van 2 januari 2008 aan [A] ongelukkigerwijs schrijft over een verschuldigde boete van drie promille “of” tien procent.

4.10 Partijen verschillen in de processtukken ook van mening over de vraag of [B] per 11 januari 2008 voldoende duidelijk heeft gekozen voor nakoming dan wel die keus in het midden heeft gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank moet de geproduceerde correspondentie van mr. Huijgen en mr. Groenewoud van januari 2008 t/m juni 2008 redelijkerwijs aldus uitgelegd worden, dat mr. Huijgen namens [B] wel degelijk voldoende duidelijk heeft gekozen voor nakoming en dus een boete van 3 promille per dag in de periode van 11 januari 2008 tot 16 juni 2008.

Mr. Dumoulin heeft overigens het beroep van mr. Groenewoud op art. 6:88 BW ingetrokken, zodat ook dat beroep én de daaraan door mr. Groenewoud verbonden creatieve gevolgen buiten beoordeling door de rechtbank moeten blijven. Voorzover nodig verwerpt de rechtbank wel het argument van mr. Dumoulin dat [B] in onderling overleg met [A] in februari 2008 of nadien een (bindende) toezegging tot terugbetaling had gedaan. Een dergelijke toezegging is door [B] ter comparitie en door mr. Weermeijer bij antwoordakte gemotiveerd betwist en kan ook onvoldoende worden afgeleid uit de in rov. 2.8 genoemde eenzijdige correspondentie per e-mail.

4.11 Vervolgens moet de rechtbank het geschilpunt beoordelen welk totaalbedrag aan contractuele boetes [A] in de gegeven omstandigheden door zijn wanprestatie heeft verbeurd. Anders dan beide partijen gaat de rechtbank daarbij gelet op rov. 4.6 uit van een totale nader overeengekomen koopprijs van € 4.650.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] gelet op de voorgaande uitleg van artikel 18 lid 2 (zie rovv. 4.9 en 4.10) en gelet op zijn verzuim met ingang van 11 januari 2008 tot 16 juni 2008 aan contractuele boetes verbeurd 157 dagen x € 13.950,- per dag (3 promille van € 4.650.000,-) = € 2.190.150,- plus door de voor [A] niet ongunstige keuze van [B] voor ontbinding per 16 juni 2008 (10 procent van € 4.650.000,- =) € 465.000,-, dat is cumulatief een contractueel verbeurde boete van in totaal € 2.655.150,-.

4.12 Nu deze door de notaris bedachte beide cumulatieve boeteregelingen blijkbaar vooral strekken tot schadevergoeding wegens wanbetaling, brengt een redelijke uitleg in de gegeven omstandigheden volgens de rechtbank met zich mee dat op deze in totaal contractueel verbeurde € 2.655.150,- in mindering strekt de door [A] in dit geval al aan [B] in totaal betaalde € 137.730,- voor rente en kosten (zie rov. 2.4), waarmee het restant van contractueel verbeurde boetes in beginsel uitkomt op € 2.517.420,-.

4.13 Anders dan mr. Dumoulin ziet de rechtbank overigens zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet in dat en waarom de nadere overeenkomst tussen [A] en [B] tot betaling van deze € 137.730,- door de ontbinding van de koopovereenkomst ook als ontbonden moet worden beschouwd. [A] en/of de Stichting Incasso hebben naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen recht op terugbetaling (ongedaanmaking) van deze

€ 137.730,- jegens [B], nog daargelaten dat mr. Dumoulin gelet op haar productie nr. 6 blijkbaar bij vergissing een bedrag van in totaal € 135.897,88 terugvordert.

