Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1281

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
09/997113-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vier verdachten veroordeeld inzake het illegaal tewerkstellen, huisvesten en uitbuiten van Chinese werknemers in nagelstudio’s en massagesalons.

De drie hoofdverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 voorwaardelijk; een vierde verdachte werd 90 uur dienstverlening opgelegd waarvan 30 uur voorwaardelijk.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de smokkel, huisvesting van kwetsbare personen (illegale Chinezen) door hen onder andere in ruil voor voedsel en onderdak dan wel een zeer geringe geldelijke vergoeding lange werkdagen te laten maken in nagelstudio’s en massagesalons.

De werkzaamheden bestonden uit het verrichten van massage, doch ook het verrichten van seksuele handelingen, al dan niet in opdracht van de verdachten. Doordat de Chinezen illegaal in Nederland waren en zij vrijwel allemaal in China een schuld waren aangegaan om naar Nederland te kunnen komen, is door de verdachten misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin de betreffende personen verkeerden.

Daarnaast heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachten zich strafbaar hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Zij hebben gefraudeerd met de administraties van ondernemingen De werkzaamheden en inkomsten van buitenlandse werknemers zijn verder niet gemeld bij het UWV en de Belastingdienst. In plaats daarvan is gebruik gemaakt van zogeheten gefingeerde dienstverbanden: de gegevens van rechtmatig in Nederland verblijvende personen zijn gebruikt om loonaangifte te doen.

Het tenlastegelegde feit uitbuiting is niet bewezen verklaard vanwege het ontbreken van onvrijwilligheid tijdens de uitoefening van werkzaamheden.

BJ1279, BJ1280, BJ1281 en BJ1282

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997113-08

Datum uitspraak: 9 juni 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte Y.]

geboren te [geboorteplaats] (China) op [datum] 1981,

adres: [adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 februari 2009, 21 april 2009, 19 mei 2009, 20 mei 2009 en 26 mei 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Paulus en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen

aan een organisatie, bestaande uit onder andere [verdachte W.] en [verdachte X.], welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijke doen van onjuiste aangiften loonbelasting en/of

omzetbelasting (artikel 69 lid 2 Awr) en/of

- mensenhandel, door het misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of van een kwetsbare positie, waardoor een

ander(en) bewogen wordt/worden zich beschikbaar te stellen voor het verrichten

van arbeid en/of diensten en/of waardoor een ander(en) wordt/worden bewogen de

organisatie of personen binnen die organisatie te bevoordelen uit de opbrengst

van dier seksuele handelingen (artikel 273f lid 1 sub 4 en 9 WvSr) en/of

- mensensmokkel, waarbij aan personen, wier toegang tot of doorreis door

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is,

hulp wordt verleend bij die toegang of doorreis, terwijl daarvan een beroep

of gewoonte wordt gemaakt (artikel 197a lid 1 en 4)

- het uit winstbejag behulpzaam zijn aan personen, wier verblijf in Nederland

en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is, bij het

verschaffen van dat verblijf, terwijl daarvan een beroep of gewoonte wordt

gemaakt (artikel 197a lid 2 en 4 WvSr) en/of

- het tewerkstellen van illegale vreemdelingen en daarvan een beroep of

gewoonte maken (artikel 197 b en c WvSr);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chinese vrouw(en),

waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.] en/of

met één of meerdere van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van

Strafrecht genoemde middel(en), te weten

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van de kwetsbare positie van de bovengenoemde personen (vrouwen)

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of

diensten (sub 4), waarbij die arbeid en/of diensten hebben bestaan uit onder

meer werkzaamheden als masseuse in de [Salon A.] te [A.] en/of de

[salon B.] te [B.]

en/of

(telkens) bovengenoemde personen heeft bewogen tot het bevoordelen van hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s) uit de opbrengst van door bovengenoemde

personen verrichte seksuele handelingen met één of meer derden (sub 9)

waarbij dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of die

kwetsbare positie van genoemde personen blijkt uit de volgende omstandigheden:

de bovengenoemde personen zijn vrouwen van Chinese afkomst en

-verkeren zonder verblijfsstatus in Nederland en/of

-beschikken niet over legale identiteitspapieren en/of

-hebben grote schulden in China, waardoor terugkeer naar China door hen als

onmogelijk wordt ervaren en/of

-zijn (soms onder zeer slechte omstandigheden) na betaling van een grote som

geld naar Nederland c.q. Europa gesmokkeld door mensensmokkelaars vanuit

China en/of

-worden door deze mensensmokkelaars onder druk gezet om hun schulden af te

betalen en/of

-leiden in Nederland een geïsoleerd bestaan en hebben nauwelijks een sociaal

netwerk om op terug te vallen en/of

-hebben in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden dan door het

werk en/of de huisvesting van verdachte en/of zijn mededader(s) te aanvaarden,

waarbij dat misbruik hieruit bestaat dat

verdachte en/of zijn mededader(s) deze vrouwen:

-werk aangeboden hebben dat bestond uit het masseren van mannen en/of het

verlenen van seksuele diensten aan die mannen, althans werk dat die vrouwen

in andere omstandigheden niet of niet voor het door hen ontvangen loon zouden

hebben verricht en/of

- (tegen betaling) onderdak verschaften ofwel in één van de massagesalons

ofwel in één van de panden die verdachte en/of zijn mededader(s) hadden

gehuurd, waarbij dat onderdak niet voldeed aan een de eisen van redelijke

en/of menswaardige huisvesting,

-opdroegen waar zij op welk moment moesten werken en/of slapen en/of

-een lager loon betaalden dan zij aan legale werkneemsters hadden moeten

betalen, en dit de enige wijze was om de massagesalons financieel draaiend te

houden,

waarbij het bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van

genoemde personen daaruit bestond dat

genoemde personen van de opbrengst van de door hun verrichte seksuele

handelingen met één of meer derden in de massagesalons van verdachte en/of

zijn mededader(s) en/of daarbuiten een deel aan verdachte en/of zijn

mededader(s) moesten afstaan;

art 273f lid 1 ahf/sub 4, 9 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273a lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht

art 273a lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chine(e)s(e) perso(o)n(en), waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.]

(telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europse Unie, en/of

die/dat perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) (tegen) betaling) voor huisvesting van genoemd(e) perso(o)n(en)

gezorgd en/of

ervoor gezorgd dat die/dat perso(o)n(en) werk en/of inkomsten had(den),

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden, dat dat verblijf wederrechtelijk was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chine(e)s(e) perso(o)n(en),

waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.] en/of

die zich wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland had(den)

verschaft,

(telkens) krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf

wederrechtelijk waren/was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

art 197c Wetboek van Strafrecht

art 197b Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 30

september 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op

de/het bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemd(e)

tijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag

aan (te betalen) belasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type en/of taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad.

