Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0906

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
316766 - HA ZA 08-2545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Openbaar Ministerie: heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door in media uitingen te doen over de doorzoeking van de woning van eiser?

Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 316766 / HA ZA 08-2545

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. den Hertog,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. F.W. Bleichrodt.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte overlegging producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 26 november 2008 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van partijen van 7 april 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] houdt zich al geruime tijd intensief bezig met wat in de media bekend is komen te staan als de ‘Deventer-moordzaak’. Hij heeft zich in dat kader kritisch uitgelaten over het opsporingsonderzoek en de bewijsvoering en heeft herhaaldelijk een verband gelegd tussen de gedragingen van de heer [A] (hierna: ‘[A]’) en het overlijden van mevrouw [B], het slachtoffer in deze zaak.

2.2. Op verzoek van de redactie van het televisieprogramma EénVandaag hebben [A] en zijn partner [C] (hierna: ‘[C]’) een dagboek bijgehouden over alles wat hun met betrekking tot de Deventer-moordzaak overkwam (hierna: ‘het dagboek’). Zij hebben een concept van het dagboek per e-mail aan mr. [D] (hierna: ‘mr. [D]’), de advocaat van [A], toegezonden.

2.3. Op enig moment heeft [eiser] van de heer [E] (hierna: ‘[E]’) een aantal e-mails met fragmenten uit het dagboek ontvangen.

2.4. [eiser] heeft vervolgens op 9 januari 2007, kort voordat de redactie van EénVandaag (een deel van) de uitzending aan genoemd dagboek zou wijden, (een deel van) de aan hem gestuurde fragmenten uit het dagboek op zijn internetpagina [internetadres] (hierna: ‘de weblog’) gepubliceerd.

2.5. Na onderzoek is gebleken dat [E] op enig moment het e-mailaccount van mr. [D] heeft gehackt en zo toegang heeft gekregen tot zijn e-mailbestand, waaronder e-mails van [C] aan mr. [D], met daarin voormelde fragmenten uit het dagboek. [E] heeft delen van deze e-mails vervolgens aan [eiser] toegezonden.

2.6. Mr. [D] heeft op 6 februari 2007 mondeling en op 8 februari 2007 schriftelijk jegens onder meer [eiser] aangifte gedaan van (uitlokking, medeplegen en/of medeplichtigheid aan) computervredebreuk als bedoeld in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr), heling als bedoeld in artikel 416 WvSr en - verkort weergegeven - openbaarmaking van geheime gegevens van een onderneming als bedoeld in artikel 273 WvSr (hierna: ‘de aangifte’).

2.7. Op 13 februari 2007 heeft de rechter-commissaris op verzoek van de officier van justitie wegens verdenking van overtreding van de artikelen 138a respectievelijk 416/417 WvSr een machtiging verstrekt ter doorzoeking van de woning van [eiser] te [woonplaats], waarna deze doorzoeking nog diezelfde dag omstreeks 20:15 uur onder leiding van een rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn op last van de rechter-commissaris onder meer vier computers in beslag genomen. Nadat van de harde schijf van elk van deze computers een digitale kopie was gemaakt, zijn enige dagen later de computers aan [eiser] geretourneerd. Door het Openbaar Ministerie is van iedere digitale kopie vervolgens een reservekopie (hierna: ‘back-up’) gemaakt.

2.8. Diezelfde avond heeft het Openbaar Ministerie tijdens een uitzending van het NOS-journaal een korte verklaring afgegeven over de reden van de doorzoeking bij [eiser]. In dat kader is onder meer verklaard:

“Betrokkenheid is gebleken uit het emailverkeer wat wij vorige week ook in beeld hebben gebracht, onderschept bij de meneer die vorige week is aangehouden. En voorts uit de verklaringen die deze verdachte zelf ook heeft afgelegd. En daaruit blijkt van de betrokkenheid van de heer [eiser].”

En in antwoord op de vraag: “Praten we dan over actieve betrokkenheid?”:

“Daar doen we nog nader onderzoek naar, wat exact die betrokkenheid inhoudt. Maar er lijkt sprake te zijn van een mate van betrokkenheid die zodanig is dat we hem als verdachte hebben aangemerkt.”

2.9. Bij brief van 26 november 2007 heeft de officier van justitie aan [eiser]

een kennisgeving van niet verdere vervolging gestuurd. De officier van justitie schrijft in deze brief onder meer het volgende.

