Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1280

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
09/997131-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft vier verdachten veroordeeld inzake het illegaal tewerkstellen, huisvesten en uitbuiten van Chinese werknemers in nagelstudio’s en massagesalons.

De drie hoofdverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 voorwaardelijk; een vierde verdachte werd 90 uur dienstverlening opgelegd waarvan 30 uur voorwaardelijk.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de smokkel, huisvesting van kwetsbare personen (illegale Chinezen) door hen onder andere in ruil voor voedsel en onderdak dan wel een zeer geringe geldelijke vergoeding lange werkdagen te laten maken in nagelstudio’s en massagesalons.

De werkzaamheden bestonden uit het verrichten van massage, doch ook het verrichten van seksuele handelingen, al dan niet in opdracht van de verdachten. Doordat de Chinezen illegaal in Nederland waren en zij vrijwel allemaal in China een schuld waren aangegaan om naar Nederland te kunnen komen, is door de verdachten misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin de betreffende personen verkeerden.

Daarnaast heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachten zich strafbaar hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Zij hebben gefraudeerd met de administraties van ondernemingen De werkzaamheden en inkomsten van buitenlandse werknemers zijn verder niet gemeld bij het UWV en de Belastingdienst. In plaats daarvan is gebruik gemaakt van zogeheten gefingeerde dienstverbanden: de gegevens van rechtmatig in Nederland verblijvende personen zijn gebruikt om loonaangifte te doen.

Het tenlastegelegde feit uitbuiting is niet bewezen verklaard vanwege het ontbreken van onvrijwilligheid tijdens de uitoefening van werkzaamheden.

BJ1279, BJ1280, BJ1281 en BJ1282

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997131-08

Datum uitspraak: 9 juni 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte X.]

geboren te [plaats] (China) op [datum] 1983,

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 februari 2009, 21 april 2009, 19 mei 2009, 20 mei 2009 en 26 mei 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Paulus en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen

aan een organisatie, bestaande uit onder andere [verdachte W.] en [verdachte Y.], welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijke doen van onjuiste aangiften loonbelasting en/of

omzetbelasting (artikel 69 lid 2 Awr) en/of

- mensenhandel, door het misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of van een kwetsbare positie, waardoor een

ander(en) bewogen wordt/worden zich beschikbaar te stellen voor het verrichten

van arbeid en/of diensten en/of waardoor een ander(en) wordt/worden bewogen de

organisatie of personen binnen die organisatie te bevoordelen uit de opbrengst

van dier seksuele handelingen (artikel 273f lid 1 sub 4 en 9 WvSr) en/of

- mensensmokkel, waarbij aan personen, wier toegang tot of doorreis door

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is,

hulp wordt verleend bij die toegang of doorreis, terwijl daarvan een beroep

of gewoonte wordt gemaakt (artikel 197a lid 1 en 4)

- het uit winstbejag behulpzaam zijn aan personen, wier verblijf in Nederland

en/of een andere lidstaat van de Europese Unie wederrechtelijk is, bij het

verschaffen van dat verblijf, terwijl daarvan een beroep of gewoonte wordt

gemaakt (artikel 197a lid 2 en 4 WvSr) en/of

- het tewerkstellen van illegale vreemdelingen en daarvan een beroep of

gewoonte maken (artikel 197 b en c WvSr);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chinese vrouw(en),

waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.]

(telkens) met één of meerdere van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a

Wetboek van Strafrecht genoemde middel(en), te weten

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van de kwetsbare positie van de bovengenoemde personen (vrouwen)

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of

diensten (sub 4), waarbij die arbeid en/of diensten hebben bestaan uit onder

meer werkzaamheden als masseuse in de [salon A. te A.] en/of de

[salon B.] te [B.]

en/of

(telkens) bovengenoemde personen heeft bewogen tot het bevoordelen van hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s) uit de opbrengst van door bovengenoemde

personen verrichte seksuele handelingen met één of meer derden (sub 9)

waarbij dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of die

kwetsbare positie van genoemde personen blijkt uit de volgende omstandigheden:

de bovengenoemde personen zijn vrouwen van Chinese afkomst en

-verkeren zonder verblijfsstatus in Nederland en/of

-beschikken niet over legale identiteitspapieren en/of

-hebben grote schulden in China, waardoor terugkeer naar China door hen als

onmogelijk wordt ervaren en/of

-zijn (soms onder zeer slechte omstandigheden) na betaling van een grote som

geld naar Nederland c.q. Europa gesmokkeld door mensensmokkelaars vanuit

China en/of

-worden door deze mensensmokkelaars onder druk gezet om hun schulden af te

betalen en/of

-leiden in Nederland een geïsoleerd bestaan en hebben nauwelijks een sociaal

netwerk om op terug te vallen en/of

-hebben in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden dan door het

werk en/of de huisvesting van verdachte en/of zijn mededader(s) te aanvaarden,

waarbij dat misbruik hieruit bestaat dat

verdachte en/of haar mededader(s) deze vrouwen:

-werk aangeboden hebben dat bestond uit het masseren van mannen en/of het

verlenen van seksuele diensten aan die mannen, althans werk dat die vrouwen

in andere omstandigheden niet of niet voor het door hen ontvangen loon zouden

hebben verricht en/of

- (tegen betaling) onderdak verschaften ofwel in één van de massagesalons

ofwel in één van de panden die verdachte en/of haar mededader(s) hadden

gehuurd, waarbij dat onderdak niet voldeed aan een de eisen van redelijke

en/of menswaardige huisvesting,

-opdroegen waar zij op welk moment moesten werken en/of slapen en/of

-een lager loon betaalden dan zij aan legale werkneemsters hadden moeten

betalen, en dit de enige wijze was om de massagesalons financieel draaiend te

houden,

waarbij het bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van

genoemde personen daaruit bestond dat

genoemde personen van de opbrengst van de door hun verrichte seksuele

handelingen met één of meer derden in de massagesalons van verdachte en/of

haar mededader(s) en/of daarbuiten een deel aan verdachte en/of haar

mededader(s) moesten afstaan;

art 273f lid 1 ahf/sub 4, 9 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273a lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht

art 273a lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chinese vrouw(en),

waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.]

(telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europse Unie, en/of

die/dat perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s)

(telkens) (tegen) betaling) voor huisvesting van genoemd(e) perso(o)n(en)

gezorgd en/of

ervoor gezorgd dat die/dat perso(o)n(en) werk en/of inkomsten had(den),

terwijl verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden, dat dat verblijf (telkens) wederrechtelijk was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep of gewoonte hebben/heeft gemaakt;

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

(telkens) te [A.] en/of [B.] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een of meerdere Chinese vrouw(en),

waaronder

1. [A.] en/of

2. [B.] en/of

3. [C.] en/of

4. [D.] en/of

5. [E.] en/of

6. [F.] en/of

7. [G.] en/of

8. [H.] en/of

9. [I.] en/of

10. [J.] en/of

11. [K.] en/of

12. [L.] en/of

13. [M.] en/of

14. [N.] en/of

15. [O.] en/of

16. [P.]

die zich wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland had(den)

verschaft,

(telkens) krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,

terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans

ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf

(telkens) wederrechtelijk waren/was,

en/of

van bovenomschreven feit(en) een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

art 197c Wetboek van Strafrecht

art 197b Wetboek van Strafrecht

3.

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 30

september 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op

de/het bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemd(e)

tijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag

aan (te betalen) belasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

4.

zij

op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008

(telkens) te Apeldoorn en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over (een of meerdere van)

de tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30

september 2008,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op

de/het bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of (elders) in Nederland ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over genoemd(e)

tijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag

aan (te betalen) belasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type en/of taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad.

3. De dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging onder 3 en 4 nietig dient te worden verklaard nu noch uit de tenlastelegging, noch uit het strafdossier duidelijk wordt welke concrete gedragingen haar verweten worden, doordat niet geconcretiseerd is om welke aangifteformulieren en welke tijdsvakken het betreft en wat dient te worden verstaan onder “te laag”. De verdediging is van mening dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier duidelijk dat het hierbij gaat om het verwerken van (legale) werknemers in de administratie, terwijl de werknemers in die periode niet (meer) in de massagesalon van verdachte hebben gewerkt en dat verdachte wordt verweten dat zij vervolgens onder de namen van voormelde werknemers illegale werknemers heeft laten werken. Ter terechtzitting is gebleken dat het voor verdachte volstrekt helder is geweest tegen welke beschuldigingen zij zich had te verweren. Ook de raadsman van verdachte heeft, gegeven de inhoud van zijn pleidooi, blijk gegeven van begrip van de tenlastelegging.

4. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat het recht tot strafvervolging is vervallen nu verdachte alsnog een juiste en volledige aangifte kan doen, althans alsnog juiste en volledige inlichtingen kan verstrekken in de zin van artikel 69, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR), maar dat hij daar tot op heden geen mogelijkheid toe heeft gehad, vanwege zijn verblijf in detentie.

Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie werpt de rechtbank het verweer.

Het recht tot strafvervolging vervalt ingevolge artikel 69, lid 3, AWR, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, lid 1, AWR bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Uit het strafdossier is naar voren gekomen dat er vanaf 2006 tot 3 november 2008 verschillende instanties, waaronder de belastingdienst, controles hebben uitgevoerd bij de [salon A. te A.] en de [salon B.] te [B.]. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment vóór haar aanhouding op 3 november 2008 juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen heeft verschaft. Nu verdachte geen juiste en volledige aangifte heeft gedaan voordat de belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is geworden, kan het beroep op artikel 69, lid 3 AWR niet opgaan. De stelling van de verdediging dat verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad de aangifte te corrigeren, omdat het doen van de aangiftes was uitbesteed aan de heer [Z.], gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu verdachte juist degene is geweest die de onjuiste en onvolledige gegevens aan de heer [Z.] heeft verstrekt.

5. Het bewijs

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 1) en zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel (feit 2) en belastingfraude (feiten 3 en 4).

De criminele organisatie bestond uit verdachte en ten minste twee anderen, te weten verdachte [Y.] en verdachte [X.]. Ten aanzien van deze personen zou gesproken kunnen worden van een samenwerkingsverband. Ieder heeft een wezenlijk aandeel in de gedragingen gehad die strekken tot de verwezenlijking van de in de tenlastelegging genoemde oogmerken. De officier van justitie vordert dan ook dat de rechtbank dit onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigd bewezen verklaart.

Door het overwicht dat verdachte [Y.], verdachte [X.] en verdachte op de illegaal in Nederland verblijvende vrouwen hadden, gelet op de positie van de vrouwen en het verschaffen van werk en huisvesting door verdachten, hebben zij die vrouwen ook bewogen om de opbrengsten van door hen verrichtte seksuele handelingen met derden aan hen af te staan, zoals blijkt uit afgeluisterde tapgesprekken. De officier van justitie vordert bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit. In ieder geval blijkt uit de tapgesprekken dat het onder subsidiair bewezen kan worden verklaard.

Gelet op het feit dat verdachte degene was die alle gegevens van beide salons aan de boekhouder verstrekte en verdachte de boekhouder had gemachtigd om namens haar aangifte te doen, geldt dat verdachte deze aangiften onjuist heeft gedaan. Ook feiten 3 en 4 dienen bewezen te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de deelneming aan een criminele organisatie bepleit. Naar de mening van de verdediging is niet voldaan aan de criteria van duurzaamheid en gestructureerdheid van het samenwerkingsverband. Niet blijkt van gemeenschappelijke regels, structuur en hiërarchie.

De verdediging heeft eveneens vrijspraak van betrokkenheid bij de mensenhandel bepleit, omdat er in de kern aangevoerd -zoals vervat in de pleitnota- geen sprake is van dwang. Het is nimmer de bedoeling geweest om de illegaal in Nederland verblijvende vrouwen uit te buiten.

5.3 De beoordeling van de tenlastelegging

5.3.1. Stemherkenning

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat niet is vast te stellen of de stemherkenning van verdachte door de tolk en de verbalisanten daadwerkelijk verdachte betreft. De rechtbank verwerpt dit verweer op de navolgende gronden. De verdediging heeft op geen enkele wijze concreet aangegeven waarom de tolk en de verbalisanten zich zou hebben vergist. Er is slechts betoogd dat vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stemherkenning, getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid daarvan. De verbalisanten en tolk die betrokken zijn geweest bij het onderzoek moeten naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht stemmen te herkennen, daar zij gefocust waren op een beperkt aantal personen en gedurende een lange periode intensief doende waren met het uitluisteren van de vele gesprekken die in het kader van het onderzoek zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de kwantiteit, namelijk het uitluisteren van vele duizenden telefoongesprekken, waarvan in dit onderzoek sprake is geweest, de betrouwbaarheid van de stemherkenningen nog meer versterkt.

5.3.2. Bewijsmiddelen

De rechtbank zal alvorens feit 1 te bespreken, allereerst ingaan op de feiten 2, 3 en 4.

Ten aanzien van feit 2:

Vrijspraak feit 2 primair

[A.] (1), W. XU (4), [H.] (8), [L.] (12), [M.] (13), [N.] (14) en [O.] (15) hebben allen verklaard dat zij illegaal in Nederland verbleven en dat verdachte [X.] en verdachte dat wisten, althans dat niet gevraagd was om papieren. Tevens hebben zij verklaard dat zij in de [salon A. te A.] en de [salon B.] in [B.] werkten als masseuse op afroep tegen een loon van € 30,- per uur waarvan zij 6/10 deel afstonden aan onder meer verdachte [X.] en verdachte. 1

Een aantal van hen verrichtte daarnaast ook seksuele diensten waarvoor de afspraken met de betreffende klant door verdachte werden gemaakt en waarvan de opbrengst fiftyfifty met verdachte werd gedeeld.2

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen volgt dat betrokkenen werkten tegen een zeer laag uurtarief waarvan verdachte [X.] en verdachte ook nog een onevenredig deel opeisten. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat hun illegaliteit voormelde vrouwen dwong tot het accepteren van deze werkzaamheden alsmede dat zij dit werk niet zouden hebben verricht, althans niet tegen het daarvoor ontvangen loon indien zij legaal in Nederland hadden verbleven, zodat in die zin sprake is van een zekere onvrijwilligheid. De betrokken vrouwen moesten immers overleven en onder die omstandigheden waren ze, zoals [L.] en ook [N.] ook hebben verklaard3, al blij als zij betalend werk gevonden hadden.

Echter niet is komen vast staan dat de verdachte de vrouwen daarnaast onderdak heeft verschaft dat niet voldeed aan de eisen van redelijke en menswaardige huisvesting. Daargelaten dat slechts drie van hen4 verklaren in de salon te hebben geslapen, bevat het dossier geen bewijsmiddelen dat die huisvesting niet voldeed in voormelde zin.

Evenmin is gebleken dat betrokkenen niet de vrijheid hadden om uit de arbeidssituatie te stappen. De enkele omstandigheid dat zij illegaal waren, is in dit verband onvoldoende. Immers, zoals [D.] ook heeft verklaard5, waren er andere manieren om geld te verdienen als ze in de salon van verdachte niet (meer) konden werken.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f lid 2 Sr zodat verdachte van hetgeen haar onder 2 primair wordt verweten dient te worden vrijgesproken.

Feit 2 subsidiair

Uit het dossier blijkt dat voornoemde vrouwen alsmede [G.] (7), [I.] (9), [J.] (10), [P.] en [K.] (11) ten tijde van hun aanhouding op 3 november 2008 illegaal in Nederland verbleven6. Met betrekking tot laatstgenoemde vrouwen overweegt de rechtbank nog als volgt.

a. Een vrouw met de personalia [G. waarbij voornaam met X. begint ipv met Y.], geboren op [geboortedatum] 1972 is op 3 november 2008 aangehouden in de [salon A. te A.]. Zij heeft tegenover de SIOD ontkend dat zij daar werkzaam was als masseuse. Nu zij volgens haar eigen verklaring echter werd aangetroffen in die salon terwijl zij alleen met een haar onbekende man boven was,7 hecht de rechtbank geen geloof aan die verklaring. Uit het dossier blijkt verder dat een vrouw met de personalia [G.], eveneens geboren op [geboortedatum] 1972, bij een controle op 23 juli 2008 is aangetroffen in de woning aan de [adres] te [A.]8. Deze woning werd tot die datum gehuurd door verdachte [Y.]9 en volgens de verklaring van [N.]10 ging je als er geen werk was in de salon naar deze woning in afwachting van een telefoontje dat er weer een klant was.