3. De dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging onder 3 nietig dient te worden verklaard nu noch uit de tenlastelegging, noch uit het strafdossier duidelijk wordt welke concrete gedragingen hem verweten worden, doordat niet geconcretiseerd is om welke aangifteformulieren en welke tijdsvakken het gaat en wat dient te worden verstaan onder “te laag”. De verdediging is van mening dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier duidelijk dat het hierbij gaat om het verwerken van (legale) werknemers in de administratie, terwijl de werknemers in die periode niet (meer) in de massagesalon van verdachte hebben gewerkt en dat verdachte wordt verweten dat hij vervolgens onder de namen van voormelde werknemers illegale werknemers heeft laten werken. Ter terechtzitting is gebleken dat het voor verdachte volstrekt helder is geweest tegen welke beschuldigingen hij zich had te verweren. Ook de raadsman van verdachte heeft gegeven de inhoud van zijn pleidooi blijk gegeven van begrip van de tenlastelegging.

4. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat het recht tot strafvervolging is vervallen nu verdachte alsnog een juiste en volledige aangifte kan doen, althans alsnog juiste en volledige inlichtingen kan verstrekken in de zin van artikel 69, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR), maar dat hij daar tot op heden geen mogelijkheid toe heeft gehad, vanwege zijn verblijf in detentie.

Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie werpt de rechtbank het verweer.

Het recht tot strafvervolging vervalt ingevolge artikel 69, lid 3, AWR, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, lid 1, AWR bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Uit het dossier is naar voren gekomen dat er vanaf 2006 tot 3 november 2008 verschillende instanties, waaronder de belastingdienst, controles hebben uitgevoerd bij de [Salon A. te A.] en de [salon B.] te [B.]. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment vóór zijn aanhouding op 3 november 2008 juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen heeft verschaft. Nu verdachte geen juiste en volledige aangifte heeft gedaan voordat de belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is geworden, kan het beroep op artikel 69, lid 3 AWR niet opgaan. De stelling van de verdediging dat verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad de aangifte te corrigeren, omdat het doen van de aangiftes was uitbesteed aan de heer [verdachte Z.], gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu verdachte de heer [verdachte Z.] heeft gemachtigd namens hem aangifte te doen en het verstrekken van de daartoe benodigde gegevens heeft overgelaten aan zijn partner, verdachte [X.] .

5. Het bewijs

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 1) en zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel (feit 2) en belastingfraude (feit 3).

De criminele organisatie bestond uit verdachte en ten minste twee anderen, te weten verdachte [W.] en verdachte [X.]. Ten aanzien van deze personen zou gesproken kunnen worden van een samenwerkingsverband. Ieder heeft een wezenlijk aandeel in de gedragingen gehad die strekken tot de verwezenlijking van de in de tenlastelegging genoemde oogmerken. De officier van justitie vordert dan ook dat de rechtbank dit onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigd bewezen verklaard.

Door het overwicht dat verdachte, verdachte [W.] en verdachte [X.] op de illegaal in Nederland verblijvende vrouwen hadden, gelet op de positie van de vrouwen en het verschaffen van werk en huisvesting door verdachten, hebben zij die vrouwen ook bewogen om de opbrengsten van door hen verrichtte seksuele handelingen met derden aan hen af te staan, zoals blijkt uit afgeluisterde tapgesprekken. De officier van justitie vordert bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit. In ieder geval blijkt uit de tapgesprekken dat het onder 2 subsidiair bewezen kan worden verklaard.

Gelet op het feit dat verdachte [X.] degene was die alle gegevens aan de boekhouder verstrekte, verdachte en verdachte [W.] de illegaal in Nederland verblijvende vrouwen te werk stelden en wisten dat voor deze vrouwen geen belasting werd afgedragen en verdachte de boekhouder had gemachtigd om namens hem aangifte te doen, geldt dat verdachte deze aangiften onjuist heeft gedaan. Ook feit 3 dient bewezen te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de deelneming aan een criminele organisatie bepleit. Naar de mening van de verdediging is niet voldaan aan de criteria van duurzaamheid en gestructureerdheid van het samenwerkingsverband. Niet blijkt van gemeenschappelijke regels, structuur en hiërarchie.

De verdediging heeft eveneens vrijspraak van betrokkenheid bij de mensenhandel bepleit, omdat er in de kern aangevoerd -zoals vervat in de pleitnota- geen sprake is van dwang. Het is nimmer de bedoeling geweest om de illegaal in Nederland verblijvende vrouwen uit te buiten. Daar de [salon A.] slechts op naam van verdachte staat en hij op geen enkele wijze is betrokken is bij exploiteren van de salon, dient verdachte ook van het tewerkstellen van de vrouwen te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen geen boete aan verdachte is opgelegd. Daarnaast kan op basis van een enkel tapgesprek niet worden vastgesteld of verdachte op de hoogte was van het onjuist en onvolledig doen van aangifte en dient verdachte ook van het hem onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken volgens de verdediging.

5.3 De beoordeling van de tenlastelegging

5.3.1. Stemherkenning

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat niet is vast te stellen of de stemherkenning van verdachte door de tolk en de verbalisanten daadwerkelijk verdachte betreft. De rechtbank verwerpt dit verweer op de navolgende gronden. De verdediging heeft op geen enkele wijze concreet aangegeven waarom de tolk en de verbalisanten zich zouden hebben vergist. Er is slechts betoogd dat vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stemherkenning, getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid daarvan. De verbalisanten en tolk die betrokken zijn geweest bij het onderzoek moeten naar het oordeel van de rechtbank echter in staat geacht worden stemmen te herkennen, daar zij gefocust waren op een beperkt aantal personen en gedurende een lange periode intensief doende waren met het uitluisteren van de vele gesprekken die in het kader van het onderzoek zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de kwantiteit, namelijk het uitluisteren van vele duizenden telefoongesprekken, waarvan in dit onderzoek sprake is geweest, de betrouwbaarheid van de stemherkenningen nog meer versterkt.

5.3.2. Bewijsmiddelen

De rechtbank zal alvorens feit 1 te bespreken, allereerst ingaan op de feiten 2 en 3.

