Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1282

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
09/997166-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vier verdachten veroordeeld inzake het illegaal tewerkstellen, huisvesten en uitbuiten van Chinese werknemers in nagelstudio’s en massagesalons.

De drie hoofdverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 voorwaardelijk; een vierde verdachte werd 90 uur dienstverlening opgelegd waarvan 30 uur voorwaardelijk.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de smokkel, huisvesting van kwetsbare personen (illegale Chinezen) door hen onder andere in ruil voor voedsel en onderdak dan wel een zeer geringe geldelijke vergoeding lange werkdagen te laten maken in nagelstudio’s en massagesalons.

De werkzaamheden bestonden uit het verrichten van massage, doch ook het verrichten van seksuele handelingen, al dan niet in opdracht van de verdachten. Doordat de Chinezen illegaal in Nederland waren en zij vrijwel allemaal in China een schuld waren aangegaan om naar Nederland te kunnen komen, is door de verdachten misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin de betreffende personen verkeerden.

Daarnaast heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachten zich strafbaar hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Zij hebben gefraudeerd met de administraties van ondernemingen De werkzaamheden en inkomsten van buitenlandse werknemers zijn verder niet gemeld bij het UWV en de Belastingdienst. In plaats daarvan is gebruik gemaakt van zogeheten gefingeerde dienstverbanden: de gegevens van rechtmatig in Nederland verblijvende personen zijn gebruikt om loonaangifte te doen.

Het tenlastegelegde feit uitbuiting is niet bewezen verklaard vanwege het ontbreken van onvrijwilligheid tijdens de uitoefening van werkzaamheden.

BJ1279, BJ1280, BJ1281 en BJ1282

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997166-08

Datum uitspraak: 9 juni 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte Z.]

geboren te [woonplaats] op [datum] 1943,

[adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 februari 2009, 21 april 2009,

19 mei 2009, 20 mei 2009 en 26 mei 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Paulus en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen

aan een organisatie, bestaande uit onder andere [verdachte Y.] en [verdachte X.] en [verdachte W.],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijke doen van onjuiste aangiften loonbelasting en/of

omzetbelasting (artikel 69 lid 2 Awr) en/of

- mensenhandel, door het misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of van een kwetsbare positie, waardoor een

ander(en) bewogen wordt/worden zich beschikbaar te stellen voor het verrichten

van arbeid en/of diensten en/of waardoor een ander(en) wordt/worden bewogen de

organisatie of personen binnen die organisatie te bevoordelen uit de opbrengst

van dier seksuele handelingen (artikel 273f lid 1 sub 4 en 9 WvSr) en/of

- mensensmokkel, waarbij aan personen, wier toegang tot of doorreis door

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is,

hulp wordt verleend bij die toegang of doorreis, terwijl daarvan een beroep

of gewoonte wordt gemaakt (artikel 197a lid 1 en 4)

- het uit winstbejag behulpzaam zijn aan personen, wier verblijf in Nederland

en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is, bij het

verschaffen van dat verblijf, terwijl daarvan een beroep of gewoonte wordt

gemaakt (artikel 197a lid 2 en 4 WvSr) en/of

- het tewerkstellen van illegale vreemdelingen en daarvan een beroep of

gewoonte maken (artikel 197 b en c WvSr);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

23 januari 2007 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september

2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op

de/het bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemd(e)

tijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag

aan (te betalen) belasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2007 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Rotterdam en/of [A.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september

2008, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens)

valselijk in die aangifte(n) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag

bedrag aan (te betalen) belasting vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30

september 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op

de/het bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over genoemd(e)

tijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag

aan (te betalen) belasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Rotterdam en/of [B.] en/of [A.] en/of (elders) in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september