De rechtbank acht aannemelijk dat het hierbij gaat om één en dezelfde persoon genaamd [G.] zodat de omstandigheid dat zij ook staat vermeld als [G. waarbij voornaam met X. begint ipv met Y.] dient te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

b. [I.], die is aangetroffen in de salon in [B.]11, heeft eveneens ontkend dat zij aldaar als masseuse werkzaam was. Ook aan deze verklaring hecht de rechtbank geen geloof. Volgens haar eigen verklaring werd zij ook “[bijnaam]” genoemd12. Op een briefje dat is aangetroffen en onder verdachte [X.] in beslag is genomen, komt de naam “[bijnaam]” voor met daarachter een bedrag.13 Deze verwijzing kan naar het oordeel van de rechtbank op niets anders dan duiden op werkzaamheden van [adresK.] voornoemd als masseuse in de salon in [B.].14

c. Met betrekking tot [J.] blijkt uit het dossier dat zij als bijnamen [bijnaam] en de Bril had en dat zij is aangetroffen in de woning aan de [adres] te [B.].15 Uit de verklaring van [M.] en [O.] volgt dat dit de woning van verdachte [X.] was waar de vrouwen die werkten in de salon in [B.] naar toe gingen als zij geen klant hadden. 16 Daarnaast bevat het dossier de weergave van een afgeluisterd telefoongesprek dat verdachte [X.] op 16 juli 2008 voert met een zekere [Q.]. Hieruit kan worden afgeleid dat [J.] op dat moment aan het werk is in de salon. In een gesprek op 23 augustus 2008 vraagt verdachte [X.] aan [Q.] voornoemd haar te bellen en haar naar de salon te sturen om te werken.17 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook [J.] als masseuse werkzaam is geweest in de salon in [B.].

d. Met betrekking tot [P.] overweegt de rechtbank dat verdachte [Z.] heeft verklaard dat zij illegaal in Nederland verbleef en in de salons in [B.] en [A.] heeft gewerkt als masseuse vanaf 2006 tot haar vertrek naar China in september/oktober 2008.18

e. Met betrekking tot [K.] overweegt de rechtbank dat zij heeft verklaard dat zij sinds mei 2008 als oppas werkzaam was voor verdachte [Y.] en verdachte en in het kader daarvan 24 uur zorgde voor hun twee kinderen. Zij verdiende hiermee € 850,- per maand en kost en inwoning. Zij denkt dat verdachte wel wist dat zij illegaal was.19 Zij is samen met de kinderen aangetroffen op het [adres te A.] 20, het adres waarop verdachte samen met één van de kinderen staat ingeschreven. In een afgeluisterd telefoongesprek van verdachte met de zus van verdachte [Y.] op 21 juni 2006 zegt zij dat de oppas € 850,- per maand kost maar dat dat het waard is.21 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat niet [K.] voornoemd maar [iemand anders] op de kinderen past, dat zij dat alleen doet als het druk is en dat zij niet voor wordt betaald, kennelijk leugenachtig.

Dat voormelde vrouwen bij haar als masseuse en, voor wat betreft [K.], als oppas werkten en dat verdachte op de hoogte was van het wederrechtelijke verblijf van die vrouwen, blijkt uit afgeluisterde telefoongesprekken. Naast het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek, bevat het dossier de weergave van een gesprek dat verdachte op 12 april 2008 voert met vermoedelijk haar [nicht]. Daarin geeft die nicht eerst aan dat zij een zaak met vrouwen in Japan heeft, dat de zaak al een keer is opgerold en dat zij toen 10 dagen in de gevangenis heeft gezeten en een geldboete heeft betaald. Verdachte zegt vervolgens dat zij alleen illegalen in dienst heeft. Zij heeft hen in een particuliere woning ondergebracht en iedereen werkt op afspraak en komt, indien nodig naar de zaak. Als iemand opgepakt wordt, ben je, aldus verdachte in dat telefoongesprek, niet alles in een keer kwijt. Ook geeft zij aan dat zij bang is voor de politie en controles door de belastingdienst. Alleen de lui die ingeschreven staan, hebben status. 22

Daarnaast geeft verdachte in een telefoongesprek met een [vrouw] op 20 juli 2008 aan dat [deze vrouw], als zij zelf een massagesalon wil openen, gewoon wat zwartwerkers/illegalen in dienst moet nemen omdat zij er anders niet uitkomt met de huur en de belasting.23

Verder blijkt uit het dossier dat sprake was van een vergaande samenwerking tussen verdachte [X.] en verdachte met betrekking tot de beide massagesalons. Zo verklaren [A.], [D.] [L.] en [N.] dat zij zowel in [B.] als [A.] werkten en geeft verdachte [Z.] aan dat ook [P.] in beide salons als masseuse werkte.24 Daarnaast blijkt die samenwerking ook uit afgeluisterde telefoongesprekken. In een telefoongesprek op 18 april 2008 geeft verdachte tegenover een onbekend gebleven man aan dat zij in de salon in [A.] 7 vrouwen heeft werken die het “totaal” doen en dat als de vrouw die voormelde man aanbeveelt, het niet “totaal” wil doen, zij bij verdachte’s broer (rechtbank lees: [verdachte W.]) beneden kan werken. Ook is er een gesprek op 5 mei 2008 waarin verdachte, die belt naar het nummer van de salon in [B.], [andere naam D.] (rechtbank: d.i. [D.]) vraagt met [andere naam voor M.] (rechtbank: d.i. [M.]) en [R.] naar de salon in [A.] te komen omdat bij haar drie Chinezen worden verwacht die een algehele massage willen hebben. In dezelfde lijn ligt het gesprek op 23 augustus 2008 waarbij verdachte [X.] belt naar een onbekend gebleven vrouw en haar vraagt een meisje op te halen in de salon in [A.] en samen naar [B.] te komen omdat twee buitenlanders zullen komen voor een massage.

Daarnaast zijn er telefoongesprekken tussen verdachte [X.] en verdachte vastgelegd waarin gesproken wordt over het aanpakken van masseuses als ze niet op tijd zijn of niet akkoord gaan met de huisregels, waarin wordt overlegd over een nieuw, illegaal, meisje uit Frankrijk en de condities waaronder zij bij beide salon werkzaam zal kunnen zijn en waarin overlegd wordt nadat een controle heeft plaatsgevonden in de salon in [A.]. Ook is er overleg over een kamer die door [verdachte W.] zal worden gehuurd maar die maar 15m2 is en waarbij verdachte aangeeft dat [verdachte W.] die kamer moet nemen en dat de kamer in de winter dienst kan doen als onderdak voor werksters als [andere naam D.] (= [D.]).25

Vast staat dat de [salon A.] bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als eenmanszaak die in [A.] is gevestigd met ingang van 25 mei 2005 en die gedreven wordt voor rekening van verdachte [Y.] .26 Daarnaast blijkt uit het dossier dat met betrekking tot de massagesalon vanaf 2006 meerdere controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst hebben plaatsgevonden waarbij illegale vrouwen zijn aangetroffen en/of vrouwen gehaast het pand verlieten zonder dat hun identiteit kon worden vastgesteld. Bij de bedrijfsbezoeken van de belastingdienst op 22 september 2006, 13 oktober 2006, 2 februari 2007, en 7 maart 2007 alsmede bij de controle door de Vreemdelingenpolitie op 12 juli 2007 was verdachte in de ontvangstruimte van de salon aanwezig, steeds in gezelschap van verdachte [Y.] terwijl op laatstgenoemde datum ook verdachte [X.] naast verdachte [Y.] op de bank zat.27

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat verdachte,samen met verdachte [X.] en verdachte [Y.] het wederrechtelijke verblijf van de betrokken vrouwen heeft bevorderd en gemakkelijk gemaakt door hen voor zich te laten werken en daarvoor, hoe gering ook, een vergoeding te betalen alsmede dat zij dit gedaan hebben met het oogmerk om daar zelf financieel beter van te worden. Tevens volgt uit voormelde bewijsmiddelen dat verdachte van de haar verweten activiteiten, gelet op de omvang en de onderlinge verwevenheid ervan in verband met de exploitatie van de massagesalons, een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 3:

Zoals hiervoor bij de beoordeling van feit 2 reeds werd vastgesteld, is verdachte [Y.] blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel op 25 mei 2005 aan [adres te A.] een nagelstudio annex massagesalon begonnen. Deze onderneming betreft een eenmanszaak, die wordt gedreven onder de naam [Salon A.]28. Verdachte is de vriendin van medeverdachte [Y.] en was werkzaam in deze salon.