Wat betreft de verdenking van overtreding van artikel 138a WvSr:

“Uit het onderzoek is gebleken dat er geen sprake is geweest van uitlokken door u of medeplegen of medeplichtigheid van u aan computervredebreuk bestaande uit – kort samengevat – het hacken van de mailbox van de raadsman mr. [D]. Het initiatief tot het hacken is niet door u genomen en het daadwerkelijk uitvoeren hiervan is zonder ondersteuning van u uitgevoerd. Ook is er geen sprake geweest van een eventuele bewuste, nauwe samenwerking tussen u en (andere) verdachte(n) bij de uitvoering. U zal voor dit feit niet vervolgd worden omdat u hier niet (op strafbare wijze) bij betrokken bent geweest.”

Wat betreft de verdenking van overtreding van artikel 416 WvSr:

“Het voorhanden hebben van “gehackte gegevens” is niet strafbaar onder de zogenaamde klassieke helingbepalingen (…). Ook voor dit feit zal u dus niet vervolgd worden, aangezien er geen sprake is van een strafbaar feit.”

En wat betreft de verdenking van overtreding van artikel 273 WvSr:

“Op grond van de resultaten van het onderzoek kan bewezen worden dat de door u op uw weblog gepubliceerde gegevens (…) afkomstig zijn uit een geautomatiseerd werk van een onderneming van dienstverlening (…) en dat deze gegevens door u bekend zijn gemaakt op een moment dat deze informatie nog niet algemeen bekend was. (…) Echter (…) ben ik van mening dat dit strafbare feit zodanig gering te noemen valt dat dit een verdere vervolging van u niet kan rechtvaardigen, nu dit onevenredig zwaar zou zijn. Om die reden heb ik besloten dit strafbaar feit te seponeren wegens”gering feit”.”

2.10. Op 7 december 2007 zijn de in r.o. 2.7. genoemde digitale kopieën en back-ups op last van het Openbaar Ministerie vernietigd.

2.11. Bij brief van 31 januari 2008 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden (reputatie)schade ten gevolge van onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3.2. Op hetgeen [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd en hetgeen de Staat daartegen in heeft gebracht wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (zie o.a. Hoge Raad,

13 oktober 2006, NJ 2007, 432) van het onrechtmatig instellen of voortzetten van een vervolging en het onrechtmatig toepassen van dwangmiddelen zoals een doorzoeking en inbeslagneming ten aanzien van een gewezen verdachte slechts sprake is indien a) de strafvervolging is ingesteld of voortgezet of deze dwangmiddelen zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten, dan wel b) indien achteraf - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking op grond waarvan de strafvervolging is ingesteld of het dwangmiddel is toegepast, ten onrechte heeft bestaan.

Daarnaast kan aansprakelijkheid van de Staat voortvloeien uit feitelijk onrechtmatig handelen door de Staat.

4.2. In deze zaak beroept [eiser] zich in de eerste plaats op het in r.o. 4.1. sub a bedoelde geval: naar zijn mening was ten tijde van de doorzoeking van zijn woning niet voldaan aan het in artikel 27 Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘WvSv’) neergelegde vereiste van een redelijk vermoeden van schuld (strijd met wet) en heeft die doorzoeking bovendien in strijd met het vereiste van proportionaliteit plaatsgevonden (veronachtzaming van fundamentele vereisten). In de tweede plaats heeft de Staat volgens [eiser] ook feitelijk onrechtmatig gehandeld in het kader van zijn contacten met de media.

De rechtbank zal de afzonderlijke grondslagen en hetgeen de Staat daartegen ten verwere heeft aangevoerd hieronder bespreken.

Strijd met de wet of veronachtzaming van fundamentele vereisten

Strijd met de wet

4.3. Vast staat dat de rechter-commissaris in het kader van de aanvraag van de machtiging tot doorzoeking van de woning van [eiser] in elk geval het vereiste van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 van het WvSv heeft getoetst. De vraag tot welke voorwerpen de inbeslagname zich diende uit te strekken, is door de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking getoetst. Terecht heeft de Staat aangevoerd dat de externe geslotenheid van het stelsel van rechtsmiddelen er in beginsel aan in de weg staat de juistheid van deze beslissing in het onderhavige civiele geding te toetsen (zie o.a. Gerechtshof ’s-Gravenhage, 31 mei 2007, LJN BA6763).