2008, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens)

valselijk in die aangifte(n) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag

bedrag aan (te betalen) belasting vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type en/of taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zijn recht op rechtsbijstand mogelijk is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat zijn huidige inkomen te hoog is om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand, maar dat hij zich een raadsman op betalende basis niet kan veroorloven. Om die reden zou de verdachte genoodzaakt zijn om zijn zaak zelf te bepleiten. De verdachte doet in dit verband een beroep artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De voorwaarden voor gefinancierde rechtsbijstand zijn zorgvuldig vastgesteld. Wanneer een persoon niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt hij geacht zelf zijn raadsman te kunnen bekostigen. De omstandigheid dat zo iemand, zoals de verdachte, geen raadsman in de arm neemt omdat hij vindt dat hij daarvoor de financiële middelen niet heeft, levert geen schending op van het fundamentele recht op verdediging.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 november 2008 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en onjuiste en onvolledige aangifte heeft gedaan voor de eigenaren van de [salon A.] salon te [A.] en de [salon B.] salon te [B.].

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair heeft begaan.

Verdachte was op de hoogte en deed de onjuiste belastingaangiften. Hij kan daarmee als deelnemer aan de criminele organisatie worden beschouwd. Niet is vereist dat hij ook wetenschap had van andere criminele doeleinden van die organisatie om als deelnemer van die organisatie aangemerkt te worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft vrijspraak van de deelneming aan een criminele organisatie bepleit. Hij heeft gesteld niet op de hoogte te zijn van een criminele organisatie en geen deel uit te maken van het samenwerkingsverband.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank zal alvorens feit 1 te bespreken, allereerst ingaan op de feiten 2 en 3.

De rechtbank ziet aanleiding feit 2 ([verdachte Y.] = [salon A.] salon) en feit 3 ([verdachte W.] = [salon B.] salon) gezamenlijk te bespreken.

Belastingfraude t.n.v. [verdachte Y.]

De rechtbank stelt op dit punt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast:

- Blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel is verdachte [verdachte Y.] op 25 mei 2005 aan de [adres te A.] een nagelstudio annex massagesalon begonnen. Deze onderneming betreft een eenmanszaak , die wordt gedreven onder de naam [salon A.] Salon1.

- Bij het UWV zijn in het kader van deze onderneming vanaf 1 september 2005 dienstverbanden aangemeld met de volgende werknemers:

- [werknemer 1], geboren [datum 1974]

- [werknemer 2], geboren [datum 1982]

- [werknemer 3], geboren [datum 1983]

- [werknemer 4], geboren [datum 1977]

- De aangiften loonbelasting (en omzetbelasting) van [Y.] zijn tot medio 2006 verzorgd door [administratiekantoor] Hierna zijn deze werkzaamheden overgenomen door verdachte.

- Volgens opgave van de Belastingdienst zijn ten name van verdachte [Y.] vanaf januari 2006 periodiek aangiften loonheffing en loonheffinggegevens ontvangen over de tijdvakken februari 2006 tot en met september 2008. Daarbij zijn de aangiften over de tijdvakken januari 2007 tot en met september 2008 aan de Belastingdienst toegezonden met behulp van een softwarepakket en door tussenkomst van verdachte, voor de eerste maal op 23 januari 20073. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij in de loop van 2006 als boekhouder voor de [salon A.] Salon is gaan werken en aangiften is gaan verzorgen. Daarvoor werd dit gedaan door een zekere [medewerker administratiekantoor]4

- De ten name van verdachte [Y.] ingediende aangiften en loonheffinggegevens betreffen gedurende de tijdvakken februari 2006 tot en met september 2007 in elk geval steeds loonbetalingen aan de werkneemsters [werknemer 1] en [werknemer 2]5. Volgens de beschikbare kasstaten en salarisstroken werd het loon maandelijks achteraf betaald.

- [werknemer 1] heeft echter tegenover de SIOD verklaard dat zij nimmer in de [salon A.] salon heeft gewerkt en dat zij ook nimmer enige (loon)betaling van verdachte [Y.] heeft ontvangen. Geconfronteerd met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbetaalde tijd, heeft zij verklaard dat stuk niet te kennen en dat de daarop gestelde handtekening niet haar handtekening is. Wel is het volgens haar zo dat zij in het verleden op voorstel van verdachte [verdachte X.] bij verdachte op de loonlijst is gezet teneinde op papier genoeg te verdienen om verdachte [W.], met wie zij getrouwd is, naar Nederland te kunnen laten komen. Dit zou dan weer stoppen zodra haar man in Nederland zou zijn, maar kennelijk is dit niet gebeurd, aldus [werknemer 1]6.