Bij het UWV zijn in het kader van deze onderneming vanaf 1 september 2005 dienstverbanden aangemeld met onder meer de volgende werknemers:

- [werknemer 1], geboren [datum]1974

- [werknemer 2], geboren [datum]1982

- [werknemer 3], geboren [datum]1983

- [werknemer 4], geboren [datum 1977]

De aangiften loonbelasting (en omzetbelasting) van verdachte [Y.] zijn tot medio 2006 verzorgd door [administratiekantoor]. Hierna zijn deze werkzaamheden overgenomen door verdachte [Z.]. Volgens opgave van de Belastingdienst zijn ten name van verdachte [Y.] vanaf januari 2006 periodiek aangiften loonheffing en loonheffinggegevens aan de Belastingdienst toegezonden over de tijdvakken februari 2006 tot en met september 200830. Deze aangiften en loonheffinggegevens betreffen gedurende de periode februari 2006 tot en met september 2007 in elk geval steeds [werknemer 1]31. Volgens de beschikbare kasstaten en salarisstroken werd het loon maandelijks achteraf betaald.

[werknemer 1] heeft verklaard dat zij nimmer in de [Salon A.] heeft gewerkt en dat zij ook nimmer enige (loon)betaling van verdachte [Y.] heeft ontvangen. Geconfronteerd met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbetaalde tijd, heeft zij verklaard dat stuk niet te kennen en dat de daarop gestelde handtekening niet haar handtekening is. Wel is het volgens haar zo dat zij in het verleden op voorstel van verdachte bij verdachte [Y.] op de loonlijst is gezet teneinde op papier genoeg te verdienen om verdachte [X.], met wie zij getrouwd is, naar Nederland te kunnen laten komen. Dit zou dan weer stoppen zodra haar man in Nederland zou zijn, maar kennelijk is dit niet gebeurd, aldus [werknemer 1]32.

Anders dan [werknemer 1] heeft [werknemer 2] verklaard dat zij wel in de [Salon A.] werkzaam is geweest. Volgens haar verklaring is zij daar begonnen in september 2006 als schoonmaakster en masseuse op basis van een arbeidscontact, waarin stond dat zij 40 uur per week zou werken. Zij heeft echter nimmer 40 uur per week gewerkt33. Tijdens haar verhoor is [werknemer 2] onder meer geconfronteerd met de kasstaten van november 2006, januari 2007 en juni 200734. Naar aanleiding hiervan heeft zij verklaard dat de daarin opgenomen loonbetalingen niet kloppen35. Voorts heeft zij verklaard dat zij [werknemer 1] kent omdat zij ook in de [Salon A.] werkte. Deze verklaring heeft zij vervolgens echter afgezwakt: Volgens [werknemer 2] is zij door verdachte een keer voorgesteld aan een meisje dat [werknemer 1] zou heten. Zij heeft dat meisje hierna nooit zien werken en zij vraagt zich af wie het kan zijn geweest36. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid hiervoor weergegeven verklaring van [werknemer 1], zodat het ervoor moet worden gehouden dat het ten aanzien van hen beiden gaat om een al dan niet volledig fictief dienstverband.

Met betrekking tot de [Salon A.] hebben controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst plaatsgevonden waarbij illegale vrouwen werden aangetroffen en/of vrouwen gehaast het pand verlieten zonder dat hun identiteit kon worden vastgesteld. Bij de invallen op 3 november 2008 zijn opnieuw Chinese vrouwen aangetroffen die illegaal in Nederland bleken te verblijven. Van deze vrouwen hebben er meerderen verklaard dat zij regelmatig dan wel af en toe in de [Salon A.] werkten. De rechtbank verwijst hiervoor naar de op dit punt bij feit 2 aangehaalde bewijsmiddelen.

Van deze vrouwen verklaren er vijf dat per massage met de werkgever werd afgerekend. Een massage van een uur kostte € 30,-, waarvan de masseuse € 12,- kreeg. Dit bedrag werd direct uitbetaald37. De rechtbank stelt vast dat geen van deze vrouwen bij het UWV is aangemeld en dat voor geen van hen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Voorts stelt zij vast dat deze betalingen ook niet in de in beslag genomen kasstaten zijn terug te vinden.

Verdachte [Y.] heeft verklaard dat de [Salon A.] weliswaar van hem is, maar dat verdachte de zaak runde. Zij inde het geld van de klanten, deed de boekhouding en regelde de belasting. Volgens [Y.] bemoeide hij zich verder nergens mee en tekende hij alles wat verdachte aan hem voorlegde38. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat zij de baas over de salon was, maar heeft wel bevestigd dat zij de administratie van de salon voerde en de contacten met de boekhouder onderhield. Zij heeft verklaard dat zij de inkomsten en uitgaven bijhield in een agenda en dat zij aan het eind van de dag aan de hand van deze agenda de kasstaat bijwerkte. Deze kasstaten leverde zij maandelijks in bij de boekhouder. Zij vertelde hem dan ook hoeveel uren iemand had gewerkt. Deze uren wist zij uit haar hoofd. Zij schreef deze vlak voor de afspraak met boekhouder op een briefje en gooide dit briefje na deze bespreking weer weg39

Verdachte [Z.] heeft verklaard dat hij de voor zijn werkzaamheden benodigde gegevens altijd van verdachte kreeg aangeleverd. Verdachte regelde volgens hem altijd de zaken. Zij gaf aan hem door welke mensen er in dienst waren getreden en tegen welk loon en voor hoeveel uur deze mensen gingen werken. [Z.] zag deze mensen niet, maar maakte aan de hand van de informatie van verdachte een contract. Als verdachte tussentijds geen wijzigingen had doorgegeven, maakte hij vervolgens op basis van de informatie in de contracten iedere maand automatisch loonstroken en een aangifte loonbelasting op. Deze verklaring vindt steun in een getapt telefoongesprek van 1 mei 2008, waarin verdachte aan verdachte [Z.] laat weten dat de “papieren [mevrouw]” moet stoppen omdat de belasting te veel wordt en dat er een nieuwe mevrouw moet beginnen. Deze mevrouw moet voor 500 (euro) op de loonlijst bij de salon van medeverdachte [W.] en voor 700-800 (euro) bij haarzelf ([Salon A.]).

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank in de eerste plaats wettig en overtuigend bewezen dat ten name van medeverdachte [Y.] opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiftes loonbelasting zijn gedaan. In de onderneming van [Y.] zijn illegale vrouwen werkzaam geweest en de door deze vrouwen verrichte werkzaamheden zijn slechts zeer ten dele verantwoord via dienstverbanden met legale werknemers, waarbij geldt dat ten minste één van die dienstverbanden geheel fictief was ([werknemer 1]) en dat van ten minste één van die dienstverbanden ([werknemer 2]) kan worden vastgesteld dat dit weliswaar niet fictief was, maar tevens werd gebruikt om uren te kunnen wegschrijven. Deze handelwijze betreft een beproefde constructie die er naar haar aard toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven dan wel afgedragen. De rechtbank acht daarbij bewezen dat deze fraude zich heeft uitgestrekt over de periode van 29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008. Uit de door de Belasting verstrekte informatie blijkt immers dat op 29 maart 2006 voor het eerst aangifte loonbelasting gedaan voor de werkneemster [werknemer 1], van wie vaststaat dat zij feitelijk nooit voor verdachte heeft gewerkt. De laatste aangifte namens medeverdachte [Y.] dateert van 2 oktober 2008.

Uit het voorgaande komt voorts naar voren dat het verdachte is geweest die bij deze belastingfraude een centrale rol heeft gespeeld. Verdachte hield immers de administratie bij en onderhield daarnaast de contacten met de boekhouder, die op basis van de door haar aangeleverde gegevens en informatie de belastingaangiftes verzorgde. Dat verdachte goed wist waar zij mee bezig was, blijkt naar het oordeel van de rechtbank zeer treffend uit twee opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken van 12 april 2008 en 13 mei 2008.

