Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1291

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 07/6938
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN2597, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit strekkende tot handhaving bouwvergunning eerste fase en vrijstelling ex art. 19, tweede lid, WRO, voor realiseren 19 appartementen, kantoorruimte en parkeerkelder vernietigd, omdat de geluidbelasting die de in de directe nabijheid van het bouwplan gelegen bakkerij zal veroorzaken op de nieuwbouw een onaanvaardbare beperking betekent voor de bestendige bedrijfsvoering van de bakkerij. Nu onvoldoende vaststaat in hoeverre vergunninghouder bereid is tot het aanbrengen van wijzigingen in het bouwplan, zijn de voor eisers nadelige gevolgen van de verleende vrijstelling en bouwvergunning onevenredig in verhouding tot de met die besluiten te dienen belangen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/6938 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven, verweerder.

Derde partij: vennootschap onder firma "[A]" te [plaats], vergunninghouder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 14 november 2003 heeft vergunninghouder een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het realiseren van een bouwplan voor 19 appartementen, een kantoorruimte en een parkeerkelder op de percelen kadastraal bekend sectie C nrs. [1], [2], [3], [4] en [5], gelegen aan de [adres].

Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft verweerder voor bovengenoemd bouwplan vrijstellingen op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening alsmede een bouwvergunning eerste fase, verleend.

Bij besluit van 31 juli 2007, verzonden 3 augustus 2007, heeft verweerder, in afwijking van het op 24 augustus 2006 door de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften uitgebrachte advies, het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 september 2007, ingekomen bij de rechtbank op 18 september 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft bij brief van 29 november 2007 zijn zienswijze op het beroep gegeven.

Het beroep is op 26 mei 2008 ter zitting behandeld. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [B] en mr. [C].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [D].

Namens vergunninghouder zijn verschenen [E] en [F], bijgestaan door mr. [G].

De rechtbank heeft na deze behandeling ter zitting geconcludeerd dat het onderzoek in de procedure niet volledig is geweest en met gebruikmaking van haar bevoegdheid ex artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend.

De rechtbank heeft daarbij voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Verweerder dient een onderzoek in te stellen naar de gevolgen die het bouwplan in het kader van de geldende milieuwetgeving met zich kan brengen voor de tot op heden gebruikelijke bedrijfsvoering van de bakkerij van eisers.

Dit onderzoek dient te zijn toegespitst op de toepasselijkheid van de normen die gelden voor geluid en geur.

Indien blijkt dat als gevolg van het bouwplan voorzieningen nodig zijn om aan die normen te voldoen, dient te worden onderzocht welke maatregelen moeten worden getroffen".

Bij brief van 29 augustus 2008 heeft verweerder de rechtbank bericht en daarbij overgelegd: 1) Een drietal Akoestische rapporten van het "Acoustical Measurements and Predictions" (AMP) te Geertruidenberg en 2) een rapportage van het technisch bureau HABO B.V. betreffende Geuremissiepunt Bakkerij Bussing.

Eisers hebben gereageerd bij brief van 7 oktober 2008 en aangekondigd dat zij een deskundige van de Nederlandse Brood- en Banketbakkers Ondernemersvereniging (NBOV) hebben verzocht de rapporten te bestuderen. Tevens hebben zij daarbij een door Hofrie-advies opgestelde Schaduwanalyse in verband met de nieuw te bouwen locaties 3 en 4 in de tuin van Bakkerij Bussing dd. 29 september 2008 ingezonden.

In een brief van 19 november 2008 hebben eisers het commentaar van de heer [H] van de NBOV van 4 november 2008 overgelegd.

Bij brieven van 8 en 12 januari 2009 heeft de gemachtigde van vergunninghouder gereageerd en daarbij overgelegd een brief dd. 6 januari 2009 van [I] van V.O.F. [A].