- Anders dan [werknemer 1] heeft [werknemer 2] verklaard dat zij wel in de [salon A.] Salon werkzaam is geweest en daarvoor ook loon heeft ontvangen. Volgens haar verklaring is zij in september 2006 in dienst getreden als schoonmaakster en masseuse op basis van een arbeidscontact, waarin stond dat zij 40 uur per week zou werken. Zij heeft echter nimmer 40 uur per week gewerkt7. Tijdens haar verhoor is [werknemer 2] onder meer geconfronteerd met de kasstaten van november 2006, januari 2007 en juni 20078. Naar aanleiding hiervan heeft zij verklaard dat de daarin opgenomen loonbetalingen niet kloppen9. Voorts heeft zij verklaard dat zij [werknemer 1] kent omdat zij ook in de [salon A.] Salon werkte. Deze verklaring heeft zij vervolgens echter afgezwakt: Volgens [werknemer 2] is zij een keer voorgesteld aan een meisje dat [werknemer 1] zou heten. Zij heeft dat meisje hierna nooit zien werken en zij vraagt zich af wie dat meisje dan kan zijn geweest10. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de hiervoor weergegeven verklaring van [werknemer 1], zodat het ervoor moet worden gehouden dat het in haar geval gaat om een fictief dienstverband.

- Met betrekking tot de [salon A.] Salon hebben in maart en juli 2007 controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst plaatsgevonden, waarbij illegale vrouwen werden aangetroffen en/of vrouwen gehaast het pand verlieten zonder dat hun identiteit kon worden vastgesteld.11 Bij de invallen op 3 november 2008 zijn opnieuw Chinese vrouwen aangetroffen die illegaal in Nederland bleken te verblijven. Van deze vrouwen hebben er meerderen verklaard dat zij regelmatig dan wel af en toe in [salon A.] Salon werkten12.

- Van de vrouwen verklaren er vijf dat per massage met de werkgever werd afgerekend. Een massage van een uur kostte € 30,-, waarvan de masseuse € 12,- kreeg. Dit bedrag werd direct uitbetaald13. De rechtbank stelt vast dat voor geen van deze vrouwen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Voorts stelt zij vast dat deze betalingen ook niet in de in beslag genomen kasstaten zijn terug te vinden.

- Verdachte [Y.] heeft verklaard dat de [salon A.] Salon weliswaar van hem is, maar dat zijn vriendin, verdachte [verdachte X.], de zaak runde. Zij inde het geld van de klanten, deed de boekhouding en regelde de belasting. Volgens verdachte [Y.] bemoeide hij zich verder nergens mee en hij tekende alles wat [verdachte X.] aan hem voorlegde14. Verdachte [verdachte X.] heeft weliswaar ontkend dat zij de baas over de salon was, maar heeft wel bevestigd dat zij de administratie van de salon voerde en de contacten met de boekhouder onderhield. Zij heeft verklaard dat zij de inkomsten en uitgaven bijhield in een agenda en dat zij aan het eind van de dag aan de hand van deze agenda de kasstaat bijwerkte. Deze kasstaten leverde zij maandelijks in bij de boekhouder. Zij vertelde hem dan ook hoeveel uren iemand had gewerkt. Deze uren wist zij uit haar hoofd. Zij schreef deze vlak voor de afspraak met boekhouder op een briefje en gooide dit briefje na deze bespreking weer weg15.

- Verdachte heeft verklaard dat hij de voor zijn werkzaamheden benodigde gegevens altijd van [verdachte X.] aangeleverd kreeg. [verdachte X.] regelde volgens hem altijd de zaken. Zij gaf aan hem door welke mensen er in dienst waren getreden en tegen welk loon en voor hoeveel uur deze mensen gingen werken. Verdachte [Z.] zag deze mensen niet, maar maakte aan de hand van de informatie van [verdachte X.] een contract. Als [verdachte X.] tussentijds geen wijzigingen had doorgegeven maakte hij vervolgens op basis van de informatie in de contracten iedere maand automatisch loonstroken en een aangifte loonbelasting16. Deze verklaring vindt steun in een getapt telefoongesprek van 1 mei 2008, waarin [verdachte X.]