In het eerste gesprek belt verdachte met een onbekend gebleven vrouw in China aan wie zij vertelt dat zij dat de mensen die ingeschreven staan een legale status hebben, dat zij echter alleen met illegalen werkt en dat zij bang is voor de politie en de belastingdienst40. In het tweede gesprek van 13 mei 2008 belt verdachte met een zekere [U.] die zich op dat moment in de salon van verdachte [X.] in [B.] bevindt. Verdachte en [U.] bespreken tijdens dit gesprek allereerst wat er het best kan worden gezegd als door de belasting wordt gevraagd naar het aantal uren dat door de opgegeven werknemers wordt gewerkt. Als [U.] vervolgens vraagt hoeveel uren er voor haar bij de belasting zijn opgegeven, antwoordt verdachte dat zij dat straks met de boekhouder zal bespreken en berekenen omdat het voor een zaak nodig is dat er genoeg uren zijn en dat er ook voor de andere mensen genoeg uren moeten zijn41.

Verdachte heeft daarbij echter niet alleen gehandeld, maar tezamen en in vereniging met de verdachten [Z.] en [Y.]. Voor wat betreft verdachte [Z.] wordt daartoe overwogen dat deze tijdens zijn verhoren meerdere malen heeft verklaard dat hij bij het verwerken van de bij hem aangeleverde gegevens en het opstellen van de aangiften loonbelasting en omzetbelasting regelmatig het idee had dat het allemaal niet klopte42. Bovendien heeft verdachte [Z.] verklaard dat hij wist dat zijn vriendin [P.], die tot eind 2008 illegaal in Nederland verbleef, zowel in [A.] ([Salon A.]) als in [B.] ([salon B.]) werkte als masseuse. In dit verband heeft hij verklaard dat hij “ondanks de wetenschap dat [P.] niet in het kasboek of in de aangiften stond vermeld, […] de aangiften van [salon A.] […] [heeft] verzorgd”43. Naar het oordeel van de rechtbank kan reeds hiermee worden gezegd dat verdachte [Z.] al vanaf het begin van zijn werkzaamheden zodanige wetenschap van de belastingfraude heeft gehad, dat is voldaan aan het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking.

Ten aanzien van verdachte [Y.] heeft daartoe te gelden dat hij, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor omtrent zijn betrokkenheid bij feit bewezen heeft verklaard, er zonder meer van op de hoogte was dat in zijn onderneming illegale vrouwen werkzaam waren. Voor zover al niet gezegd kan worden dat hij ook wist dat deze vrouwen voor de belasting buiten de boeken werden gehouden, constateert de rechtbank dat hij als eigenaar en belastingplichtige in elk geval geen enkele actie heeft ondernomen om het één en ander voor de belastingen juist te verantwoorden. Uit zijn eigen verklaringen blijkt integendeel dat hij zich welbewust geheel afzijdig heeft gehouden en dit verder helemaal aan verdachte en de boekhouder heeft overgelaten en hen daarbij de vrije hand heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook een dergelijke houding als medeplegen worden aangemerkt.

Ten aanzien van Feit 4

Vast staat dat verdachte [X.] blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op 23 augustus 2007 te [B.] een nagelstudio annex massagesalon begonnen. Deze onderneming betreft een eenmanszaak, die wordt gedreven onder de naam Nail Art & Massage [salon B.].44

Bij het UWV zijn in het kader van deze onderneming met ingang van 1 oktober 2007 dienstverbanden aangemeld met de volgende werknemers:

- [werknemer 1], geboren [datum]1974

- [werknemer 2], geboren [datum]1982

- [werknemer 3], geboren [1983].45

De aangiften loonbelasting (en omzetbelasting) ten name van verdachte [X.] zijn vanaf de opening verzorgd en (elektronisch) ingediend door verdachte [Z.]46. Volgens opgave van de Belastingdienst heeft verdachte [Z.] namens verdachte [X.] vanaf

5 november 2007 periodiek aangiften loonheffing en loonheffingsgegevens aan de Belastingdienst doen toekomen over de tijdvakken oktober 2007 tot en met september 2008.47 Deze aangiften en loonheffingsgegevens betroffen vrijwel steeds loonbetalingen aan de hiervoor genoemde [werknemer 1] en [werknemer 3].48 Blijkens de kasstaten werd het loon maandelijks achteraf uitbetaald, op basis van de door verdachte [Z.] opgemaakte salarisstroken.

[werknemer 1], die is getrouwd met verdachte [X.] maar niet met hem samenwoont, heeft verklaard dat zij nimmer in de [Salon B.] heeft gewerkt en dat zij ook nimmer enige (loon)betaling van [verdachte W.] heeft ontvangen49. Zoals hiervoor bij de beoordeling van feit 3 ook al werd aangegeven, heeft zij aangegeven dat zij in het verleden op voorstel van verdachte op de loonlijst van de [Salon A.] is gezet om op papier genoeg te verdienen om haar man naar Nederland te kunnen laten komen. De rechtbank heeft als gezegd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen.

Ook [werknemer 3] heeft verklaard dat zij nimmer in de [Salon B.] heeft gewerkt of loonbetalingen van verdachte [X.] heeft ontvangen. Zij verklaart dat zij begin 2008 via verdachte [X.] korte tijd – hooguit twee weken - in de [Salon A.] in [A.] heeft gewerkt en dat verdachte [X.] haar hierna heeft gevraagd haar gegevens te mogen gebruiken om de belastingopgave te mogen regelen. “[W.] vroeg mij of ik ingeschreven wilde blijven staan, omdat er anders voor de belastingen te weinig mensen in de salon werkten”, aldus haar verklaring50. De rechtbank merkt hierbij op dat [werknemer 3] geen verklaring heeft voor het feit dat haar gegevens al vanaf oktober 2007 zijn gebruikt51. De rechtbank leidt hieruit af dat [werknemer 3] klaarblijkelijk niet het achterste van haar tong heeft willen laten zien. Dit neemt echter niet weg dat uit haar verklaring kan worden afgeleid dat het hier om een fictief dienstverband met verdachte gaat en dat [werknemer 3] feitelijk nimmer werkzaamheden voor verdachte [X.] heeft verricht.

Bij de invallen op 3 november 2008 in de [salon B.], zijn in de woning van verdachte [X.] in [B.] en in de [Salon A.] in [A.] in totaal 10 Chinese vrouwen aangetroffen.52 Vast staat dat deze vrouwen allemaal illegaal in Nederland verbleven.53 Van deze vrouwen hebben er een aantal verklaard dat zij regelmatig dan wel af en toe in de [salon B.] werkten. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van feit 2 bewezen acht en de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen.

Van de hiervoor genoemde vrouwen verklaren er zeven ([A.], [H.], [N.], [D.], [L.], [M.] en [O.]54) dat per massage werd afgerekend. Een massage van een uur kostte € 30,-, waarvan de masseuse € 12,- kreeg. Dit bedrag werd direct uitbetaald. De rechtbank stelt vast dat voor geen van deze vrouwen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Voorts stelt zij vast dat deze betalingen ook niet in de in beslag genomen kasstaten zijn terug te vinden55. Hierin staan als gezegd alleen maandelijkse loonbetalingen aan (hoofdzakelijk) [werknemer 1] en [werknemer 3].