Op 5 maart 2009 is door de rechtbank in het kader van het voortgezette onderzoek in enkelvoudige samenstelling een comparitie als bedoeld in artikel 8:44 van de Awb gehouden, mede bedoeld om te onderzoeken of er uitzicht bestond op een wijziging (dan wel gewijzigde uitvoering) van het bouwplan waarover partijen overeenstemming zouden kunnen bereiken.

Partijen hebben verzocht tot aanhouding van de zaak voor de duur van twee weken, teneinde te onderzoeken of er voldoende gespreksbasis is.

Bij brief van 19 maart 2009 heeft de raadsman van vergunninghouder de rechtbank laten weten dat dit niet tot (zicht op) een oplossing heeft geleid.

Bij brieven van respectievelijk 27 april, 29 april en 5 mei 2009 hebben vergunninghouder, verweerder en eisers ingestemd met het achterwege laten van (verdere) behandeling ter zitting.

Motivering

Het bouwplan maakt onderdeel uit van een vijftal bouwplannen die betrekking hebben op een reconstructie van het in de bebouwde kern van de gemeente Bodegraven gelegen plangebied dat bestaat uit de strook tussen de Oude Rijn en de Van Tolstraat-Overtocht en de Oud Bodegraafseweg. Het onderhavige bouwplan heeft daarin de aanduiding "locatie 3" en grenst aan de percelen waarop zich het woonhuis en de bakkerij/bakkerswinkel van eisers bevinden.

Ter plaatse van het bouwperceel gelden de bestemmingsplannen "Oude Kern Bodegraven" vastgesteld bij raadsbesluit van 28 maart 1996 (gedeeltelijk) goedgekeurd door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) bij besluit van 12 november 1996 en "Overtocht".

Het perceelsgedeelte dat in eerstgenoemd bestemmingsplan ligt heeft de bestemming "Centrumdoeleinden". Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming, voor zover hier van belang, aangewezen voor woondoeleinden op de eerste en volgende verdiepingen en voor zover op de plankaart de aanduiding "woondoeleinden toegestaan" voorkomt, ook voor woondoeleinden op de begane grond. Voorts voorziet deze bestemming in beperkte mate in de mogelijkheid van kantoorruimten.

De maximale goothoogte die ter plaatse onder deze bestemming is toegestaan bedraagt 06.00 m.

Het perceelsgedeelte dat in het bestemmingsplan "Overtocht" ligt heeft als bestemming "Verkeersdoeleinden". Op gronden met deze bestemming mogen, voor zover hier van belang, slechts bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht.

Het vergunde bouwplan voorziet in een appartementengebouw met een ondergrondse parkeergarage en 4 appartementen en een kantoorruimte op de begane grond, alsmede 15 appartementen die zijn gesitueerd op de eerste, tweede en derde verdieping van het gebouw.

Het bouwplan is niet in overeenstemming met de in voornoemde bestemmingsplannen neergelegde, ter plaatse geldende, bestemmingen.

In artikel 44 van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder c en d, dient de bouwvergunning te worden geweigerd wanneer het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening dan wel in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten (GS) aangegeven categorieën van gevallen en indien het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Eisers staan op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan niet toereikend is nu deze voor een deel berust op de "plantoelichting" bij het "Plan vierkom Bodegraven" zoals die in voorjaar 2001 aan het totale (5 locaties omvattende) plan ten grondslag is gelegd. Eisers hebben aangevoerd dat die toelichting, voor zover deze ziet op de hier in geding zijnde locatie 3, een ingetrokken - en in de bouwaanvraag van 14 november 2003 door een aangepast bouwplan vervangen - bouwplan betreft. Volgens eisers zijn in de ruimtelijke onderbouwing de planologische inzichten anno 2007 onvoldoende gevolgd.

Voorts hebben eisers gesteld dat niet is voldaan aan de door GS in hun Nota Planbeoordeling van 14 september 2004 neergelegde randvoorwaarden.