4.4. [eiser] heeft betoogd dat de leer van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen moet worden doorbroken indien, zoals in casu, de strafzaak is geseponeerd, nu in zo’n geval de strafrechter niet de gelegenheid heeft gekregen om de rechtmatigheid van de doorzoeking te beoordelen en eventueel bewijs uit te sluiten. De civiele rechter dient dan op te treden als restrechter, aldus [eiser]. De rechtbank volgt hem hierin niet. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een dergelijke afwijking van de hoofdregel geen aanknopingspunt te vinden. Dat bij afloop van een strafzaak, ongeacht de wijze waarop, soms “het doek” valt en aan (verdere) rechterlijke toetsing niet wordt toegekomen, is nu eenmaal de consequentie van genoemde leer.

4.5. Vervolgens rijst de vraag of juist is de (door de Staat betwiste) stelling van [eiser] ter comparitie dat in casu een uitzondering op de leer van de externe geslotenheid van het stelsel van rechtsmiddelen moet worden aanvaard, omdat het Openbaar Ministerie destijds niet alle relevante informatie aan de rechter-commissaris heeft verschaft. Op zichzelf is denkbaar - de Staat heeft dit ook erkend - dat het bewust misleiden van de rechter-commissaris, althans het opzettelijk achterhouden van voor diens toetsing relevante informatie, kan leiden tot doorbreking van voormelde leer. Dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet is echter gesteld noch gebleken. De stelling van [eiser] dat het enkele niet verschaffen van alle relevante informatie reeds tot de door hem voorgestane doorbreking zou moeten leiden, gaat naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid te ver. Zij ziet bovendien ook in dit concrete geval geen aanleiding om [eiser] in diens standpunt te volgen. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.6. Volgens [eiser] is de rechter-commissaris ten onrechte niet de inhoud van het eerste verhoor van [E] getoond, waarin hij aangeeft de inloggegevens van het e-mailaccount van mr. [D] niet aan [eiser] maar alleen aan de heer [F] (hierna: ‘[F]’) te hebben verstrekt. In het “proces-verbaal van aanvraag van doorzoeking woning” (hierna: ‘de aanvraag doorzoeking’ - zie prod. 9 bij akte overlegging producties) is de inhoud van de verklaring van [E] bij zijn eerste drie verhoren samengevat weergegeven, waaronder zijn verklaring dat hij de bewuste inloggegevens niet aan [eiser] had verstrekt. Daargelaten of het ontbreken van deze informatie tot een andere beslissing op de aanvraag doorzoeking had geleid, is bedoelde informatie derhalve wel degelijk ter kennis van de rechter-commissaris gebracht. [eiser] heeft voorts gesteld dat de e-mail van [E] van 5 december 2006 (overgelegd als prod. 5 bij akte overlegging producties) met daarin de tekst “Vraag niet hoe het kan maar profiteer er van!” ten onrechte niet aan de rechter-commissaris ter beschikking is gesteld. Nog afgezien van het feit dat de Staat ter comparitie terecht heeft betoogd dat de inhoud van deze e-mail geen weergave van de werkelijkheid behoeft te zijn, kon, anders dan [eiser] heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank op basis van die e-mail destijds niet worden uitgesloten dat [eiser] mogelijk betrokken was geweest bij het hacken van de computer van mr. [D].

4.7. Uit het voorgaande volgt dat de externe geslotenheid van het stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat deze rechtbank toetst of de rechter-commissaris destijds een juiste beslissing heeft genomen.

4.8. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de door [eiser] voorgestane toetsing (mocht die al mogelijk zijn geweest) niet in zijn voordeel zou zijn uitgevallen. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de aanvraag doorzoeking al vaststond dat (i) het e-mailaccount van mr. [D] door [E] was gehackt, (ii) dat [E] een deel van de hierdoor verkregen informatie aan [eiser] had verstrekt en (iii) dat [eiser] op zijn beurt (een deel van) deze informatie op zijn weblog had geplaatst. Voorts wordt in de aanvraag doorzoeking gemeld dat onderzoek had uitgewezen dat [E] (een deel van) genoemde informatie aan [F] had verstuurd, nadat hij hiervoor toestemming van [eiser] had gekregen. Ook zou [E] meermalen per e-mail contact hebben gehad met [eiser] over het hacken van het e-mailaccount van de partner van [A]. Weliswaar heeft [E] verklaard dat [eiser] bij het hacken niet betrokken was, maar - zoals de Staat terecht betoogt - kon het Openbaar Ministerie niet blindelings op de verklaring van een medeverdachte varen en was nader onderzoek in beginsel geboden.