Verdachte [X.] heeft verklaard dat hij de inkomsten en uitgaven van de salon bijhield in een agenda en dat hij aan de hand van deze agenda aan het eind van iedere dag de kasstaten bijwerkte.56 Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte [X.] aan de [adres] te [B.] zijn in diens kamer onder een matras diverse losse briefjes aangetroffen57. Bovenaan deze briefjes staat telkens een datum in augustus 2008 vermeld, met daaronder Chinese karakters die volgens een door verdachte niet bestreden vertaling door een tolk onder meer de ([bijnamen] voorstellen58. Dit zijn, volgens onder meer hun eigen verklaringen, de (bij)namen van een aantal van de op 3 november 2008 aangetroffen illegale vrouwen, te weten [O.], [andere vrouwen] Xu59. Achter deze namen staan getallen, die vervolgens worden opgeteld. Gelet hierop laten deze briefjes zich naar het oordeel van de rechtbank niet anders duiden dan de administratie van de op die dagen gerealiseerde omzet. Vergelijking met de door [verdachte W.] ingevulde kasstaat van augustus 200860 leert dat de totaalbedragen op de briefjes de op die dag in de kasstaat genoteerde omzet telkens met meer dan 100% overtreffen. De rechtbank betrekt hierbij nog het volgende. In het dossier bevindt zich de weergave van een op 14 oktober 2008 afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek tussen verdachte [X.] en ene [Q.], die op dat moment klaarblijkelijk op de salon in [B.] past. In dit gesprek zegt verdachte [X.] tegen [Q.] dat hij aan het eind van de dag 40% van de omzet in het boek (boekhouding) moet noteren.61 Later die dag (22.57 uur) belt verdachte [X.] nogmaals met [Q.]. In dit gesprek vertelt [Q.] dat de omzet van die dag € 260,- is, waarvan € 29,- voor manicure, waarna zij verdachte [X.] vraagt wat zij hiervan in de boeken moet noteren. Hij zegt hierop: “40% ervan is € 104,-”. Als [Q.] hierop opmerkt dat de omzet gisteren ruim € 300,- was en dat daarvan slechts € 109,- is genoteerd, zegt hij “Laat het dan op € 86,- houden”62. Dit alles laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat verdachte [X.] een groot deel van de omzet buiten de boeken hield.

Op grond van dit alles, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank allereerst wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [X.] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiftes loonbelasting. Verdachte [X.] heeft in zijn onderneming illegale vrouwen in dienst gehad en de door deze vrouwen verrichte werkzaamheden slechts zeer ten dele verantwoord met behulp van gefingeerde dienstverbanden. Deze handelwijze betreft een beproefde constructie die er naar haar aard toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven danwel afgedragen. Nu uit de in het dossier opgenomen aangiftes en loonheffinggegevens blijkt dat de fictieve werkneemsters [werknemer 1] en [werknemer 3] reeds in de aangifte van 5 november 2007 zijn opgevoerd, mag het er daarbij voor worden gehouden dat deze handelwijze zich heeft uitgestrekt over de gehele tenlastegelegde periode.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [X.] hierbij niet alleen heeft gehandeld, maar nauw en intensief heeft samengewerkt met verdachte. De rechtbank verwijst daartoe in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor bij de beoordeling van feit 2 werd vastgesteld omtrent de vergaande samenwerking tussen hen beiden met betrekking tot de beide salons. Daar komt op het punt van de belastingaangiften ten name van [verdachte W.] vervolgens nog bij dat verdachte [Z.] heeft verklaard dat hij de voor zijn werkzaamheden voor de [Salon B.] benodigde gegevens en informatie in de regel door tussenkomst van verdachte kreeg aangeleverd. [Z.] heeft voorts verklaard dat verdachte degene was met wie hij contact had en overleg pleegde, ook als het [salon B.] betrof, zij het dat verdachte [X.] daar dan wel bij was. Zo was verdachte volgens [Z.] degene die aan hem doorgaf welke (legale) werknemer van [A.] ([Salon A.]) naar [B.] ging en omgekeerd en of de uren van een werknemer veranderden63. Deze verklaring vindt steun in een zich in het dossier bevindend afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek van 1 mei 2008, waarin verdachte aan verdachte [Z.] meedeelt dat de “papieren [mevrouw]” moet stoppen omdat de belasting teveel wordt en dat er een nieuwe mevrouw moet beginnen. Deze mevrouw moet voor 500 (euro) op de loonlijst bij [salon B.] en voor 700, 800 (euro) bij haarzelf ([Salon A.])64. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de conclusie dat verdachte en verdachte [X.] ook op het hier aan de orde zijnde punt zodanig nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt dat het aan verdachte ten laste gelegde medeplegen van belastingfraude bewezen kan worden verklaard.

Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat bij deze als medeplegen te kwalificeren samenwerking ook medeverdachte [Z.] was betrokken. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dienaangaande werd overwogen bij de beoordeling van feit 3.

Ten aanzien van feit 1:

Hierboven zijn de bewijsmiddelen opgenomen op grond waarvan de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland van een 12-tal personen door ervoor te zorgen dat deze personen werk en inkomsten hadden, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was. Tevens zijn hierboven de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat verdachte met anderen betrokken is geweest bij het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiftes.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit medeplegen een samenwerkingsverband oplevert in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (verder Sr).

Uit de verklaringen van de getuigen [D.], [N.], [A.] blijkt dat zowel verdachte [Y.] als verdachte als bazen van de salon [salon A.] werden gezien.65 Zowel verdachte [Y.] als verdachte gaven aan de vrouwen opdrachten.66 De getuigen [D.], [O.], [M.], [L.], [I.] en [A.] noemen verdachte [X.] als baas van de [salon B.].67 Verdachte heeft vrouwen gevraagd te helpen bij de salon van verdachte [X.] in [B.].68 Enkele vrouwen hebben zowel gewerkt in de [salon A. te A.] als in de [salon B.] in [B.].69 De vrouwen die zijn aangetroffen in de salons, hebben verklaard dat de afspraak was dat als er geen klanten waren, zij de salon moesten verlaten, omdat het een risico was in de salon te blijven zonder status.70 Dit gold voor beide salons.

De beloning die de meisjes ontvingen was in beide salons gelijk: € 12,- voor de vrouw en

€ 18,- voor de baas.71 Indien seksuele diensten werden verricht, werd in beide salons de opbrengst fiftyfifty met verdachte gedeeld.72

Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte [X.] en verdachte veelvuldig met elkaar contact hadden en blijkt dat – indien nodig – over en weer vrouwen naar elkaar werden gestuurd.73 Tevens blijkt uit telefoongesprekken dat vrouwen voor beide salons werden aangenomen en dat er afspraken over prijzen voor bepaalde diensten en over het huren van een kamer werden gemaakt.74 Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat door verdachte daarbij geregeld aanwijzingen werden gegeven aan verdachte [X.].75

Uit deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte degene is geweest die de dagelijkse leiding over de [Salon A.] in [A.] uitoefende. Zij gaf daarnaast ook sturing aan verdachte [X.], die de dagelijkse leiding over de salon in [B.] uitoefende. De rechtbank wijst in dit verband ook op de gedetailleerde wijze waarop verdachte aan verdachte [X.] aangeeft hoe hij met bepaalde situaties moet omgaan, te weten het beantwoorden van vragen van de Belastingdienst en het omgaan met de vrouwen die voor hem werken.

Uit het dossier blijkt dat verdachte [X.] daarnaast betrokken was bij het aantrekken van vrouwen voor beide salons.

De onderlinge samenwerking blijkt ook uit de uitwisseling van vrouwen, het elkaar geven van tips en het waarschuwen voor controles van de belastingdienst. De intensiteit waarmee binnen de ten laste gelegde periode onderling werd gebeld en de inhoud van die gesprekken, dragen alleen maar bij aan deze conclusie.

Uit verschillende tapgesprekken en uit getuigenverklaringen blijkt dat de rol van verdachte [Y.] groter is dan hij doet voorkomen. Verdachte [Y.] heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting zijn rol in het geheel gebagatelliseerd. Wel heeft hij verklaard dat hij eigenaar is van de [Salon A.] en dat hij stukken heeft ondertekend. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en hij dit oogmerk op enigerlei wijze ondersteunt. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven. Dat verdachte [Y.] heeft gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van het doen van onjuiste belastingaangiften, in welke stelling de rechtbank verdachte overigens niet volgt, is derhalve niet van belang. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [Y.] wist dat er illegale vrouwen in de salons werkzaam waren en dat de belastingaangiften onjuist en onvolledig werden ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij de gezagsverhouding en het (doen) geven van aanwijzingen en instructies aan medewerkers duidelijk waren. Er werd naar het oordeel van de rechtbank onder het mom van twee nagelstudio’s/massagesalons getracht door middel van onder andere het plegen van strafbare feiten zoals belastingfraude en het uit winstbejag anderen behulpzaam zijn bij een wederrechtelijk verblijf in Nederland, geldelijk gewin te verkrijgen. Daarmee staat vast dat verdachte [Y.] en verdachte [X.] en verdachte het oogmerk op het plegen van misdrijven hadden.