Eisers zijn verder van mening dat er na realisering van het bouwplan onvoldoende parkeerplaatsen in de nabijheid zullen zijn en dat er onvoldoende afstand is van de dichtstbijgelegen woning van het bouwplan tot hun bedrijfsruimte (bakkerij) zodat er voor de bewoners door geluid- en geurinvloeden waarschijnlijk geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eisers vrezen dat het bouwplan hen iedere uitbreidingsmogelijkheid zal ontnemen.

Voorst vrezen eisers voor een afname van de bezonning van de bij de bakkerij behorende tuin ten gevolge van het bouwplan.

Verweerder heeft naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften een aanvullende ruimtelijke onderbouwing d.d. 24 juli 2007 aan het bouwplan ten grondslag gelegd.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen is voldaan.

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een gebouw waarin woningen, kantoren en een parkeerkelder zullen worden gerealiseerd en valt daarmee onder de bijzondere verklaring van geen bezwaar die door GS bij besluit van 19 december 2006 is afgegeven voor (onder meer) het bouwen in stedelijk gebied.

Voor wat betreft de aan het gebruik van deze bijzondere verklaring van geen bezwaar verbonden randvoorwaarden overweegt de rechtbank dat op grond van het rapport van de Milieudienst Midden-Holland van 7 november 2006 kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder evenals aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 genoemde grenswaarden.

Voorts is voldaan aan de verplichte watertoets gelet op de brief van 12 mei 2005 waarin dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland vermelden dat geen bezwaar bestaat tegen het bouwplan nu dat geen negatieve effecten op de waterhuishouding heeft.

Tenslotte is door verweerder toegezegd dat niet met de bouw zal mogen worden begonnen alvorens het definitieve archeologische onderzoek van het bouwperceel is uitgevoerd en de provinciaal archeoloog de locatie heeft vrijgegeven voor woningbouw, zodat ook aan de desbetreffende randvoorwaarde is voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing die verweerder aan de verleende vrijstelling ten grondslag heeft gelegd voldoet in zoverre daarin de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan is weergegeven.

De "Stedenbouwkundige visie deelgebied Bodegraven Centrum-Zuid" uit november 1999 en de "Plantoelichting Stedenbouw & Ontwerp" van het bureau Rob de Groot architecten bna uit 2001 alsmede de Gemeentelijke Structuurvisie (raadsbesluit 29 januari 2004) en het Ontwikkelingsplan Centrum Bodegraven (raadsbesluit 18 november 2004) in samenhang met de op de onderhavige deellocatie 3 betrekking hebbende aanvullende ruimtelijke onderbouwing van 24 juli 2007, bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat het plan past binnen de toekomstige bestemming van het gebied.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van het gebouw hiertoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

Verweerder heeft de bouwvergunning verleend onder vrijstelling als bedoeld in het vierde lid van voornoemd artikel voor vier parkeerplaatsen ten behoeve van de in het te realiseren gebouw opgenomen kantoorfunctie. In deze vier parkeerplaatsen zal worden voorzien onder het nabij gelegen gebouw op locatie 1.

In de parkeerkelder onder het vergunde gebouw zullen 17 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De 5 parkeerplaatsen die moeten verdwijnen ten gevolge van dit bouwplan zullen op een afstand van ongeveer 150m worden gerealiseerd, te weten voor de nieuwbouw op locatie 2.

Eisers vrezen er voor dat van (een deel van) de onder locatie 3 voorziene parkeerplaatsen geen gebruik zal worden gemaakt vanwege de hoge kosten van deze plaatsen. Voorts hebben eisers er bezwaar tegen dat de 5 parkeerplaatsen die nu dicht bij hun winkel liggen worden verplaatst aangezien klanten met verse bakkerijproducten deze niet over een te grote afstand willen vervoeren.