[Z.] laat weten dat de “papieren [mevrouw]” moet stoppen omdat de belasting te veel wordt en dat er een nieuwe mevrouw moet beginnen. Deze mevrouw moet voor 500 (euro) op de loonlijst bij de salon van medeverdachte [W.] en voor 700-800 (euro) bij haarzelf ([salon A.] Salon)17.

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank in elk geval wettig en overtuigend bewezen dat ten name van verdachte [Y.] opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiftes loonbelasting zijn gedaan. In de onderneming van verdachte zijn illegale vrouwen werkzaam geweest en de door deze vrouwen verrichte werkzaamheden zijn slechts zeer ten dele verantwoord via dienstverbanden met legale werknemers, waarbij geldt dat ten minste één van die dienstverbanden geheel fictief was ([werknemer 1]) en een ander van die dienstverbanden ([werkneemster 2]) weliswaar niet fictief was, maar tevens werd gebruikt om uren van illegale vrouwen te kunnen wegschrijven. Deze handelwijze betreft een beproefde constructie die er naar haar aard toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven dan wel afgedragen. De rechtbank acht daarbij bewezen dat deze fraude zich heeft uitgestrekt over de periode van 29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008. Uit de door de Belasting verstrekte informatie blijkt immers dat op 29 maart 2006 voor het eerst aangifte loonbelasting gedaan voor de werkneemster [werknemer 1], van wie vaststaat dat zij feitelijk nooit voor verdachte heeft gewerkt. De laatste aangifte namens verdachte [Y.] dateert van 2 oktober 2008.

Belastingfraude t.n.v. [verdachte W.]

De rechtbank stelt op dit punt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast:

- Verdachte is [W.] is blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op 23 augustus 2007 te [B.] een nagelstudio annex massagesalon begonnen. Deze onderneming betreft een eenmanszaak, die wordt gedreven onder de naam Nail Art & Massage Salon “[salon B.]”.18

- Bij het UWV zijn in het kader van deze onderneming met ingang van 1 oktober 2007 dienstverbanden aangemeld met de volgende werknemers:

- [werknemer 1], geboren [datum 1974]

- [werkneemster 4], geboren [datum 1982]

- [werkneemster 5], geboren [datum 1983].19

- Volgens opgave van de Belastingdienst heeft verdachte namens [verdachte W.] vanaf 5 november 2007 periodiek aangiften loonheffing en loonheffingsgegevens aan de Belastingdienst doen toekomen over de tijdvakken oktober 2007 tot en met september 2008.20 Deze aangiften en loonheffinggegevens zijn alle ingediend door verdachte en betroffen vrijwel steeds loonbetalingen aan de hiervoor genoemde werkneemsters [werknemer 1] en [werkneemster 5].21 Blijkens de kasstaten en eigen verklaring van verdachte ter zitting werd loon maandelijks achteraf uitbetaald.Verdachte heeft verklaard dat hij in verband hiermee iedere maand salarisstroken opmaakte.

- [werknemer 1], die is getrouwd met verdachte [verdachte W.] maar niet met hem samenwoont, heeft verklaard dat zij nimmer in de salon [salon B.] heeft gewerkt en dat zij ook nimmer enige (loon)betaling van [verdachte W.] heeft ontvangen. Wel is het volgens haar zo dat zij in het verleden op voorstel van verdachte [verdachte X.] (volgens haar de zus van [W.]) bij de [salon A.] Salon in [A.] op de loonlijst is gezet teneinde op papier genoeg te verdienen om verdachte naar Nederland te kunnen laten komen. Dit zou dan weer stoppen zodra haar man in Nederland zou zijn, maar kennelijk zijn haar gegevens ook daarna nog gebruikt, aldus [werknemer 1].22 De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen, te meer nu er voldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het huwelijk tussen verdachte en [werknemer 1] een schijnhuwelijk is. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [werknemer 1] feitelijk nooit voor verdachte [verdachte W.] heeft gewerkt, zodat sprake is van een fictief dienstverband.