Gelet op de bewezenverklaarde periode, de gemeenschappelijke regels in de salons en de bestendige betrokkenheid van de drie personen is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van mensenhandel en mensensmokkel. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van mensenhandel, komt de rechtbank eveneens niet toe aan een bewezenverklaring van mensenhandel in georganiseerd verband. Ten aanzien van de mensensmokkel overweegt de rechtbank dat het dossier weliswaar sterke aanwijzingen bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte,

verdachte [Y.] en verdachte [X.] plannen hadden om en zich daadwerkelijk bezig hielden met het smokkelen van personen vanuit China naar de Europese Unie (onder andere via Marokko), maar uit het dossier komen geen concrete gegevens naar voren waaruit blijkt dat deze smokkel en de plannen daarvoor zich in een dermate vergevormd stadium bevonden dat gesproken kan worden van een gestructureerd samenwerkingsverband daartoe.

Dit alles leidt tot de volgende bewezenverklaring

5.4 De bewezenverklaring

1.

zij

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en [B.] en elders in Nederland, heeft deelgenomen

aan een organisatie, bestaande uit onder andere [verdachte W.] en [verdachte Y.], welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijke doen van onjuiste aangiften loonbelasting en

omzetbelasting en

- het uit winstbejag behulpzaam zijn aan personen, wier verblijf in Nederland

en wederrechtelijk is bij het verschaffen van dat verblijf,

terwijl daarvan een beroep of gewoonte wordt gemaakt en

- het tewerkstellen van illegale vreemdelingen en daarvan een beroep of

gewoonte maken;

2 subsidiair.

zij

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 november 2008

te [A.] en [B.] tezamen en in vereniging met anderen,

meerdere Chinese vrouwen, te weten

1. [A.] en

4. [D.] en

7. [G.] en

8. [H.] en

9. [I.] en

10. [J.] en

11. [K.] en

12. [L.] en

13. [M.] en

14. [N.] en

15. [O.] en

16. [P.]

telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland en die personen daartoe telkens gelegenheid en middelen

heeft verschaft,

immers hebben verdachte en haar mededaders

telkens ervoor gezorgd dat die personen werk en inkomsten hadden,

terwijl verdachte en haar mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was,

en van bovenomschreven feit een beroep of gewoonte hebben gemaakt;

3.

zij in de periode van 29 maart 2006 tot en met 2 oktober 2008

te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk bij een de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over meerdere

tijdvakken gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 30

september 2008, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en haar mededaders telkens opzettelijk op

de bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljetten loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte Y.] over genoemde

tijdvakken telkens een te laag belastbaar bedrag aan opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting

werd geheven;

4.

zij in de periode van 5 november 2007 tot en met 2 oktober 2008

te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over meerdere

tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30

september 2008, telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en haar mededaders telkens opzettelijk op

de bij of naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingeleverde/toegezonden

aangiften/aangiftebiljetten loonbelasting en premie

volksverzekeringen/loonheffing ten name van [verdachte W.] over genoemde

tijdvakken telkens een te laag belastbaar bedrag aan opgegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting

werd geheven.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

8. De straf/maatregel

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven, voor deelname aan de criminele organisatie, mensenhandel en de belastingfraude. Indien de verdachte wordt vrijgesproken van de mensenhandel zal volgens de officier van justitie aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden moeten worden opgelegd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging aangevoerd dat geen straf op zijn plaats is, daar het niet eerder ingrijpen door de belastingdienst niet ten nadele van de verdachte dient te komen. De overheid heeft de salon een aantal malen gecontroleerd, waarbij illegalen werden geconstateerd. De overheid heeft in deze gevallen nagelaten bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke boetes op te leggen. Hiermee is een onjuist of onduidelijk signaal aan verdachte afgegeven. Voorts dient volgens de verdediging bij de strafmaat ten voordele van verdachte rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat een deel van het dossier eerst bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is ontvangen. De door de officier van justitie geëiste straf is niet proportioneel, er dient volgens de verdediging een geldboete te worden opgelegd van € 4.000,- voor elk illegaal in Nederland verblijvende vrouw, zoals blijkt uit soortgelijke uitspraken.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het niet eerder ingrijpen van de belastingdienst overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de massagesalons vanaf 2006 meerdere controles door de Belastingdienst en de Vreemdelingendienst hebben plaatsgevonden. Bij de controle door de Belastingdienst op 22 september 2006, 13 oktober 2006 en 2 februari 2007 zijn geen illegalen aangetroffen. Op 7 maart 2007 daarentegen wel. Ook bij de controle door de vreemdelingendienst op 12 juli 2007 is in ieder geval één illegale vrouw aangetroffen.

Op 24 januari 2008 heeft de officier van justitie opdracht gegeven tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek door de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (verder SIOD). In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de [Salon A.] van 5 februari 2008 tot en met 25 februari 2008 onder stelselmatige cameraobservatie gestaan. Vanaf 21 februari 2008 is ook een aantal telefoonnummers getapt en is het onderzoek uitgebreid naar massage[Salon B.]. Op 18 april 2008 is door de Belastingdienst nogmaals en buiten medeweten van de SIOD een waarneming ter plaatse gedaan en op 23 juli 2008 een controle door de gemeente, wederom buiten medeweten van de SIOD. Uiteindelijk worden de verdachten op 3 november 2008 aangehouden.

Het voorgaande rechtvaardigt niet de conclusie dat de Belastingdienst, de vreemdelingenpolitie, de gemeente en de SIOD met opzet het strafbaar handelen van verdachte hebben laten voortduren en dat de overheid aldus het handelen van verdachte heeft gedoogd. Na een aantal signalen is een strafrechtelijk onderzoek jegens verdachte en zijn mededaders aangevangen. Aan het toevoegen aan het dossier van de resultaten van de nadien buiten medeweten van de SIOD plaatsgevonden controles , staat niets in de weg Het staat het openbaar ministerie vrij om in onderhavige zaak te kiezen voor strafrechtelijk ingrijpen boven bestuurlijk ingrijpen. Nu niet is gebleken dat de Belastingdienst ter zake reeds een boete heeft opgelegd, is het recht tot strafvervolging niet vervallen.

Het is voldoende aannemelijk geworden dat de aanvullende processtukken door de officier van justitie zijn verstrekt, maar de verdediging niet tijdig hebben bereikt. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting op 19 mei 2009 is door de rechtbank aan de verdediging een kopie van het aanvullende processtuk overlegd en heeft de verdediging gelegenheid gekregen om kennis te kunnen nemen van de inhoud van het stuk en dit met zijn cliënt te bespreken. De rechtbank is zonder voorbehoud op dit punt en met toestemming van de verdediging vervolgens voortgegaan met de behandeling van de zaak. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafvermindering voor zover dit verweer is gevoerd, nu verdachte niet in zijn verdedigingsbelangen geacht moet zijn te zijn is geschaad.

De rechtbank onderkent dat thans sprake is van een situatie dat personen met een Chinese nationaliteit die niet in het bezit zijn van geldige papieren, niet kunnen worden uitgezet naar China en daarom noodgedwongen in Nederland verblijven zonder dat zij de beschikking hebben over legale middelen van bestaan. Dit geldt ook voor de vrouwen die illegaal werkzaam waren in de salons. Dit is een betreurenswaardige situatie, maar het gevolg van politieke keuzes die op zichzelf niet ter toetsing aan de rechtbank voorliggen. Dit laat echter onverlet dat verdachte samen met de verdachten [Y.] en [verdachte W.] van deze situatie heeft geprofiteerd door deze vrouwen tegen een, naar Nederlandse begrippen zeer schamel salaris te laten werken.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een periode van meerdere jaren deel uitgemaakt van een criminele organisatie die onder andere tot doel had het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften en het huisvesten en te werkstellen van illegaal in Nederland verblijvende vrouwen in de [salon A. te A.] en de [salon B.] te [B.].

Verdachte is, samen met anderen, een twaalftal illegaal in Nederland verblijvende vrouwen behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland. De hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van gelegenheid en middelen door aan de vreemdelingen werk te verschaffen. De illegaal in Nederland verblijvende vrouwen waren werknemers van de salons en werkten tegen een zeer geringe (uur)vergoeding. Bij dit alles heeft verdachte slechts het oog gehad op zijn eigen gewin. Een dergelijk handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen - in het bijzonder het belang bij een menswaardige behandeling - ondergeschikt worden gemaakt aan het persoonlijke financiële belang.

