Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 21755
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rol artikel 8 EVRM bij vrijstelling van het betalen van leges.

Primair heeft verweerder het standpunt gehandhaafd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het betalen van leges op grond van artikel 3.34f Vv, nu door eiseres geen aanvraag als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a van het Vb (gezinshereniging of gezinsvorming) is ingediend. Verweerder heeft in het verweerschrift het subsidiaire standpunt nader toegelicht, in die zin, dat weliswaar dient te worden aangenomen dat in casu sprake is van privéleven, maar dat geen sprake is van zeer langdurig privéleven op basis van rechtmatig verblijf of een daarmee gelijk te stellen situatie, dan wel zeer langdurige onzekerheid omtrent de verblijfsstatus.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee miskent dat, zoals ook is overwogen door de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 20 november 2008 (AWB 08/21756), ten tijde van de totstandkoming van artikel 3.34f Vv verweerders beleid inzake artikel 8 EVRM alleen zag op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, aangezien eerst in oktober 2007 ook het recht op eerbiediging van het privéleven in verweerders beleid is opgenomen en toegelicht. Door zich op het standpunt te stellen dat alleen in het kader van een aanvraag voor gezinshereniging of gezinsvorming, artikel 8 EVRM een rol kan spelen bij een mogelijke vrijstelling van legesheffing, miskent verweerder dat het recht op uitoefening van het privéleven niet is gewaarborgd, nu daarvoor geen specifieke, onder artikel 3.34f Vv vallende beperking is aan te wijzen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het recht op uitoefening van het privéleven, in het kader van artikel 8 EVRM, thans in de regelgeving is gewaarborgd.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 Awb en komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal worden opdragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 21755

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 juni 2009

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], eiseres,

mede namens haar twee minderjarige kinderen,

[naam kind], geboren op [geboortedatum] en

[naam kind], geboren op [geboortedatum],

allen van Ghanese nationaliteit,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem.

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen op 6 oktober 2003, dan wel 4 februari 2004, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘conform beschikking minister’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 mei 2004 buiten behandeling gesteld. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 12 april 2005 gegrond verklaard voor wat betreft de buitenbehandelingstelling van de aanvraag en voorts is de aanvraag inhoudelijk afgewezen. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 30 juni 2005 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 6 december 2005, geregistreerd onder nummer AWB 05 / 31803, gegrond verklaard.

1.2 Bij besluit van 16 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 juli 2007, geregistreerd onder nummer AWB 06 / 12646, gegrond verklaard.

1.3 Bij besluit van 5 september 2007 is het bezwaar voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag gegrond verklaard en is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 16 april 2008, geregistreerd onder nummer AWB 07 / 37527, gegrond verklaard.

1.4 Bij besluit van 29 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar opnieuw gegrond verklaard voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvragen vanwege het niet betalen van de leges en de aanvragen alsnog buiten behandeling gesteld. Hiertegen heeft eiseres op 16 juni 2008 beroep ingesteld.

1.5 Eiseres heeft op 16 juni 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van 20 november 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek, geregistreerd onder nummer 08 / 21756 toegewezen.

1.6 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.7 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag.

2.3 Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is de vreemdeling in door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven.

2.4 In artikel 3.34, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv) is bepaald dat ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, een bedrag van € 331,- is verschuldigd.

2.5 Ingevolge artikel 3.34f, eerste lid, Vv is, in afwijking van artikel 3.34 Vv, de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb, indien hij om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichtingen te kunnen voldoen.

2.6 In B1/9.6 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder opgenomen dat een vreemdeling die een aanvraag indient om een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming desgevraagd ontheven kan worden van de verplichting tot het betalen van leges. Voorwaarde is dat de vreemdeling een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM. Ten behoeve van ontheffing van het legesvereiste wordt een beroep op artikel 8 EVRM gerechtvaardigd geacht indien verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt beoogd. Het onvermogen met betrekking tot legesbetaling dient bij de indiening van de aanvraag te worden aangetoond aan de hand van bewijsstukken. Indien deze stukken niet bij de aanvraag worden overgelegd, wordt geen herstel verzuim geboden ter aanvulling van de ontbrekende stukken en heeft de vreemdeling niet aangetoond niet aan de legesverplichting te kunnen voldoen.

2.7 In de uitspraak van 16 april 2008 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Artikel 8 [van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden] EVRM omvat naast het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven ook het recht op eerbiediging van het privéleven. In de bezwaarfase heeft eiseres bij meerdere gelegenheden zich beroepen op laatstgenoemd recht. In het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om ontheffing van het legesvereiste slechts beoordeeld in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde familie- of gezinsleven. Daarmee is het bestreden besluit al onvoldoende gemotiveerd. Verweerders verwijzing naar het beleid, zoals opgenomen in B1/9.6 Vc, kan niet tot een ander oordeel leiden. Aan dat beleid ligt kennelijk het standpunt ten grondslag dat niet is uitgesloten dat in individuele omstandigheden het heffen van leges een ontoelaatbare inbreuk vormt op het recht op gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. In die zin is ook geoordeeld door deze rechtbank, sector civiel, in de uitspraak van 16 februari 2005 (JV 2005/144) en deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2005 (AWB 04 / 33670). Zoals hierboven is overwogen, omvat artikel 8 EVRM evenwel ook het recht op eerbiediging van het privéleven. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom in individuele omstandigheden heffing van leges niet ook op dat recht een ontoelaatbare inbreuk zou kunnen vormen. Verweerder heeft daarover ter zitting ook geen opheldering kunnen verschaffen.”