- Ook [werkneemster 5] heeft verklaard dat zij nimmer in de salon [salon B.] heeft gewerkt of loonbetalingen van verdachte heeft ontvangen. Zij verklaart dat zij begin 2008 via verdachte [verdachte W.] korte tijd – hooguit twee weken – in de [salon A.] Salon in [A.] heeft gewerkt en dat [verdachte W.] haar hierna heeft gevraagd haar gegevens te mogen gebruiken om de belastingopgave te regelen. “[W.] vroeg mij of ik ingeschreven wilde blijven staan, omdat er anders voor de belastingen te weinig mensen in de salon werkten”, aldus haar verklaring23. De rechtbank merkt hierbij op dat [werkneemster 5] geen verklaring heeft voor het feit dat haar gegevens al vanaf oktober 2007 zijn gebruikt24. Zij leidt hieruit af dat [werkneemster 5] klaarblijkelijk niet het achterste van haar tong heeft willen laten zien. Dit neemt echter niet weg dat uit haar verklaring kan worden afgeleid dat het ook hier om een fictief dienstverband met verdachte [verdachte W.] gaat en dat [werkneemster 5] feitelijk nimmer werkzaamheden voor verdachte heeft verricht.

- Bij een controle van de Belastingdienst in de Salon [salon B.] op 18 april 2008 is waargenomen dat drie vrouwen na binnenkomst van de betrokken ambtenaren in grote haast het pand verlieten en dit onbeheerd achterlieten. De identiteit van deze vrouwen kon door hen snelle vertrek niet worden vastgesteld25. In een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek is te horen dat verdachte [verdachte W.] en verdachte [verdachte X.] overleggen wat [W.] over deze vrouwen tegen de Belastingambtenaren moet zeggen. Verdachte [verdachte W.] zegt doorbij dat alle drie de vrouwen aan het werk waren, waarop [verdachte X.] hem adviseert te zeggen dat twee van de vrouwen [werknemer 1] en [werkneemster 5] waren26.

- Bij een controle in de Salon [salon B.] door de Politie Haaglanden, afdeling commerciële zeden op 23 juli 2008 zijn in de salon vier Chinese vrouwen aangetroffen. De identiteit van deze vrouwen kon niet worden vastgesteld. Twee van deze vrouwen verlieten gehaast het pand27.

- Bij de invallen op 3 november 2008 zijn in de Salon [salon B.], in de woning van verdachte [W.] in [B.] en in de [salon A.] Salon in [A.] in totaal 10 Chinese vrouwen aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat zij allemaal illegaal in Nederland verbleven. Van deze vrouwen hebben er een aantal verklaard dat zij regelmatig dan wel af en toe in de Salon [salon B.] werkten28.

- Van de hiervoor genoemde vrouwen verklaren er [zeven vrouwen]29) dat per massage werd afgerekend. Een massage van een uur kostte € 30,-, waarvan de masseuse € 12,- kreeg. Dit bedrag werd direct uitbetaald. De rechtbank stelt vast dat voor geen van deze vrouwen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Voorts stelt zij vast dat deze betalingen ook niet in de in beslag genomen kasstaten zijn terug te vinden30. Hierin staan als gezegd alleen maandelijkse loonbetalingen aan (hoofdzakelijk) [werknemer 1] en [werkneemster 5].