Ten aanzien van feit 2:

Vrijspraak feit 2 primair

[A.] (1), [D.] (4), [H.] (8), [[L.]] (12), [M.] (13), [N.] (14) en [O.] (15) hebben allen verklaard dat zij illegaal in Nederland verbleven en dat verdachte

[X.] en verdachte [W.] dat wisten althans dat niet gevraagd was om papieren. Tevens hebben zij verklaard dat zij in de [Salon A. te A.] en de [salon B.] in [B.] werkten als masseuse op afroep tegen een loon van € 30,- per uur waarvan zij 6/10 deel afstonden aan de verdachten [X.] en [verdachte W.]. 1

Een aantal van hen verrichtte daarnaast ook seksuele diensten waarvoor de afspraken met de betreffende klant door verdachte voornoemde medeverdachten werden gemaakt en waarvan de opbrengst fiftyfifty met hen werden gedeeld.2

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen volgt dat betrokkenen werkten tegen een zeer laag uurtarief waarvan de verdachten [X.] en [verdachte W.] ook nog een onevenredig deel opeisten. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat hun illegaliteit voormelde vrouwen dwong tot het accepteren van deze werkzaamheden alsmede dat zij dit werk niet zouden hebben verricht, althans niet tegen het daarvoor ontvangen loon indien zij legaal in Nederland hadden verbleven, zodat in die zin sprake is van een zekere onvrijwilligheid. De betrokken vrouwen moesten immers overleven en onder die omstandigheden waren ze, zoals [[L.]] en ook [N.] ook hebben verklaard3, al blij als zij betalend werk gevonden hadden.

Echter niet is komen vast staan dat de verdachte en zijn medeverdachten hen daarnaast onderdak hebben verschaft dat niet voldeed aan de eisen van redelijke en menswaardige huisvesting. Daargelaten dat slechts drie van hen4 verklaren in de salon te hebben geslapen, bevat het dossier geen bewijsmiddelen dat die huisvesting niet voldeed in voormelde zin.

Evenmin is gebleken dat betrokkenen niet de vrijheid hadden om uit de arbeidssituatie te stappen. De enkele omstandigheid dat zij illegaal waren, is in dit verband onvoldoende. Immers, zoals [D.] ook heeft verklaard5, waren er andere manieren om geld te verdienen als ze in de salon van verdachte niet (meer) konden werken.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f lid 2 Sr zodat verdachte van hetgeen haar/hem onder 2 primair wordt verweten dient te worden vrijgesproken

Feit 2 subsidiair

Uit het dossier blijkt dat voornoemde vrouwen alsmede [G.] (7), [I.] (9), [J.] (10), [P.] (16) en [K.] (11) ten tijde van hun aanhouding op 3 november 2008 illegaal in Nederland verbleven6. Met betrekking tot laatstgenoemde vrouwen overweegt de rechtbank als volgt.

a. Een vrouw met de personalia [G., waarbij voornaam begint met X. ipv Y.], geboren op [datum] 1972 is op 3 november 2008 aangehouden in de [Salon A. te A.]. Zij heeft tegenover de SIOD ontkend dat zij daar werkzaam was als masseuse. Nu zij volgens haar eigen verklaring echter werd aangetroffen in die salon terwijl zij alleen met een haar onbekende man boven was,7 hecht de rechtbank geen geloof aan die verklaring. Uit het dossier blijkt verder dat een vrouw met de personalia [G.], eveneens geboren op [datum] 1972, bij een controle op 23 juli 2008 is aangetroffen in de woning aan [adres te A.]8. Deze woning werd tot die datum gehuurd door verdachte [Y.]9 en volgens de verklaring van [N.]10 ging je als er geen werk was in de salon naar deze woning in afwachting van een telefoontje dat er weer een klant was.

De rechtbank acht aannemelijk dat het hierbij gaat om één en dezelfde persoon genaamd [G.] zodat de omstandigheid dat zij ook staat vermeld als [G., waarbij voornaam begint met X. ipv Y.] dient te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

b. [I.], die is aangetroffen in de salon in [B.]11, heeft eveneens ontkend dat zij aldaar als masseuse werkzaam was. Ook aan deze verklaring hecht de rechtbank geen geloof. Volgens haar eigen verklaring werd zij ook “Wei Wei” genoemd12. Op een briefje dat is aangetroffen en onder verdachte [W.] in beslag is genomen, komt de naam “Wei” voor met daarachter een bedrag.13 Deze verwijzing kan naar het oordeel van de rechtbank op niets anders dan duiden op werkzaamheden van [K.] voornoemd als masseuse in de salon in [B.].14

c. Met betrekking tot [J.] blijkt uit het dossier dat zij als bijnamen Yang Yang en de Bril had en dat zij is aangetroffen in de woning aan de [adres] te [B.].15 Uit de verklaring van [M.] en [O.] volgt dat dit de woning van verdachte [W.] was waar de vrouwen die werkten in de salon in [B.] naar toe gingen als zij geen klant hadden. 16 Daarnaast bevat het dossier de weergave van een afgeluisterd telefoongesprek dat verdachte [W.] op 16 juli 2008 voert met een zekere [Q.]. Hieruit kan worden afgeleid dat

[J.] op dat moment aan het werk is in de salon. In een gesprek op 23 augustus 2008 vraagt verdachte [W.] aan [Q.] voornoemd haar te bellen en haar naar de salon te sturen om te werken.17 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook

[J.] als masseuse werkzaam is geweest in de salon in [B.].

d. Met betrekking tot [P.] overweegt de rechtbank dat verdachte [verdachte Z.] heeft verklaard dat zij illegaal in Nederland verbleef en in de salons in [B.] en [A.] heeft gewerkt als masseuse vanaf 2006 tot haar vertrek naar China in september/oktober 2008.18

e. Met betrekking tot [K.] overweegt de rechtbank dat zij heeft verklaard dat zij sinds mei 2008 als oppas werkzaam was voor verdachte [X.] en verdachte en in het kader daarvan 24 uur zorgde voor hun twee kinderen. Zij verdiende hiermee € 850,- per maand en kost en inwoning. Zij denkt dat verdachte [X.] wel wist dat zij illegaal was.19 Zij is samen met de kinderen aangetroffen op het adres Neherkade 1236 te Den Haag20, het adres waarop verdachte [X.] samen met één van de kinderen staat ingeschreven. In een afgeluisterd telefoongesprek van verdachte [X.] met de zus van verdachte op

21 juni 2006 zegt zij dat de oppas € 850,- per maand kost maar dat dat het waard is.21 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte [X.] dat niet [K.] voornoemd maar [iemand anders] op de kinderen past, dat zij dat alleen doet als het druk is en dat zij niet voor wordt betaald, kennelijk leugenachtig.