2.8 Verweerder heeft zich op de volgende standpunten gesteld. Vrijstelling van het betalen van leges is alleen dan aan de orde indien een aanvraag is ingediend om een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming en een gerechtvaardigd beroep op artikel 8 EVRM is gedaan. In het onderhavige geval is echter een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning ‘conform beschikking minister’. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende bewijsstukken overgelegd teneinde de financiële situatie van haar en de kinderen aan te tonen en aannemelijk te maken dat zij niet over middelen kunnen beschikken om de leges te voldoen. Verder is overwogen dat, om wegens het bestaan van privéleven onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen, sprake dient te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van een schending van het privéleven sprake dient te zijn van een zeer lange verblijfsduur van circa dertig jaar. Verweerder verwijst op dit punt naar de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Sisojeva van 16 juni 2005 (registratienummer 14492/03), Shevanova van 15 juni 2006 (registratienummer 58822/00) en Slivenko van 9 oktober 2003 (registratienummer 48321/99). Dit kan eventueel in combinatie met de onzekerheid over de verblijfsstatus worden bezien, zoals blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak Mendizabal van 17 januari 2006 (registratienummer 51431/99). Eiseres verblijft, naar gesteld, meer dan 15 jaar, niet rechtmatig, in Nederland. Beide kinderen zijn in Nederland geboren en hebben hier onderwijs genoten. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat in het onderhavige geval geen sprake is van privéleven dat valt onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM. Derhalve kan ook om deze reden geen ontheffing worden verleend van de verplichting tot het betalen van leges op grond van artikel 8 EVRM.

2.9 Eiseres heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Voor zover verweerder heeft beoogd te betogen dat vrijstelling van het betalen van leges slechts mogelijk is indien de vreemdeling een aanvraag voor gezinsvorming of gezinshereniging indient, is dit onjuist. Het beleid waar verweerder zich op baseert bepaalt niet dat vrijstelling van de betaling van leges niet mogelijk is in andere gevallen waarin een gerechtvaardigd beroep wordt gedaan op het gestelde in artikel 8 EVRM, in het bijzonder als het gaat om een beroep op bescherming van het privéleven. Mocht dat wel zo zijn, dan zou het beleid moeten wijken voor de toepassing van een bindende verdragsrechtelijke bepaling. Ten onrechte heeft verweerder beleidsmatige (bewijs)voorschriften tegengeworpen door te overwegen dat eiseres de financiële situatie onvoldoende heeft aangetoond of onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over de middelen kan beschikken om de leges te voldoen. Deze voorschriften bestonden nog niet op het moment dat de aanvragen werden ingediend. Daarnaast blijkt uit de gespreksbevestiging van Sociale Zaken van de gemeente [stad] van 22 september 2003 voldoende van de financiële situatie van het gezin op de datum van de aanvraag. Verweerder heeft ook nooit eerder aanleiding gezien het gezin te vragen de betalingsonmacht nader te onderbouwen. Verweerder heeft overwogen dat geen sprake is van privéleven dat onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt. Het is echter niet zo dat onderscheid gemaakt kan worden tussen privéleven dat wel en dat niet onder de bescherming valt van artikel 8 EVRM. Het privéleven wordt beschermd door artikel 8 EVRM, ook dat van eiseres en haar kinderen. Verweerder heeft dit miskend.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 Primair heeft verweerder het standpunt gehandhaafd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het betalen van leges op grond van artikel 3.34f Vv, nu door eiseres geen aanvraag als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder a van het Vb (gezinshereniging of gezinsvorming) is ingediend. Verweerder heeft in het verweerschrift het subsidiaire standpunt nader toegelicht, in die zin, dat weliswaar dient te worden aangenomen dat in casu sprake is van privéleven, maar dat geen sprake is van zeer langdurig privéleven op basis van rechtmatig verblijf of een daarmee gelijk te stellen situatie, dan wel zeer langdurige onzekerheid omtrent de verblijfsstatus.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee miskent dat, zoals ook is overwogen door de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 20 november 2008 (AWB 08/21756), ten tijde van de totstandkoming van artikel 3.34f Vv verweerders beleid inzake artikel 8 EVRM alleen zag op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, aangezien eerst in oktober 2007 ook het recht op eerbiediging van het privéleven in verweerders beleid is opgenomen en toegelicht. Door zich op het standpunt te stellen dat alleen in het kader van een aanvraag voor gezinshereniging of gezinsvorming, artikel 8 EVRM een rol kan spelen bij een mogelijke vrijstelling van legesheffing,

miskent verweerder dat het recht op uitoefening van het privéleven niet is gewaarborgd, nu daarvoor geen specifieke, onder artikel 3.34f Vv vallende beperking is aan te wijzen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het recht op uitoefening van het privéleven, in het kader van artikel 8 EVRM, thans in de regelgeving is gewaarborgd.

2.12 Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 Awb en komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal worden opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.13 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

2.14 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.15 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiseres;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, en op 4 juni 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.