- Verdachte [verdachte W.] heeft verklaard dat hij de inkomsten en uitgaven van de salon bijhield in een agenda en dat hij aan de hand van deze agenda aan het eind van iedere dag de kasstaten bijwerkte.31 Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte W.] aan [adres] te [B.] zijn in diens kamer onder een matras diverse losse briefjes aangetroffen32. Bovenaan deze briefjes staat telkens een datum in augustus 2008 vermeld, met daaronder Chinese karakters die volgens een door verdachte niet bestreden vertaling door een tolk onder meer de ([bijnamen] voorstellen33. Dit zijn volgens onder meer hun eigen verklaringen de (bij)namen van een aantal van de op 3 november 2008 aangetroffen illegale vrouwen, te weten [drie vrouwen]34. Achter deze namen staan getallen, die vervolgens worden opgeteld. Gelet hierop laten deze briefjes zich naar het oordeel van de rechtbank niet anders duiden dan de administratie van de op die dagen gerealiseerde omzet. Vergelijking met de door verdachte [verdachte W.] ingevulde kasstaat van augustus 200835 leert dat de totaalbedragen op de briefjes de op die dag in de kasstaat genoteerde omzet telkens met meer dan 100% overtreffen. De rechtbank betrekt hierbij nog het volgende. In het dossier bevindt zich de weergave van een op 14 oktober 2008 afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek tussen [W.] en ene [Q.], die op dat moment klaarblijkelijk op de salon in [B.] past. In dit gesprek zegt [W.] tegen [Q.] dat hij aan het eind van de dag 40% van de omzet in het boek (boekhouding) moet noteren.36 Later die dag (22.57 uur) belt [W.] nogmaals met [Q.]. In dit gesprek vertelt [Q.] dat de omzet van die dag € 260,- is, waarvan € 29,- voor manicure, waarna zij [W.] vraagt wat zij hiervan in de boeken moet noteren. [W.] zegt hierop: “40% ervan is € 104,-”. Als [Q.] hierop opmerkt dat de omzet gisteren ruim € 300,- was en dat daarvan slechts € 109,- is genoteerd, zegt verdachte: “Laat het dan op € 86,- houden”37. Dit alles laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat verdachte [verdachte W.] een groot deel van de omzet buiten de boeken hield.

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat ten name van verdachte [verdachte W.] opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiftes loonbelasting zijn gedaan. Verdachte [verdachte W.] heeft in zijn onderneming illegale vrouwen in dienst gehad en de door deze vrouwen verrichte werkzaamheden voor de belasting slechts zeer ten dele verantwoord met behulp van gefingeerde dienstverbanden. Zoals hiervoor bij feit 2 reeds werd overwogen, betreft dit een beproefde constructie die er naar haar aard toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven danwel afgedragen. Nu uit de in het dossier opgenomen aangiftes en loonheffinggegevens blijkt dat de fictieve werkneemsters [werknemer 1] en [werkneemster 5] reeds in de eerste aangifte van 5 november 2007 zijn opgevoerd, mag het er daarbij voor worden gehouden dat deze handelwijze zich heeft uitgestrekt over de periode van 5 november 2007 tot 2 oktober 2008.

Betrokkenheid verdachte

Nu met het voorgaande vaststaat dat in de tenlastegelegde periodes ten name van de verdachten [Y.] en [verdachte W.] opzettelijk onjuiste aangiftes loonbelasting en premie volksverzekering zijn gedaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte hierbij in strafrechtelijk relevante zin betrokken is geweest. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Vaststaat dat verdachte degene is geweest die in de periode van 23 januari 2007 tot en met 2 oktober 2008 ([salon A.] Salon/[Y.]) en in de periode van 5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008 (Salon [salon B.]/[verdachte W.]) de aangiftes loonbelasting heeft opgemaakt en ingediend. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij in het kader van die werkzaamheden hoofdzakelijk contact had met verdachte [verdachte X.] (zij het dat als het de Salon [salon B.] betrof, de verdachte [verdachte W.] daar meestal ook bij was) en dat de gegevens die hij voor het opmaken van de aangiftes nodig had, daarbij telkens door verdachte [verdachte X.] werden aangeleverd. Nadat hij in eerste instantie tegenover de SIOD al wel had verklaard dat hij zich afvroeg “of het allemaal wel klopte” 38, heeft hij uiteindelijk toegegeven dat hij zonder meer wist dat deze gegevens en daarmee de aangiftes onjuist waren. Verdachte is in de loop van 2006 met de verdachten [Y.], [verdachte X.] en [verdachte W.] in contact gekomen via zijn [vriendin], van wie hij op dat moment wist dat zij illegaal in Nederland verbleef en dat zij zowel in de [salon A.] Salon als in de Salon [salon B.] werkzaam was. [vriendin verdachte Z.] komt in de gehele periode(s) dat verdachte de aangiftes heeft verzorgd, niet terug in de administratie en in de aangiftes. Ondanks deze wetenschap is verdachte deze aangiftes blijven verzorgen39. Ter terechtzitting heeft verdachte dit alles desgevraagd nogmaals bevestigd en daarbij aangegeven dat hij daar eigenlijk ook niet veel kwaad in zag, omdat illegale werknemers nu eenmaal niet bestaan en het zijn ervaring is dat in ieder bedrijf wel in meerdere of mindere mate wordt gesjoemeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan reeds op grond van deze verklaringen worden geconcludeerd dat verdachte al vanaf het begin van zijn werkzaamheden zodanige wetenschap van en betrokkenheid bij de belastingfraude heeft gehad, dat hij als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. De rechtbank merkt hierbij op dat zij zich niet geheel aan de indruk kan onttrekken dat de betrokkenheid van verdachte mogelijk nog groter is geweest dan hij in zijn bekennende verklaring doet voorkomen.