Verder blijkt uit het dossier dat sprake was van een vergaande samenwerking tussen verdachte [X.] en verdachte [W.] met betrekking tot de beide massagesalons. Zo verklaren [A.], [D.] [[L.]] en [N.] dat zij zowel in [B.] als [A.] werkten en geeft verdachte [Z.] aan dat ook [P.] in beide salons als masseuse werkte.22 Daarnaast blijkt die samenwerking ook uit afgeluisterde telefoongesprekken. In een telefoongesprek op 18 april 2008 geeft verdachte [X.] tegenover een onbekend gebleven man aan dat zij in de salon in [A.] 7 vrouwen heeft werken die het totaal doen en dat als de vrouw die voormelde man aanbeveelt, het niet totaal wil doen, zij bij haar broer (rechtbank lees: [verdachte W.]) beneden kan werken. Ook is er een gesprek op 5 mei 2008 waarin verdachte [X.], die belt naar het nummer van de salon in [B.], [D.] (rechtbank: d.i. [D.]) vraagt met [M.] (rechtbank: d.i. [M.]) en [R.] naar de salon in [A.] te komen omdat bij haar drie Chinezen worden verwacht die een algehele massage willen hebben. In dezelfde lijn ligt het gesprek op 23 augustus 2008 waarbij verdachte [W.] belt naar een onbekend gebleven vrouw en haar vraagt een meisje op te halen in de salon in [A.] en samen naar [B.] te komen omdat twee buitenlanders zullen komen voor een massage.

Daarnaast zijn er telefoongesprekken tussen verdachte [X.] en verdachte [W.] vastgelegd waarin gesproken wordt over het aanpakken van masseuses als ze niet op tijd zijn of niet akkoord gaan met de huisregels, waarin wordt overlegd over een nieuw, illegaal, meisje uit Frankrijk en de condities waaronder zij bij beide salon werkzaam zal kunnen zijn en waarin overlegd wordt nadat een controle heeft plaatsgevonden in de salon in [A.]. Ook is er overleg over een kamer die door [verdachte W.] zal worden gehuurd maar die maar 15m2 is en waarbij [X.] aangeeft dat hij die kamer moet nemen en dat de kamer in de winter dienst kan doen als onderdak voor werksters als [D.] (= [D.]).23

Vast staat dat de [salon A.] bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als eenmanszaak die in [A.] is gevestigd met ingang van 25 mei 2005 en die gedreven wordt voor rekening van verdachte.24 [A.] en [[L.]] noemen hem expliciet als één van hun bazen en hetzelfde geldt voor [K.]. 25 Daarnaast blijkt uit het dossier dat met betrekking tot de massagesalon vanaf 2006 meerdere controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst hebben plaatsgevonden waarbij illegale vrouwen zijn aangetroffen en/of vrouwen gehaast het pand verlieten zonder dat hun identiteit kon worden vastgesteld. Bij de bedrijfsbezoeken van de belastingdienst op

22 september 2006, 13 oktober 2006, 2 februari 2007, en 7 maart 2007 alsmede bij de controle door de Vreemdelingenpolitie op 12 juli 2007 was verdachte in de ontvangstruimte van de salon aanwezig, steeds in gezelschap van verdachte [X.] terwijl op laatstgenoemde datum ook verdachte [W.] naast hem op de bank zat.26 Daarnaast bevindt zich in het dossier de weergave van twee afgeluisterde tapgesprekken waaruit kan worden afgeleid dat ook verdachte vrouwen belt met de mededeling dat een klant op hen wacht27. Tegenover de politie heeft verdachte [X.] verder verklaard dat zij verdachte hielp in de salon28. Gezien dit alles is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de praktijk zodanig betrokken was bij de activiteiten van zijn medeverdachten en daarmee bij het reilen en zeilen van de salon in [A.] en in [B.] dat hij als medepleger ter zake van de verweten gedragingen aansprakelijk gehouden kan worden.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat verdachte, verdachte [X.] en verdachte [W.] het wederrechtelijke verblijf van de betrokken vrouwen hebben bevorderd en gemakkelijk hebben gemaakt door hen voor zich te laten werken en daarvoor, hoe gering ook, een vergoeding te betalen alsmede dat zij dit gedaan hebben met het oogmerk om daar zelf financieel beter van te worden. Tevens volgt uit voormelde bewijsmiddelen dat verdachte van de hem verweten activiteiten, gelet op de omvang en de onderlinge verwevenheid ervan in verband met de exploitatie van de massagesalons, een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 3:

Zoals hiervoor bij de beoordeling van feit 2 reeds werd vastgesteld, is verdachte blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel op 25 mei 2005 aan de [adres te A.] een nagelstudio annex massagesalon begonnen. Deze onderneming betreft een eenmanszaak die wordt gedreven onder de naam [Salon A.]29.

Bij het UWV zijn in het kader van deze onderneming vanaf 1 september 2005 dienstverbanden aangemeld met onder meer de volgende werknemers:

- [werkneemster 1], geboren [datum]1974

- [werkneemster 2], geboren [datum]1983

- [werkneemster 3], geboren [datum]1983

- [werkneemster 4], geboren [datum]1977 30

De aangiften loonbelasting (en omzetbelasting) van verdachte zijn tot medio 2006 verzorgd door [administratiekantoor]. Hierna zijn deze werkzaamheden overgenomen door verdachte [verdachte Z.]. Volgens opgave van de Belastingdienst zijn ten name van verdachte vanaf januari 2006 periodiek aangiften loonheffing en loonheffingsgegevens aan de Belastingdienst toegezonden over de tijdvakken februari 2006 tot en met september 2008 31. Deze aangiften en loonheffingsgegevens betreffen gedurende de periode februari 2006 tot en met september 2007 in elk geval steeds [werkneemster 1]32. Volgens de beschikbare kasstaten en salarisstroken werd het loon maandelijks achteraf betaald.

[werkneemster 1] heeft verklaard dat zij nimmer in de [salon A.] heeft gewerkt en dat zij ook nimmer enige (loon)betaling van verdachte heeft ontvangen. Geconfronteerd met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbetaalde tijd, heeft zij verklaard dat stuk niet te kennen en dat de daarop gestelde handtekening niet haar handtekening is. Wel is het volgens haar zo dat zij in het verleden op voorstel van verdachte [X.] bij verdachte op de loonlijst is gezet teneinde op papier genoeg te verdienen om verdachte [W.], met wie zij getrouwd is, naar Nederland te kunnen laten komen. Dit zou dan weer stoppen zodra haar man in Nederland zou zijn, maar kennelijk is dit niet gebeurd, aldus [werkneemster 1] 33.