4.9. De in r.o. 4.8. weergegeven informatie was in elk geval voldoende basis voor een redelijk vermoeden van schuld van [eiser] aan (uitlokken van/medeplegen van/medeplichtigheid aan) overtreding van artikel 138a WvSr (computervredebreuk). De doorzoeking en inbeslagneming waren mede op deze verdenking gebaseerd, hetgeen de wet ook toestaat (zie artikel 97 jo. 67, eerste lid sub b WvSv). Reeds daarom is van strijd met de wet zoals door [eiser] is betoogd geen sprake. Dat thans, achteraf, kan worden vastgesteld dat tijdens en na de doorzoeking geen (nadere) belastende informatie is gevonden en dat de strafzaak tegen [eiser] uiteindelijk is geseponeerd op grond van de informatie die ook al bekend was vóór de doorzoeking, doet, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet af aan het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de aanvraag doorzoeking. Het betreft hier immers een toetsing ex tunc, dat wil zeggen op basis van de toen voorhanden zijnde informatie. De vraag of die informatie destijds een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigde is bovendien een andere dan de (later beantwoorde) vraag of verdere vervolging gerechtvaardigd respectievelijk opportuun zou zijn.

Veronachtzaming van fundamentele vereisten

4.10. Volgens [eiser] is de omvang van de doorzoeking en de inbeslagneming disproportioneel en daarmee onrechtmatig geweest. Ten onrechte is het onderzoek in de woning niet beperkt tot de computers en meer specifiek tot de e-mailcorrespondentie in de voor het onderzoek relevante, relatief korte periode. Bovendien had de Staat minder ingrijpende middelen dan een doorzoeking kunnen aanwenden, nu het de benodigde informatie over die correspondentie eenvoudig rechtstreeks van [eiser] dan wel via zijn provider had kunnen verkrijgen. Voorts heeft de Staat ten onrechte een grote hoeveelheid voor het onderzoek niet relevante privé-informatie van de harde schijf van de computers van [eiser] gekopieerd en lange tijd onder zich gehouden.

4.11. Daargelaten de vraag of de Staat inderdaad via de e-mailprovider de beschikking had kunnen krijgen over de gehele e-mailcorrespondentie tussen [E] en [eiser] - daarover lopen de meningen uiteen -, dan had dit uitsluitend kunnen leiden tot inzage in het e-mailverkeer van [eiser]. De Staat stelt terecht dat de door [E] onrechtmatig verkregen informatie tevens op andere wijze dan uitsluitend per e-mail verspreid kon zijn. In dat kader is het dan ook begrijpelijk dat het onderzoek in de woning zich niet heeft beperkt tot de harde schijf van elk van de vier computers van [eiser], doch zich over de gehele woning van [eiser] heeft uitgestrekt, waaronder de in de woning aanwezige schriftelijke documenten alsmede de harde schijf van de bewakingscamera van de woning. Om diezelfde reden was de Staat niet verplicht om, alvorens tot een doorzoeking over te gaan, [eiser] eerst uit te nodigen voor verhoor en hem om uitlevering van de relevante e-mail correspondentie te verzoeken. Het onderzoek zag immers zoals gezegd niet alleen op die e-mailcorrespondentie en afgezien daarvan heeft de Staat terecht opgemerkt dat hij niet af hoeft te gaan op een door een betrokkene daarvan gemaakte selectie van zijn e-mailcorrespondentie.