4.14 Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval ook onvoldoende reden om deze zeer forse contractuele boete van in totaal € 2.655.150,- op de voet van artikel 6:94 BW te matigen, zoals door mr. Dumoulin is betoogd maar door mr. Weermeijer is bestreden. Uitgangspunt is immers dat overeenkomsten behoren te worden nagekomen en dat de rechter contractuele boetes naar de bedoeling van de wetgever slechts bij uitzondering en met terughoudendheid matigt indien “de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”. De redenen van [A]s wanprestatie en zijn huidige financiële moeilijkheden liggen jegens [B] in dit geval alle in de risicosfeer van [A], terwijl zijn hoedanigheid van voormalig financieel zakenman ook al geen aanleiding geeft om [A] door rechterlijke matiging ex art. 6:94 BW te beschermen tegen de gevolgen van de door hem bij volle verstand aangegane en ondertekende risicovolle overeenkomst met [B], waarin bijvoorbeeld niet de in de praktijk gebruikelijke ontbindende voorwaarden waren opgenomen voor het geval koper [A] de financiering niet rond zou krijgen.

4.15 Daar komt bij dat deze contractuele boetes zoals gezegd blijkbaar strekken tot schadevergoeding wegens wanprestatie, en dat die concrete schade met rente en kosten voor [B] naar het oordeel van de rechtbank naar het zich laat aanzien zeer aanzienlijk zal zijn. Ter comparitie in maart 2009 had [B] ondanks al zijn verkooppogingen en zijn fraaie gedeponeerde verkoopbrochure immers nog geen enkele geïnteresseerde potentiële koper voor landgoed [naam] gevonden. In de huidige sombere marktomstandigheden is ook niet te verwachten dat [B] er in de nabije toekomst nog in zal slagen om ook maar bij benadering de met [A] overeengekomen hoofdprijs van in totaal € 4.650.000,- voor perceel D [nummer] (welbeschouwd slechts een fraai gelegen bouwkavel) van een andere koper te bedingen en te ontvangen. Bij dit aanzienlijke toekomstige concrete verlies komen dan nog aanzienlijke bedragen aan misgelopen rente, voortdurende lasten en opgelopen extra kosten, waaronder aanzienlijke advocaatkosten, die [B] heeft geleden en nog zal lijden door de wanbetaling van [A] per 15 februari 2007. Niet valt in te zien dat en waarom art. 6:98 BW in dit geval in de weg zou staan aan toerekening van al deze (latere) schadeposten aan de wanprestatie van [A], zoals mr. Dumoulin nog heeft betoogd maar mr. Weermeijer heeft bestreden. Gelet op dit alles is er in de concrete omstandigheden van dit geval onvoldoende reden voor matiging van de contractueel verbeurde boetes van in totaal € 2.655.150,-.

4.16 Voor de vorderingen van de Stichting Incasso op [B] in conventie betekent al het voorgaande dat deze moeten worden afgewezen. [B] mag in dit geval immers de door hem in beginsel nog terug te betalen € 1.465.000,- verrekenen met de naar het oordeel van de rechtbank aan hem contractueel toekomende boetes van in totaal € 2.655.150,-. Daardoor blijft er per saldo geen vordering voor de Stichting Incasso over en deed [B] er medio oktober 2008 vanuit dat gezichtspunt bezien onverstandig aan om alvast € 1.000.000,- aan [A] en/of de Stichting Incasso terug te betalen. Voor terugbetaling van € 137.730,- en voor rechterlijke matiging van de verbeurde boetes bestaat ook geen of onvoldoende reden. Als de in het ongelijk gestelde partij moet de Stichting Incasso worden veroordeeld in de proceskosten in conventie van [B]. Die te betalen proceskosten worden door de rechtbank begroot op € 1.148,- aan griffierecht plus € 6.422,- aan salaris advocaat, dat is in totaal € 7.570,-.