Anders dan [werkneemster 1] heeft [werkneemster 2] verklaard dat zij wel in de [Salon A.] werkzaam is geweest. Volgens haar verklaring is zij daar begonnen in september 2006 als schoonmaakster en masseuse op basis van een arbeidscontact, waarin stond dat zij 40 uur per week zou werken. Zij heeft echter nimmer 40 uur per week gewerkt 34. Tijdens haar verhoor is [werkneemster 2] onder meer geconfronteerd met de kasstaten van november 2006, januari 2007 en juni 200735. Naar aanleiding hiervan heeft zij verklaard dat de daarin opgenomen loonbetalingen niet kloppen36. Voorts heeft zij verklaard dat zij [werkneemster 1] kent omdat zij ook in de [Salon A.] werkte. Deze verklaring heeft zij vervolgens echter afgezwakt: Volgens [werkneemster 2] is zij een keer voorgesteld aan een meisje dat [werkneemster 1] zou heten. Zij heeft dat meisje hierna nooit zien werken37. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de hiervoor weergegeven verklaring van [werkneemster 1], zodat het ervoor moet worden gehouden dat het zowel bij haar als bij [werkneemster 2] gaat om een al dan niet deels fictief dienstverband.

Zoals bij de beoordeling van feit 2 aan de orde is geweest, hebben met betrekking tot de [Salon A.] meerdere controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst plaatsgevonden, waarbij illegale vrouwen werden aangetroffen en/of vrouwen gehaast het pand verlieten zonder dat hun identiteit kon worden vastgesteld. Bij de invallen op

3 november 2008 zijn opnieuw Chinese vrouwen aangetroffen die illegaal in Nederland bleken te verblijven. Van deze vrouwen hebben er meerdere verklaard dat zij regelmatig dan wel af en toe in [Salon A.] werkten.

Van deze vrouwen verklaren er verder vijf dat per massage met de werkgever werd afgerekend. Een massage van een uur kostte € 30,-, waarvan de masseuse € 12,- kreeg. Dit bedrag werd direct uitbetaald 38. De rechtbank stelt vast dat geen van deze vrouwen bij het UWV is aangemeld en dat voor geen van hen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Voorts stelt zij vast dat deze betalingen ook niet in de in beslag genomen kasstaten zijn terug te vinden.

Verdachte heeft verklaard dat de [Salon A.] weliswaar van hem is, maar dat zijn vriendin, verdachte [X.], de zaak runde. Zij inde het geld van de klanten, deed de boekhouding en regelde de belasting. Volgens verdachte bemoeide hij zich verder nergens mee en hij tekende alles wat verdachte [X.] aan hem voorlegde 39. Verdachte [X.] heeft weliswaar ontkend dat zij de baas over de salon was, maar heeft wel bevestigd dat zij de administratie van de salon voerde en de contacten met de boekhouder onderhield. Zij heeft verklaard dat zij de inkomsten en uitgaven bijhield in een agenda en dat zij aan het eind van de dag aan de hand van deze agenda de kasstaat bijwerkte. Deze kasstaten leverde zij maandelijks in bij de boekhouder. Zij vertelde hem dan ook hoeveel uren iemand had gewerkt. Deze uren wist zij uit haar hoofd. Zij schreef deze vlak voor de afspraak met boekhouder op een briefje en gooide dit briefje na deze bespreking weer weg. 40

Verdachte [Z.] heeft verklaard dat hij de voor zijn werkzaamheden benodigde gegevens altijd van verdachte [X.] aangeleverd kreeg. Verdachte [X.] regelde volgens hem altijd de zaken. Zij gaf aan hem door welke mensen er in dienst waren getreden en tegen welk loon en voor hoeveel uur deze mensen gingen werken. Verdachte [verdachte Z.] zag deze mensen niet, maar maakte aan de hand van de informatie van verdachte [X.] een contract. Als verdachte [X.] tussentijds geen wijzigingen had doorgegeven maakte hij vervolgens op basis van de informatie in de contracten iedere maand automatisch loonstroken en aangiften loonbelasting op. Deze verklaring vindt steun in een getapt telefoongesprek van 1 mei 2008, waarin verdachte [X.] verdachte [verdachte Z.] laat weten dat de “papieren [mevrouw]” moet stoppen omdat de belasting te veel wordt en dat er een nieuwe mevrouw moet beginnen. Deze mevrouw moet voor 500 (euro) op de loonlijst bij de salon van verdachte [W.] en voor 700-800 (euro) bij haarzelf ([Salon A.]).

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank in elk geval wettig en overtuigend bewezen dat ten name van verdachte opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiftes loonbelasting zijn gedaan. In de onderneming van verdachte zijn illegale vrouwen werkzaam geweest en de door deze vrouwen verrichte werkzaamheden zijn slechts zeer ten dele verantwoord via dienstverbanden met legale werknemers, waarbij geldt dat ten minste één van die dienstverbanden geheel fictief was ([werkneemster 1]) en dat van tenminste één dienstverband ([werkneemster 2]) kan worden vastgesteld dat dit weliswaar niet fictief was, maar tevens werd gebruikt om uren te kunnen wegschrijven. Deze handelwijze betreft een beproefde constructie die er naar haar aard toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven dan wel afgedragen. De rechtbank acht daarbij bewezen dat deze fraude zich heeft uitgestrekt over de periode van 29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008. Uit de door de Belasting verstrekte informatie blijkt immers dat op 29 maart 2006 voor het eerst aangifte loonbelasting gedaan voor de werkneemster [werkneemster 1], van wie vaststaat dat zij feitelijk nooit voor verdachte heeft gewerkt. De laatste aangifte namens verdachte dateert van

2 oktober 2008. Uit het voorgaande komt voorts naar voren dat het in de eerste plaats verdachte [X.] is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan deze belastingfraude. Verdachte [X.] hield immers de administratie bij en onderhield daarnaast de contacten met de boekhouder, die op basis van de door haar aangeleverde gegevens en informatie de belastingaangiftes verzorgde. De rechtbank is van oordeel dat ook verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Als eigenaar van de onderneming en belastingplichtige was het de verantwoordelijkheid van verdachte ervoor zorg te dragen dat juist en tijdig aangifte werd gedaan en zich in dat verband op de hoogte stellen van de geldende regelgeving. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor bewezen heeft verklaard omtrent zijn betrokkenheid bij feit 2 was verdachte er zonder meer van op de hoogte dat in zijn onderneming illegale vrouwen werkzaam waren. Op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte actie heeft ondernomen om dit in elk geval voor de belastingen juist te verantwoorden. Uit zijn eigen verklaringen blijkt integendeel dat hij zich geheel en welbewust afzijdig heeft gehouden en dit verder helemaal aan verdachte [X.] en de boekhouder heeft overgelaten.