De door de verdachte bij de Belastingdienst opgegeven namen waren van personen die in werkelijkheid in het geheel niet of niet gedurende de genoemde uren voor de salons hebben gewerkt. Verdachte heeft originele registraties van de gewerkte uren van de personen die daadwerkelijk hadden gewerkt opzettelijk niet aan de Belastingdienst doorgegeven. Door aldus te handelen is een door de verdachten een constructie ontstaan waarin illegaal in Nederland verblijvende vrouwen, die niet konden worden verantwoord in de loonadministratie bij de Belastingsdienst, op papier werden vervangen door anderen en heeft daarmee willens en wetens de Belastingdienst misleid.

Blijkens een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen documentatieregister is verdachte in het verleden wel eerder veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.

Op grond van voornoemde overwegingen acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank heeft kennis genomen van de proceshouding van verdachte ter zitting. Door haar uitlating dat –kort gezegd- zij het niet zo heeft bedoeld, wordt de rechtbank gesterkt in haar oordeel dat verdachte geen inzicht heeft in de laakbaarheid van haar handelen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de kans op herhaling vrij groot en zal daarom een fors gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Te meer daar de verdachte met een ander concrete plannen heeft om ook een supermarkt te exploiteren en dus als ondernemer werkzaam lijkt te willen blijven.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140, 197a van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 en 69 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de dagvaarding onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl dat feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

ten aanzien van feit 3 en feit 4:

medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken, deze opzettelijk onjuist en onvolledig verstrekken, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (zegge: achttien) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 9 (zegge: negen) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 4 november 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 7 november 2008,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van : 20 mei 2009;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rens, voorzitter,

Van Dorp en Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Dekker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2009.

1 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 (A.Han), blz 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.], 1236-1237 ([L.]), blz 1241 ([M.]), blz 1246-1247 ([N.]), blz 1255-1256 ([O.])

2 Idem blz 1252 ([D.]), blz 1236 ([L.]) en blz 1241-1242 ([M.])

3 Idem blz 1236 ([H.]) en blz 1247 ([N.])

4 Idem blz 1251 ([D.]), blz 1237 ([L.]) en blz 1241 ([M.])

5 Idem blz 1251

6 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 485

7 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1204

8 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 11 en Documenten (2) blz 2377

9 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 490.

10 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1246

11 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

12 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1211 e.v.

13 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten (3) blz 2761 e.v.

14 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten (3) blz 2890

15 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

16 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1242 en blz 1255

17 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessienummer 419 en sessienummer 1089

18 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte blz 1674

19 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1219

20 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, proces-verbaal zaaksrelaas blz 199

21 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, uitgewerkte tapgesprekken sessie 46, blz 2917

22 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken, sessie 77, blz 2922-2923

23 Idem sessie 339, blz 2995

24 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1199 (A.Han), blz 1251 ([D.]), blz 1236 ([L.]), blz 1246 ([N.]) en Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte blz 1674

25 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 140, blz 2944, sessie 252, blz 2967, sessie 1092, blz 3087, sessie 61, blz 2919, sessie 2995, blz 3211, sessie 1705, blz 3147, sessie 140, blz 2943 en sessie 990, blz. 3075.

26 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz. 319

27 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten (1), rapport inzake bedrijfsbezoek blz. 1919-1920, blz 1907-1912, blz 1914-1917 en blz 1925-1926, blz 1932-1935 alsmede proces-verbaal van bevindingen blz. 1805

28 Zie voetnoot 35

29 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 279,en Documenten, D5-1 t/m 13, blz. 1959 t/m 1973.

30 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D4-67 en 68, blz. 1936 en 1937.

31Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, AMB1, blz. 278 en 279.

32 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1226.

33 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229 en 1230

34 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D34-3 t/m 8, blz 3844 t/m 2849.

35 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1231 t/m 1233.

36 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal van verhoor, blz. 1229.

37 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 ([A.]), blz. 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.]), 1236-1237([L.]), , blz.1246-1247 ([N.]).

38 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1353 en Aanvulling, proces-verbaal van verhoor, blz. 3285.

39 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Blz 1494

40 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken, sessie 77, blz 2922;

41 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken, sessie323, blz 2992 en 2993;

42 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz. 1688 en 1674;

43 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz 1699;

44 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 445

45 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer, 6640.2007.000.179 blz. 88, Documenten, D5-3 t/m/ 13, blz 1961 t/m 1973;

46 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte [Z.] blz 1690, laatste alinea

47 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten, D04-74 blz 1943, D04-75, blz. 944.

48 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten D34-155 t/m 158, 160-161, 169, 174;

49 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1226 (B. [werknemer 1]);

50 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Morpheus aanvulling, blz 3295-3296;

51 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Morpheus aanvulling, blz 3297;

52 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Doorzoeking en inbeslagneming, blz. 1040.

53 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Ambtshandelingen, blz. 485-487.

54 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1197 ([A.]), blz 1250-1251 ([D.]), blz 1207-1208 ([H.]), 1236-1237 ([L.]), blz 1241 ([M.]), blz 1246-1247 ([N.]), blz 1255-1256 ([O.]);

55 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Documenten, D29-35 en 36, blz 2536 en 2537, en D34-16 t/m D34-23, blz 2859 t/m 2866;

56 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Verdachten, verhoor verdachte [X.] blz 1610 en verklaring van verdachte [X.] ter terechtzitting;

57 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Doorzoeking en Inbeslagname, blz 1115;

58 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Ambtshandelingen, pv bevindingen blz 457 en D30-4 t/m D30-33a;

59 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1250-1251 ([D.]), blz 1241 ([M.]), blz 1255-1256 ([O.])

60 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179 Documenten, D29-35 blz 2536 en D29-36, blz 2537

61 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 2501, blz 3199

62 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 2519, blz 3201

63 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Verdachten, proces-verbaal van verhoor, blz 1678;

64 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken sessie 220, blz 2963

65 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251-1252 ([D.],), blz. 1246 ([N.],), blz. 1197 ([A.]);

66 Idem blz. 1197 ([A.]), Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessie 121, blz. 2935 en sessie 879, blz. 3063;

67 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Getuigen, proces-verbaal verhoor getuige blz 1251([D.],), blz. 1255 ([O.]), blz. 1240 ([M.]), blz. 1235 ([L.]n), blz 1211 ([I.]), blz. 1208 ([H.]), blz. 1199 ([A.]);.

68 Idem blz 1246 ([N.]), blz. 1199 ([A.]);

69 Idem blz 1251 ([D.]), blz 1246 ([N.]), blz 1236 ([L.]n), blz 1199 ([A.]);

70 Idem blz 1256 ([O.] t.a.v. [salon B.]), blz 1251-1252 ([D.] t.a.v. de [salon B.]), blz. 1246 ([N.] t.a.v. [Salon A.]), blz. 1242 ([M.] t.a.v. [salon B.]), blz. 1208 ([H.] t.a.v. de [Salon A.]);

71 Idem blz 1255 ([O.] t.a.v. [salon B.]), blz. 1252 ([D.] t.a.v. [Salon A.]), blz. 1246 ([N.] t.a.v. [Salon A.]), blz. 1241 ([M.] t.a.v. [salon B.]), blz 1236 ([L.] t.a.v. [salon B.]), blz 1208 ([H.] t.a.v. [Salon A.]), blz. 1197 ([A.] t.a.v. [Salon A.]);

72 Idem blz. 1252 ([D.] t.a.v. [salon B.]), blz 1236 ([L.] t.a.v. [Salon A.]), blz. 1241-1242 ([M.] t.a.v. [salon B.]);

73 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst Regio West, proces-verbaalnummer 6640.2007.000.179, Uitgewerkte tapgesprekken Sessie 252, blz. 2967; sessie 439, blz. 3005;

74 Idem sessie 252, blz. 2967, sessie 438, blz. 3004, sessie 163, blz. 2946, sessie 990, blz. 3074, sessie 1703,

blz. 3146, sessie 1705, blz. 3147, sessie 1709, blz. 3148, sessie 2226, blz. 3193;

75 idem sessie 990, blz. 3074; sessie 438, blz. 3004; sessie 1705, blz. 3147; sessie 121, blz. 2936-2937; sessie 143, blz. 2945; sessie 2995, blz. 3211