De rechtbank is van oordeel dat de bezwaren van eisers op dit onderdeel geen doel treffen. De afstand waarmee de 5 parkeerplaatsen worden verlegd is niet van dien aard dat kan worden staande gehouden dat deze niet langer in aanmerking kunnen komen voor klanten van de bakkerswinkel van eisers. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het overbruggen van een afstand van ongeveer 200m voor bezoekers van de winkel niet onaanvaardbaar kan worden geacht.

Voorts is er door verweerder op gewezen dat het inherent aan de verleende bouwvergunning is dat de parkeerplaatsen zijn gekoppeld aan de te verkopen appartementen en dat geen grond bestaat voor de verwachting dat de onder locatie 3 te realiseren parkeerplaatsen op andere wijze (of geheel niet) zullen worden gebruikt dan ten behoeve van de daarboven gelegen appartementen. Vergunninghouder heeft gesteld dat de appartementen in combinatie met de parkeerplaatsen zullen worden verkocht.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid tot genoemde vrijstelling van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening kon besluiten.

Ten aanzien van het verlies aan bezonning in de tuin van eisers overweegt de rechtbank het volgende.

Het door eisers overgelegde rapport van Hofrie-advies van 29 september 2008 (Schaduwanalyse) zal de rechtbank buiten beschouwing laten. De heropening van het onderzoek door de rechtbank betreft enkel de gevolgen die het bouwplan heeft voor de bedrijfsvoering van het bakkerijbedrijf van eisers en een goede procesorde vereist in die situatie dat het indienen van nadere stukken beperkt blijft tot stukken die op die aangelegenheid betrekking hebben. Overigens zijn door Hofrie-advies al op 5 januari en 15 februari 2005 Schaduwanalyses in verband met de schaduw in de tuin van de bakkerij ten gevolge van dit bouwplan opgesteld, die deel uitmaken van de processtukken.

De rechtbank stelt voorop dat ter beoordeling van de invloed van het bouwplan op de bezonningssituatie als vergelijkingsmaatstaf heeft te gelden de bezonningssituatie waarvan sprake zou zijn in geval de door het geldende bestemmingsplan mogelijk gemaakte bouwmogelijkheid ter plaatse geheel zou worden benut. Uit de onderzoeken van Adviesbureau Climatic Design Consult komt naar voren dat het bouwplan op verschillende tijdstippen van het jaar een grotere afname van de bezonning met zich brengt dan in geval van realisering van de bestemmingsplanmogelijkheden. Aangezien in die gevallen echter sprake is van enkele uren minder bezonning in de (vroege) ochtenduren gedurende een aantal maanden per jaar, is de rechtbank van oordeel dat de afname niet zodanig is dat van het verlenen van vrijstelling had dienen te worden afgezien. Met betrekking tot de door eisers ingebrachte voornoemde onderzoeken van 15 jan van Hofrie-advies stelt de rechtbank vast dat daarin een vergelijking in bezonningssituaties in vorenvermelde zin niet is gemaakt (ten overvloede: ook niet in het buiten geding gelaten rapport van 29 september 2008). Reeds hierom maken deze rapporten de conclusie van de rechtbank niet anders.

Eisers kunnen zich desgewenst tot verweerder wenden met een verzoek om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 WRO.

Met betrekking tot de te verwachten invloed die de bedrijfsvoering van de bakkerij zal hebben op de nieuwbouw voor wat betreft de geuremissie, is naar aanleiding van de aanhouding door de rechtbank een (ongedateerd) rapport uitgebracht door technisch bureau HABO BV.

De conclusie van dat rapport luidt dat gelet op het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 6.8 van het op 1 januari 2008 in werking getreden Activiteitenbesluit, de realisering van de appartementen thans geen knelpunten oplevert voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van de bakkerij, maar dat dat in de toekomst wel het geval zal kunnen zijn.