Ten aanzien van feit 1:

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij het doen van een onjuiste/onvolledige belastingaangifte, zoals hierboven uit de weergegeven bewijsmiddelen is gebleken.

Niet iedere groep personen die samen misdrijven pleegt, kan worden aangemerkt als een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Om te kunnen spreken van een organisatie is nodig dat blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, hetgeen kan blijken uit gemeenschappelijke regels en doelstellingen, maar ook uit een zekere gelaagdheid van het samenwerkingsverband en/of een rolverdeling tussen en positie van de individuele deelnemers binnen het samenwerkingsverband.

Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij het plegen van de belastingfraude. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er ten aanzien van de verdachte sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met de andere medeverdachten. Verdachte werd slechts ingeschakeld voor het doen van onjuiste belastingaangiften. Van andere afspraken tussen verdachte en zijn medeverdachten of van enig andere rol van verdachte in de organisatie is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank maakte de verdachte derhalve geen deel uit van de organisatie.

De rechtbank acht mitsdien niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die het oogmerk had het plegen van misdrijven.

De rechtbank komt hiermee tot de volgende bewezenverklaring

4.4 De bewezenverklaring

2.

hij

in de periode van 23 januari 2007 tot en met 2 oktober 2008

te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over meerdere

tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met

30 september 2008, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk op

de bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljetten loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemde

tijdvakken telkens een te laag belastbaar bedrag opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting

werd geheven;

3.

hij

in de periode van 5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008

te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over meerdere

tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30

september 2008, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk op

de bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljetten loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over genoemde

tijdvakken telkens een te laag belastbaar bedrag aan opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting

werd geheven.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten gerequireerd tot een geldboete van € 5.000,- en tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren met een proeftijd van twee jaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft verzocht een werkstraf op te leggen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het onvolledig en onjuist invullen van belastingaangiften voor de [salon A.] salon te [A.] en de [salon B.] salon te [B.]. De rechtbank acht dit kwalijk, nu door het handelen van verdachte illegalen te werk konden worden gesteld en minder belasting hoefde te worden betaald. Verdachte was in deze constructie een onmisbare schakel. De rechtbank constateert dat de verdachte reeds vanaf het begin van de situatie op de hoogte was. Ter zitting is niet gebleken dat hij de volledige verantwoording wil nemen voor zijn daden, hetgeen de rechtbank hem aanrekent. Aan een belastingconsulent, zoals verdachte zichzelf ook noemde, mogen voor wat betreft de professionaliteit hoge eisen worden gesteld, te meer daar verdachte zich voor zijn werkzaamheden liet betalen.