Voor zover al niet kan worden aangenomen dat verdachte simpelweg op de hoogte was van de belastingfraude moet de conclusie dan ook zijn dat hij aldus minst genomen welbewust de reële kans heeft aanvaard dat er op zijn naam onjuiste belastingaangiften werden gedaan. De ten laste gelegde opzet van verdachte op het medeplegen van de hiervoor omschreven belastingfraude is daarmee gegeven.

Ten aanzien van feit 1:

Hierboven (zie de bespreking van feit 2) zijn de bewijsmiddelen opgenomen op grond waarvan de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland van een twaalftal personen door ervoor te zorgen dat deze personen werk en inkomsten hadden, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was. Tevens zijn hierboven (zie de bespreking van feit 3) de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat verdachte met anderen betrokken is geweest bij het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiftes.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit medeplegen een samenwerkingsverband oplevert in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (verder Sr).

Zoals hiervoor bij beoordeling van de feiten 2 en 3 ook al aan de orde is gekomen, blijkt uit de verklaringen van de getuigen [D.] (4), [N.] (14) en [A.] (1) dat zowel verdachte [X.] als verdachte als bazen van de [salon A.] werden gezien.41 Zowel verdachte [X.] als verdachte gaven aan de vrouwen opdrachten.42 De getuigen [D.], [O.], [M.], [L.], [I.] en [A.] noemen verdachte [W.] als baas van de [salon B.].43 Verdachte [X.] heeft vrouwen gevraagd te helpen bij de salon van [verdachte W.] in [B.].44 Enkele vrouwen hebben zowel gewerkt in de [Salon A. te A.] als in de [salon B.] in [B.].45 De vrouwen die zijn aangetroffen in de salons, hebben verklaard dat de afspraak was dat als er geen klanten waren, zij de salon moesten verlaten, omdat het een risico was in de salon te blijven zonder status.46 Dit gold voor beide salons.

De beloning die de meisjes ontvingen was in beide salons gelijk: € 12,- voor de vrouw en

€ 18,- voor de baas.47 Indien seksuele diensten werden verricht, werd in beide salons de opbrengst fiftyfifty met verdachte gedeeld.48

Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte [X.] en verdachte [W.] veelvuldig met elkaar contact hadden en blijkt dat – indien nodig – over en weer vrouwen naar elkaar werden gestuurd.49 Tevens blijkt uit telefoongesprekken dat vrouwen voor beide salons werden aangenomen en dat er afspraken over prijzen voor bepaalde diensten en over het huren van een kamer werden gemaakt.50 Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat door verdachte [X.] daarbij geregeld aanwijzingen werden gegeven aan verdachte [W.].51

Uit deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte [X.] degene is geweest die de dagelijkse leiding over de [Salon A. te A.] uitoefende. Zij gaf daarnaast ook sturing aan verdachte [W.], die de dagelijkse leiding over de salon in [B.] uitoefende. De rechtbank wijst in dit verband ook op de gedetailleerde wijze waarop verdachte [X.] aan verdachte [W.] aangeeft hoe hij met bepaalde situaties moet omgaan, te weten het beantwoorden van vragen van de Belastingdienst en het omgaan met de vrouwen die voor hem werken.

Uit het dossier blijkt dat verdachte [W.] daarnaast betrokken was bij het aantrekken van vrouwen voor beide salons.

De onderlinge samenwerking blijkt ook uit de uitwisseling van vrouwen, het elkaar geven van tips en het waarschuwen voor controles van de belastingdienst. De intensiteit waarmee binnen de ten laste gelegde periode onderling werd gebeld en de inhoud van die gesprekken, dragen alleen maar bij aan deze conclusie.

Uit verschillende tapgesprekken en uit getuigenverklaringen blijkt dat de rol van verdachte groter is dan hij doet voorkomen. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting zijn rol in het geheel gebagatelliseerd. Wel heeft hij verklaard dat hij eigenaar is van de [salon A.] en dat hij stukken heeft ondertekend. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en hij dit oogmerk op enigerlei wijze ondersteunt. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven. Dat verdachte heeft gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van het doen van onjuiste belastingaangiften, in welke stelling de rechtbank verdachte overigens niet volgt, is derhalve niet van belang. De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist dat er illegale vrouwen in de salons werkzaam waren en dat de belastingaangiften onjuist en onvolledig werden ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij de gezagsverhouding en het (doen) geven van aanwijzingen en instructies aan medewerkers duidelijk waren. Er werd naar het oordeel van de rechtbank onder het mom van het leiden van twee nagelstudio’s/massagesalons getracht door middel van het plegen van strafbare feiten zoals belastingfraude en het uit winstbejag anderen behulpzaam zijn bij een wederrechtelijk verblijf in Nederland, geldelijk gewin te verkrijgen.

In de visie van verdachte en zijn medeverdachten was het met winst exploiteren van de salons immers alleen mogelijk met tewerkstellen van illegale werknemers en onjuiste opgave van de inkomsten aan de belastingdienst. Daarmee staat vast dat verdachte [X.], verdachte [W.] en verdachte het oogmerk op het plegen van misdrijven hadden.

Gelet op de bewezenverklaarde periode, de gemeenschappelijke regels in de salons en de bestendige betrokkenheid van de drie personen is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van mensenhandel en mensensmokkel. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van mensenhandel, komt de rechtbank eveneens niet toe aan een bewezenverklaring van mensenhandel in georganiseerd verband. Ten aanzien van de mensensmokkel overweegt de rechtbank dat het dossier weliswaar sterke aanwijzingen bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte,

verdachte [X.] en verdachte [W.] daartoe plannen hadden en ook daadwerkelijk bezig waren met het smokkelen van personen vanuit China naar de Europese Unie (onder andere via Marokko), maar uit het dossier komen geen concrete gegevens naar voren waaruit blijkt dat deze smokkel en de plannen daarvoor zich in een dermate vergevormd stadium bevonden dat gesproken kan worden van een gestructureerd samenwerkingsverband daartoe.