4.12. [eiser] meent voorts dat de Staat er voor had kunnen en moeten kiezen om het onderzoek naar documenten in zijn computers direct in de woning te laten plaatsvinden zodat geen digitale kopie van álle documenten, waaronder zijn privé-documenten, gemaakt had hoeven worden. De rechtbank stelt voorop dat zonder meer begrijpelijk is dat het feit dat politie en Openbaar Ministerie kennis hebben kunnen nemen van allerlei privé-informatie van [eiser] en dat deze informatie vervolgens ruim negen maanden in hun bezit is gebleven, bij [eiser] een gevoel van onbehagen teweeg heeft gebracht. Dit maakt de wijze van aanpak van de Staat echter nog niet onrechtmatig. Namens de Staat is ter comparitie uitgelegd dat men destijds juist meende de doorzoeking door de onderhavige werkwijze op de voor [eiser] minst belastende wijze te laten plaatsvinden, omdat het aldus niet nodig was de gehele inhoud van de computers direct ter plaatse te bekijken, hetgeen volgens de Staat een tijdrovende klus zou zijn geweest. De Staat heeft erop gewezen dat aan de buitenkant van een gegevensdrager niet te zien is wat het bevat en dat een map met de naam “vakantiefoto’s 1995” bijvoorbeeld ook voor het onderzoek relevante informatie kan bevatten. Tijdens een doorzoeking wordt bovendien ook kennis genomen van analoge privé-informatie (papieren, foto’s); het enige verschil is dat deze in de woning achterblijven, aldus de Staat. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de door [eiser] gewraakte werkwijze niet onrechtmatig is. Van belang is ook dat de digitale kopieën en back-ups na de sluiting van het onderzoek tegen [eiser] zijn vernietigd. [eiser] heeft het tijdsverloop (doorzoeking in februari 2007 enerzijds, sepotbeslissing eind november 2007 en vernietiging gegevens begin december 2007 anderzijds) begrijpelijkerwijs als lang ervaren, doch ook in dit opzicht is geen sprake van onrechtmatig handelen, voor zover [eiser] dit al heeft willen betogen. Daarbij speelt een rol dat het onderzoek zich niet alleen op [eiser] richtte, maar ook op [E] en [F].

4.13. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van strijd met de wet of veronachtzaming van fundamentele vereisten zoals bedoeld in r.o. 4.1. (geval sub a).

Media-aandacht

4.14. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of juist is de stelling van [eiser] dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door (i) de media in te lichten over het plaatsvinden van de doorzoeking met als gevolg dat zij tijdens de doorzoeking reeds voor het huis stonden en (ii) door de wijze waarop het Openbaar Ministerie die avond in het NOS-journaal over de reden van de doorzoeking heeft bericht.

4.15. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij na de doorzoeking van een door hem bij naam genoemde journalist (hierna: ‘de journalist’) heeft gehoord dat het bij een gebeurtenis als deze te doen gebruikelijk is dat het Openbaar Ministerie eerder op de dag de media inlicht dat er die dag iets te gebeuren staat. Hoe ze dan te weten komen waar zij uiteindelijk moeten zijn, wist [eiser] niet; hij nam aan dat ze dan een seintje kregen. Volgens [eiser] wilde de journalist hem desgevraagd niet vertellen wie hem had verteld dat er een doorzoeking bij [eiser] zou plaatsvinden, maar gaf hij aan dat hij wel bereid was onder ede te verklaren “hoe een en ander die avond is verlopen”. De Staat heeft uitdrukkelijk betwist dat er vanuit het Openbaar Ministerie ruchtbaarheid is gegeven aan de doorzoeking.

Voorop staat dat de Staat niet aansprakelijk gehouden kan worden steeds wanneer de media voortijdig, althans buiten de officiële kanalen, informatie krijgen over een strafzaak. Of de Staat met succes kan worden aangesproken op grond van onrechtmatige daad hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of de inlichtingen zijn verstrekt door een functionaris voor wiens handelen de Staat aansprakelijk is. [eiser] heeft niet gesteld dat (de journalist hem heeft verteld dat) dit laatste in casu het geval is en ook overigens zijn de stellingen van [eiser] te weinig concreet om tot onrechtmatig handelen van de Staat te kunnen concluderen. Dit betekent dat [eiser] niet kan worden toegelaten tot bewijslevering.

4.16. Dat het Openbaar Ministerie in de media een korte verklaring (zie r.o. 2.8.) over de reden van de doorzoeking heeft gegeven, acht de rechtbank gelet op de aandacht die deze doorzoeking in de media al had gekregen, waaronder volgens [eiser] vermelding op Teletekst, gerechtvaardigd. De inhoud van deze verklaring is gelet op hetgeen toen reeds uit onderzoek naar voren was gekomen, verder voldoende genuanceerd en terughoudend. Het is dan ook niet gebleken dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld bij het informeren van de media over de reden van de doorzoeking.

4.17. Uit het voorgaande blijkt dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen van de Staat in het kader van het optreden in de media.

Schade en causaal verband

4.18. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan een beoordeling van de door [eiser] gestelde schade en het causaal verband niet meer toe.

Slotsom

4.19. De conclusie uit het vorenstaande is dat het Openbaar Ministerie niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De vordering jegens de Staat zal derhalve worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering af,

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 254,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat,

- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Valk, mr. H.M. Boone en mr. M.C. Bruining en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009 in het bijzijn van de griffier.?