Aldus heeft verdachte bijgedragen aan belastingfraude ten gevolge waarvan niet alleen de belastingdienst - en dus de gemeenschap - voor een bedrag is benadeeld maar ook de mogelijkheid is gecreëerd om illegaal in Nederland verblijvende vrouwen te laten werken in de salons. Voorts kunnen degenen wiens persoonsgegevens mogelijk zonder hun medeweten zijn misbruikt hierdoor de nodige problemen met instanties krijgen. Dit alles heeft verdachte niet van het plegen van voornoemde strafbare feiten weerhouden.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur meer passend en geboden dan een geldboete, zoals door de officier van justitie is geëist. Volgens het voorlichtingsrapport van de reclassering van 24 april 2009 is verdachte werkstrafgeschikt. Bij het bepalen van de hoogte van de werkstraf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte, zoals blijkt uit een op zijn naam staand uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank zal een deel van de werkstraf voorwaardelijk opleggen, opdat verdachte wordt gestimuleerd zich in de toekomst te onthouden van strafbare gedragingen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder

1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de dagvaarding onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2 primair en feit 3 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 90 (zegge: negentig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 45 (zegge: vijfenveertig) DAGEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 30 (zegge: dertig) uren niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 54 uren onvoorwaardelijke werkstraf resteren;

in verzekering gesteld op: 4 november 2008,

in vrijheid gesteld op: 7 november 2008.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rens, voorzitter,

Van Dorp en Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Dekker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009.

1 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB 14, blz. 319.

2 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 279,en Documenten, D5-1 t/m 13, blz. 1959 t/m 1973.

3 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D4-67 en 68, blz. 1936 en 1937.

4 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz 1677 en 1690;

5Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 278 en 279.

6 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1226.

7 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229 en 1230

8 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D34-3 t/m 8, blz 3844 t/m 2849.

9 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1231 t/m 1233.

10 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229.

11 Sociale inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, blz. 4

12 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251-1252 ([D.],), blz. 1246 ([N.],), blz. 1197 ([A.]);

13 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 ([A.]), blz. 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.]), 1236-1237([L.]), , blz.1246-1247 ([N.]).

14 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1353 en Aanvulling, proces-verbaal van verhoor, blz. 3285.

15 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Blz 1494

16 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte [Z.] blz 1694 en Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Morpheus aanvulling, blz 3291

17 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, uitgewerkte tapgesprekken sessie 220, blz. 2963.

18 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB14, blz. 319.

19 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer, 6640.2007.000.179 blz. 82 en Documenten, D5-3 t/m 13, blz. 1961 t/m 1973.

20 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten, D04-74 en 75, blz. 1943 en 1943.

21 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten D34-155 t/m 158, 160-161, 169, 174.

22 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1226 (B. [werknemer 1]);

23 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Morpheus aanvulling, blz 3295-3296;

24 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Morpheus aanvulling, blz 3297;

25 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB19, blz 332, Documenten, D4-9 t/m 11, blz.1880 t/m 1882.

26 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, uitgewerkte tapgesprekken sessie 121, blz. 2937;

27 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB33, blz. 372, en Documenten, proces-verbaal van bevindingen, D18-10 t/m 12, blz. 2322 t/m 2324;

28 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251([D.],), blz. 1255 ([O.]), blz. 1240 ([M.]), blz. 1235 ([L.]), blz. 1199 ([A.]);

29 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 ([A.]), blz 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.]), 1236-1237 ([L.]), blz 1241 ([M.]), blz 1246-1247 ([N.]), blz 1255-1256 ([O.]);

30 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D29-35 en 36, blz 2536 en 2537, en D34-16 t/m D34-23, blz 2859 t/m 2866;

31 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte [verdachte W.] blz 1610 en verklaring van verdachte [verdachte W.] ter terechtzitting;

32 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Doorzoeking en Inbeslagname, blz 1115;

33 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 457 en D30-4 t/m D30-33a;

34 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1250-1251 ([D.]), blz 1241 ([M.]), blz 1255-1256 ([O.])

35 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten, D29-35 blz 2536 en D29-36, blz 2537

36 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 2501, blz 3199

37 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 2519, blz 3201;

38 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1688 en 1674;

39 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1699;