5.4 De bewezenverklaring

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en [B.] heeft deelgenomen

aan een organisatie, bestaande uit onder andere [verdachte W.] en [verdachte X.], welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijke doen van onjuiste aangiften loonbelasting en

omzetbelasting en

- het uit winstbejag behulpzaam zijn aan personen, wier verblijf in Nederland

wederrechtelijk is, bij het verschaffen van dat verblijf,

terwijl daarvan een beroep of gewoonte wordt gemaakt en

- het tewerkstellen van illegale vreemdelingen en daarvan een beroep of

gewoonte maken;

2 subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en [B.] tezamen en in vereniging met anderen,

telkens meerdere Chinese personen, te weten

1. [A.] en

4. [D.] en

7. [G.] en

8. [H.] en

9. [I.] en

10. [J.] en

11. [K.] en

12. [L.] en

13. [M.] en

14. [N.] en

15. [O.] en

16. [P.]

telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland en die personen daartoe telkens gelegenheid en middelen

heeft verschaft,

immers hebben verdachte en haar mededaders

telkens ervoor gezorgd dat die personen werk en inkomsten hadden,

terwijl verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat dat verblijf

wederrechtelijk was en van bovenomschreven feit een beroep of gewoonte

hebben gemaakt;

3.

hij in de periode van 29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008

te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte,

als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over meerdere

tijdvakken gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 30

september 2008, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk op

de bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljetten loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemde

tijdvakken telkens een te laag belastbaar bedrag aan opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting

werd geheven.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8. De straf/maatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven, voor deelname aan de criminele organisatie, mensenhandel en de belastingfraude. Indien de verdachte wordt vrijgesproken van de mensenhandel zal volgens de officier van justitie aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden moeten worden opgelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging subsidiair aangevoerd dat geen straf op zijn plaats is, daar het niet eerder ingrijpen door de belastingdienst niet ten nadele van de verdachte dient te komen. De overheid heeft de salon een aantal malen gecontroleerd, waarbij illegalen werden geconstateerd. De overheid heeft in deze gevallen nagelaten bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke boetes op te leggen. Hiermee is een onjuist of onduidelijk signaal aan verdachte afgegeven. Voorts dient volgens de verdediging bij de strafmaat ten voordele van verdachte rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat een deel van het dossier eerst bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is ontvangen. De door de officier van justitie geëiste straf is niet proportioneel.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het niet eerder ingrijpen van de belastingdienst overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de massagesalons vanaf 2006 meerdere controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst hebben plaatsgevonden. Bij de controle door de Belastingdienst op 22 september 2006, 13 oktober 2006 en 2 februari 2007 zijn geen illegalen aangetroffen. Op 7 maart 2007 daarentegen wel. Ook bij de controle door de vreemdelingendienst op 12 juli 2007 is in ieder geval één illegale vrouw aangetroffen.

Op 24 januari 2008 heeft de officier van justitie opdracht gegeven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek door de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD). In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de [salon A.] van 5 februari 2008 tot en met 25 februari 2008 onder stelselmatige cameraobservatie gestaan. Vanaf 21 februari 2008 is ook een aantal telefoonnummers getapt en is het onderzoek uitgebreid naar massagesalon [B.]. Op 18 april 2008 is door de Belastingdienst nogmaals, buiten medeweten van de SIOD een waarneming ter plaatse gedaan en op 23 juli 2008 een controle door de gemeente, wederom buiten medeweten van de SIOD. Uiteindelijk worden de verdachten op 3 november 2008 aangehouden.

Het voorgaande rechtvaardigt niet de conclusie dat de Belastingdienst, de vreemdelingenpolitie, de gemeente en de SIOD met opzet het strafbaar handelen van verdachte hebben laten voortduren en dat de overheid aldus het handelen van verdachte heeft gedoogd. Na een aantal signalen is een strafrechtelijk onderzoek jegens verdachte en zijn mededaders aangevangen. Aan het toevoegen aan het dossier van de resultaten van de nadien buiten medeweten van de SIOD plaatsgevonden controles, staat niets in de weg. Het staat het openbaar ministerie vrij om in onderhavige zaak te kiezen voor strafrechtelijk ingrijpen boven bestuurlijk ingrijpen. Nu niet is gebleken dat de Belastingdienst ter zake reeds een boete heeft opgelegd, is het recht tot strafvervolging niet vervallen.

Het is voldoende aannemelijk geworden dat de aanvullende processtukken door de officier van justitie zijn verstrekt, maar de verdediging niet vóór de datum van de inhoudelijke behandeling hebben bereikt. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting op 19 mei 2009 is door de rechtbank aan de verdediging een kopie van het aanvullende processtuk overlegd en heeft de raadsman gelegenheid gekregen om kennis te kunnen nemen van de inhoud van het stuk en dit te bespreken met verdachte. De rechtbank is vervolgens met toestemming van de verdediging, die op dit punt geen voorbehoud heeft gemaakt, voortgegaan met de behandeling van de zaak. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafvermindering voor zover dit verweer is gevoerd, nu verdachte niet in zijn verdedigingsbelangen geacht moet worden te zijn geschaad.

De rechtbank onderkent dat thans sprake is van een situatie dat personen met een Chinese nationaliteit die niet in het bezit zijn van geldige papieren, niet kunnen worden uitgezet naar China en daarom noodgedwongen in Nederland verblijven zonder dat zij de beschikking hebben over legale middelen van bestaan. Dit geldt ook voor de vrouwen die illegaal werkzaam waren in de salons. Dit is een betreurenswaardige situatie, maar het gevolg van politieke keuzes die op zichzelf niet ter toetsing aan de rechtbank voorliggen. Dit laat echter onverlet dat verdachte en zijn mededaders van deze situatie hebben geprofiteerd door deze vrouwen tegen een, naar Nederlandse begrippen zeer schamel salaris te laten werken.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een periode van meerdere jaren deel uitgemaakt van een criminele organisatie die onder andere tot doel had het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften en het huisvesten en te werkstellen van illegaal in Nederland verblijvende vrouwen in de [Salon A. te A.] en de [salon B.] te [B.].