4.17 Voor de vorderingen in reconventie van [B] op zijn contractspartij [A] betekent al het voorgaande het navolgende.

4.18 In beginsel heeft [B] in reconventie jegens zijn contractspartij [A] naar de voorgaande oordelen van de rechtbank recht op € 2.655.150,- aan verbeurde contractuele boete (dat is inclusief de al ontvangen € 137.730,-, zie rov. 4.12) minus de door hem al ontvangen en te verrekenen aanbetaling van per saldo nog € 1.465.000,- (zie rov. 4.6), dat is in totaal en per saldo nog € 1.190.150,- in hoofdsom. Mr. Weermeijer vordert in reconventie echter het ook na herhaalde lezing en bestudering van diens berekening voor de rechtbank onbegrijpelijke bedrag van € 978.205,-, zodat de rechtbank in reconventie slechts dit laatste bedrag in hoofdsom kan toewijzen, vermeerderd met de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 18 maart 2009. Deze beperking van de vordering aan de zijde van [B] betekent overigens een extra reden voor de rechtbank om het bedrag van de contractuele boete niet te matigen.

4.19 Nu gelet op rov. 4.15 voldoende aannemelijk is dat de totale schade van [B] die inclusief rente en kosten aan de wanprestatie van [A] kan worden toegerekend in de toekomst zeer aanzienlijk zal kunnen zijn, heeft [B] ook recht op en belang bij toewijzing van zijn vordering die strekt tot schadevergoeding bij staat en te vereffenen volgens de wet, echter pas zodra [B] perceel D [nummer] aan een derde heeft kunnen verkopen en leveren tegen ontvangst van een concreet en verifieerbaar verlies én voor zover die schadestaat met rente en kosten uitgaat boven de ingevolge dit vonnis al aan [B] toegewezen en door hem al geïncasseerde bedragen van in hoofdsom € 978.205,- plus € 137.730,- plus € 1.465.000,-, dat is in totaal € 2.580.935,-, dat totaalbedrag nog te vermeerderen met de toegewezen rente en proceskosten.

4.20 Nu per saldo [A] (en de zijnen) naar het oordeel van de rechtbank geen vordering hebben op [B], maar [B] een vordering heeft op [A] (en wellicht de zijnen), moeten ook de door [A] gelegde en nog resterende drie conservatoire beslagen op kort gezegd landgoed [naam] desgevorderd worden opgeheven, nog daargelaten dat de vordering waarvoor op naam van [A] beslag is gelegd na de cessie strikt genomen niet meer aan beslaglegger [A] toekwam en ook dat formele argument wellicht al een reden was en is voor opheffing van die conservatoire beslagen.

4.21 De door [B] nog gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen, reeds omdat de daarbij genoemde bedragen aan verbeurde contractuele boetes volgens de rechtbank niet juist zijn, nog daargelaten dat [B] het door artikel 3:303 BW vereiste belang mist bij een verklaring voor recht naast zijn vordering die strekt tot betaling van het restant van de verbeurde contractuele boetes.

4.22 [A] moet als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [B], door de rechtbank begroot op nihil aan verschotten en € 6.422,- aan salaris advocaat.

4.23. De overige twistpunten van partijen behoeven na het voorgaande geen beoordeling meer. Dit alles brengt de rechtbank tot de navolgende beslissingen op de over en weer ingestelde vorderingen.

5. De beslissingen

De rechtbank in conventie:

- wijst de vorderingen van de Stichting Incasso op [B] af;

- veroordeelt de Stichting Incasso tot betaling aan [B] van in totaal € 7.570,- aan proceskosten in conventie, zoals hiervoor begroot in rov. 4.16, en verklaart die proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

De rechtbank in reconventie:

- veroordeelt [A] aan [B] nog bij te betalen een bedrag van € 978.205,- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke daarover vanaf 18 maart 2009;

- veroordeelt [A] aan [B] daarenboven te betalen een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, echter op de voorwaarden zoals hiervoor vastgesteld in rov. 4.19;

- heft op de door [A] gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken van [B] aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als [kavelnummers] en plaatselijk bekend als landgoed [naam];

- veroordeelt [A] tot betaling aan [B] van in totaal € 6.422,- aan proceskosten in reconventie, zoals hiervoor begroot in rov. 4.22;

- verklaart dit vonnis in reconventie tot zover zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het door [B] meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2009.