Het rapport doet daarom een voorstel tot aanpassingen teneinde de afvoerkanalen van de bakkerij in overeenstemming te brengen met de eisen die op dit punt zijn neergelegd in artikel 4.107 (geurhinder) van het Activiteitenbesluit. Concreet wordt aanbevolen om deze beide afvoerkanalen te verhogen tot een hoogte van 12,2 meter boven maaiveldniveau. De investeringskosten voor deze aanpassing worden door HABO BV geschat op € 5.000,-. Vergunninghouder heeft toegezegd deze kosten voor zijn rekening te willen nemen.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van HABO BV. Nu met betrekkelijk eenvoudige aanpassingen een en ander op dit punt in overeenstemming kan worden gebracht met de vereisten van het Activiteitenbesluit kan van een gevaar voor de bedrijfsvoering van eisers niet worden gesproken en ziet de rechtbank op dit onderdeel geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

Niettemin kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden en zij overweegt daartoe het volgende.

Naar aanleiding van het door verweerder na de zitting van 26 mei 2008 ingestelde nader onderzoek naar de effecten van het bouwplan op de bedrijfsvoering van de bakkerij van eisers in het kader van de geldende milieuwetgeving, heeft AMP drie rapporten uitgebracht. Het eerste betreft een Akoestisch rapport aangaande de relatie van de bakkerij tot het in geding zijnde nieuwbouwplan, het tweede betreft een Akoestisch rapport aangaande de relatie van de bakkerij tot bestaande woningen en het derde rapport betreft de geluidwering van de gevels van de in het nieuwbouwplan voorziene appartementen 11 en 17 ten gevolge van de geluidbelasting door de bakkerij.

Samengevat komen deze onderzoeksrapporten op het volgende neer.

Bij de verrichte metingen is uitgegaan van drie zogeheten immissieposities op de, het dichtst bij de bakkerij gelegen, (noordoostelijke) gevel van het nieuwbouwplan. Onderzocht is de maximale geluidbelasting die de bedrijfsvoering van de bakkerij gedurende de bedrijfsuren veroorzaakt. Als geluidbronnen zijn daarbij aangemerkt: de voertuigbewegingen en de daarmee gepaard gaande laad- en losactiviteiten, de meeneemheftruck, het rijden met broodrekken, de koelcompressoren, de koelunits buiten, de uitlaat bakoven en de open loopdeur bakkerij.

De meetresultaten zijn op basis van door de bakkerij verstrekte bedrijfsvoeringgegevens en door middel van de methode II.8 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999 herleid naar langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en naar maximale geluidniveaus (naar de rechtbank begrijpt hebben deze "maximale geluidniveaus" betrekking op zich incidenteel voordoende piekgeluiden, zoals bijvoorbeeld het dichtslaan van autoportieren).

De aldus vastgestelde geluidniveaus zijn vergeleken met de geluidniveaus die maximaal zijn toegestaan op grond van artikel 2.17 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer van 19 oktober 2007, in werking getreden op 1 januari 2008 (het Activiteitenbesluit).

Aangezien de bakkerij vóór laatstgenoemde datum reeds ter plaatse functioneerde is tevens vergeleken met de op basis van het overgangsartikel 6.12 van het Activiteitenbesluit toegestane ophoging van de toegestane waarden met 5 dB(A) (in het rapport aangegeven als "berekening in 2e beginsel").

De uiteindelijke berekeningsresultaten laten zien dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus gedurende de dag (07.00-19.00u) met minimaal 8 en maximaal 13 dB(A) worden overschreden ten opzichte van de heden geldende waarden en (dus) met minimaal 3 en maximaal 8 dB(A) in 2e beginsel.

Gedurende de avond (19.00-23.00u) bedragen deze overschrijdingen minimaal 10 (2e beginsel: 5) en maximaal 15 (2e beginsel: 10) dB(A) en gedurende de nacht minimaal 16 (2e beginsel: 11) en maximaal 21 (2e beginsel: 16).

De op grond van de voornoemde regelgeving toegestane maximale geluidniveaus worden gedurende de dag overschreden met minimaal 1 en maximaal 8 dB(A) en gedurende de nacht met minimaal 14 en maximaal 21 dB(A).