Verdachte is, samen met anderen, een twaalftal illegaal in Nederland verblijvende vrouwen behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland. De hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van gelegenheid en middelen door aan de vreemdelingen werk en/of woonruimte te verschaffen. De illegaal in Nederland verblijvende vrouwen waren werknemers van de salons tegen een zeer geringe (uur)vergoeding. Bij dit alles heeft verdachte slechts het oog gehad op zijn eigen gewin. Een dergelijk handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen - in het bijzonder het belang bij een menswaardige behandeling - ondergeschikt worden gemaakt aan het persoonlijke financiële belang.

De door de verdachte bij de Belastingdienst opgegeven namen waren van personen die in werkelijkheid in het geheel niet of niet gedurende de genoemde uren voor de salons hebben gewerkt. Verdachte heeft originele registraties van de gewerkte uren van de personen die daadwerkelijk hadden gewerkt opzettelijk niet aan de Belastingdienst doorgegeven. Door aldus te handelen is een door de verdachten een constructie ontstaan waarin illegaal in Nederland verblijvende vrouwen, die niet konden worden verantwoord in de loonadministratie bij de Belastingsdienst, op papier werden vervangen door anderen en heeft daarmee willens en wetens de Belastingdienst misleid.

Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen documentatieregister is verdachte in het verleden wel eerder veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.

Op grond van voornoemde overwegingen acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank heeft kennis genomen van de proceshouding van verdachte ter zitting. Door diens uitlating dat –kort gezegd- hij geen enkele betrokkenheid had bij de salons, wordt de rechtbank gesterkt in haar oordeel dat verdachte geen inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de kans op herhaling vrij groot en zal daarom een fors gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140, 197a van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder

2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de dagvaarding onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl dat feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, deze opzettelijk onjuist en onvolledig verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (zegge: achttien) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 9 (zegge: negen) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 4 november 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 7 november 2008.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rens, voorzitter,

Van Dorp en Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Dekker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009.

1 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 (A.Han), blz 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.]), 1236-1237 ([[L.]]), blz 1241 ([M.]), blz 1246-1247 ([N.]), blz 1255-1256 ([O.])

2 Idem blz 1252 ([D.]), blz 1236 ([L.]) en blz 1241-1242 ([M.])

3 Idem blz 1236 ([H.]) en blz 1247 ([N.])

4 Idem blz 1251 ([D.]), blz 1237 ([[L.]]) en blz 1241 ([M.])

5 Idem blz 1251

6 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 485

7 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1204

8 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 11 en Documenten (2) blz 2377

9 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 490.

10 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1246

11 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

12 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1211 e.v.

13 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten (3) blz 2761 e.v.

14 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten (3) blz 2890

15 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

16 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1242 en blz 1255

17 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessienummer 419 en sessienummer 1089

18 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte blz 1674

19 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1219

20 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

21 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, uitgewerkte tapgesprekken sessie 46, blz 2917

22 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1199 (A.Han), blz 1251 ([D.]), blz 1236 ([[L.]]), blz 1246 ([N.]) en Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte blz. 1674

23 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 140, blz. 2944, sessie 252, blz. 2967, sessie 1092, blz 3087, sessie 61, blz 2919, sessie 2995, blz. 3211, sessie 1705, blz. 3147, sessie 140, blz. 2943 en sessie 990, blz. 3075.

24 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz. 319

25 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz. 1194 (A.Han), 1236-1237 ([[L.]]) en 1219 ([K.]).

26 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten (1), rapport inzake bedrijfsbezoek blz. 1919-1920, blz 1907-1912, blz 1914-1917 en blz 1925-1926, blz 1932-1935 alsmede proces-verbaal van bevindingen blz. 1805

27 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, uitgewerkte tapgesprekken sessie 121 blz 2935 en sessie 879 blz 3063

28 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, proces-verbaal verhoor blz 1476

29 Zie voetnoot 35

30 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 279,en Documenten, D5-1 t/m 13, blz. 1959 t/m 1973.

31 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D4-67 en 68, blz. 1936 en 1937.

32Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 278 en 279.

33 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1226.

34 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229 en 1230

35 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D34-3 t/m 8, blz. 3844 t/m 2849.

36 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1231 t/m 1233.

37 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229.

38 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz. 1197 ([A.]), blz. 1250-1251 ([D.]), blz. 1207-1208 ([H.]), 1236-1237([[L.]]), blz.1246-1247 ([N.]).

39 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1353 en Aanvulling, proces-verbaal van verhoor, blz. 3285.

40 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Blz 1494.

41 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251-1252 ([D.],), blz. 1246 ([N.],), blz. 1197 ([A.]);

42 Idem blz. 1197 ([A.]), Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessie 121, blz. 2935 en sessie 879, blz. 3063;

43 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251([D.],), blz. 1255 ([O.]), blz. 1240 ([M.]), blz. 1235 ([[L.]]n), blz 1211 ([I.]), blz. 1208 ([H.]), blz. 1199 ([A.]);

44 Idem blz 1246 ([N.]), blz. 1199 ([A.]);

45 Idem blz 1251 ([D.]), blz 1246 ([N.]), blz 1236 ([[L.]]n), blz 1199 ([A.]);

46 Idem blz 1256 ([O.] t.a.v. [salon B.]), blz 1251-1252 ([D.] t.a.v. de [salon B.]), blz. 1246 ([N.] t.a.v. [salon A.]), blz. 1242 ([M.] t.a.v. [salon B.]), blz. 1208 ([H.] t.a.v. de [salon A.]);

47 Idem blz 1255 ([O.] t.a.v. [salon B.]), blz. 1252 ([D.] t.a.v. [salon A.]), blz. 1246 ([N.] t.a.v. [salon A.]), blz. 1241 ([M.] t.a.v. [salon B.]), blz 1236 ([[L.]] t.a.v. [salon B.]), blz 1208 ([H.] t.a.v. [salon A.]), blz. 1197 ([A.] t.a.v. [salon A.])

48 Idem blz. 1252 ([D.] t.a.v. [salon B.]), blz 1236 ([[L.]] t.a.v. [salon A.]), blz. 1241-1242 ([M.] t.a.v. [salon B.])

49 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessie 252, blz. 2967; sessie 439, blz. 3005

50 Idem sessie 252, blz. 2967, sessie 438, blz. 3004, sessie 163, blz. 2946, sessie 990, blz. 3074, sessie 1703,

blz. 3146, sessie 1705, blz. 3147, sessie 1709, blz. 3148, sessie 2226, blz. 3193

51 idem sessie 990, blz. 3074; sessie 438, blz. 3004; sessie 1705, blz. 3147; sessie 121, blz. 2936-2937; sessie 143, blz. 2945; sessie 2995, blz. 3211