Het rapport concludeert dan ook dat de langtijdgemiddelde normstelling zowel initieel als in 2e beginsel zal worden overschreden en dat eveneens de maximale geluidnormstelling zal worden overschreden. Tevens vermelden de onderzoekers daarbij dat brongerichte maatregelen niet realiseerbaar zijn omdat dan nagenoeg alle geluidbronnen een reductie zouden behoeven en dat het plaatsen van een geluidscherm niet opportuun is omdat dat dan nagenoeg tegen de gevels van het nieuwbouwplan gesitueerd zou moeten worden. Wel achten de onderzoekers immissiebeperkende maatregelen mogelijk in de vorm van een dove of blinde gevel in de nabijheid van het nieuwbouwplan. Rekening dient volgens onderzoekers te worden gehouden met een reductie van 36 (2e beginsel: 31) dB(A).

Tenslotte wijzen de onderzoekers erop dat zou kunnen worden gedacht aan een andere gebruiksfunctie van de ruimten aan de zijde van de bakkerij, bijvoorbeeld kantoorruimten.

Het rapport over de geluidbelasting van de bakkerij op de bestaande dichtstbijgelegen woningen vermeldt overschrijdingen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus gedurende de dagperiode van standaard 1 dB(A) (2e beginsel: nihil), gedurende de avond van minimaal 2 en maximaal 3 dB(A) (2e beginsel: nihil) en gedurende de nacht van minimaal 7 (2e beginsel: 2) en maximaal 8 (2e beginsel: 3).

De maximaal toegestane geluidniveaus worden (alleen gedurende de nacht) overschreden met minimaal 3 en maximaal 7 dB(A).

De rechtbank is van oordeel dat de in het vorenstaande weergegeven meet- en berekeningsresultaten van de geluidbelasting die de bakkerij zal veroorzaken op de vergunde nieuwbouw - ook al worden die resultaten bezien in het licht van de geluidbelasting op bestaande woningen die de bedrijfsvoering reeds in de huidige situatie met zich brengt - een onaanvaardbare beperking betekent voor de bestendige bedrijfsvoering van de bakkerij.

De rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan op een zodanige wijze kan worden uitgevoerd dat daardoor tot een aanvaardbare situatie voor de bedrijfsuitoefening van de bakkerij kan worden gekomen en evenmin dat grond bestaat om aan te nemen dat door enkele wijzigingen van ondergeschikte aard (bijvoorbeeld in het kader van de aanvraag bouwvergunning tweede fase) aan de gesignaleerde geluidsproblematiek kan worden tegemoetgekomen. De door de onderzoekers mogelijk geachte oplossingsrichtingen komen de rechtbank daarentegen als ingrijpend voor. Daarom moet - nu onvoldoende vast staat in hoeverre vergunninghouder bereid is tot het aanbrengen van wijzigingen in het voorliggende bouwplan - worden geoordeeld dat de voor eisers nadelige gevolgen van de verleende vrijstelling en bouwvergunning onevenredig zijn in verhouding tot de met die besluiten te dienen belangen.

Verweerder had alvorens die besluiten te nemen grondiger dienen te onderzoeken hoe het bouwplan zich verhoudt tot de mogelijkheden voor de sinds jaar en dag ter plaatse gevestigde bakkerij om haar bestendige bedrijfsvoering te continueren.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4, tweede lid, van de Awb.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat, hoewel in deze uitspraak het beroep gegrond zal worden verklaard, dit niet betekent dat eisers op alle onderdelen van het beroep gelijk hebben gekregen. De rechtbank heeft een aantal beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting, het geven van een schriftelijke zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek, het verschijnen ter nadere zitting) 3 punten worden toegekend.

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Bodegraven aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 143,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,-, welk bedrag de gemeente Bodegraven aan eisers moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mrs. Van Wesenbeeck, De Valk en Kroft en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2009, in tegenwoordigheid van de griffier

drs. Witsiers.