Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/24442, 07/24439
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL7629, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Partner gemeenschapsonderdaan, procesbelang, paspoortvereiste, 8 EVRM

Nu niet uitgesloten is dat de vraag of eiser ten tijde van zijn relatie met de gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf had, relevant is voor de beoordeling van het recht op verblijf bij zijn huidige partner, in het bijzonder gelet op artikel 8 EVRM, neemt de rechtbank procesbelang aan.

In Richtlijn 2004/38 en art. 8.13, derde lid van het Vb, is opgenomen dat voor de afgifte van een verblijfskaart een geldig paspoort is vereist. Niet in geschil is dat de identiteit tevens op andere, ondubbelzinnige wijze kan worden aangetoond. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet valt uit te sluiten dat de omstandigheid dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet over een paspoort of ander document ter vaststelling van de identiteit kan beschikken relevant kan zijn bij de beantwoording van de vraag of hij op ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij niet meer in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document.

Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen. Voor zover eiser betoogt dat het stellen van het identiteitsvereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM wordt dit, gelet op de hiervoor neergelegde interpretatie van dit vereiste, niet gevolgd door de rechtbank. Voor zover het beroep van eiser op dit artikel op andere gronden steunt, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 07/24442 (beroep)

AWB 07/24439 (voorlopige voorziening)

V-nr: *

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiser /verzoeker [naam], geboren [datum] in 1986, van Angolese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 mei 2006 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Het daartegen op 20 december 2006 ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007, ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen dient te verlaten.

Op 13 juni 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen het voormelde besluit op bezwaar ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 13 juni 2007 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2008. Aldaar zijn verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de partner [naam] van eiser. Namens verweerder is mr. W.G. Graafland verschenen. Bij beslissing van 4 december 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 januari 2009. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn partner. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

Wettelijk kader

1.1 Artikel 10 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38) luidt, voor zover van belang:

“1. Het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag terzake vastgesteld door de afgifte van een document, "verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie" genoemd. Een verklaring dat de aanvraag om een verblijfskaart is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven.

2. Voor de afgifte van de verblijfskaart verlangen de lidstaten overlegging van de volgende documenten:

a) een geldig paspoort;”

1.2 Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is paragraaf 2 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het EG-Verdrag en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 is die paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft.

1.3 In artikel 8.13 van het Vb 2000 is bepaald dat (onder meer) de vreemdeling bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c van het Vb 2000. Het derde lid van artikel 8.13 van het Vb 2000 schrijft voor dat bij de indiening van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument de vreemdeling onder meer een paspoort overlegt.

Beoordeling van het beroep

2.1 De door eiser ingediende aanvraag strekt tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat eiser een relatie had met iemand [naam] van Spaanse nationaliteit en woonachtig in Nederland.

2.2 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure, omdat hij nu een relatie heeft met een Nederlandse partner [naam], en het in de onderhavige procedure gaat om een declaratoir verblijfsrecht.

Subsidiair handhaaft verweerder het standpunt in het bestreden besluit dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen, omdat zijn identiteit en nationaliteit niet zijn aangetoond. Eiser heeft geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort overgelegd, noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit aangetoond.

De stelling van eiser dat hij als minderjarige naar Nederland is gevlucht en derhalve niet in het bezit is van een paspoort, maakt dit niet anders. Het W-document waar eiser over beschikt, is geen geldig identiteitsdocument waarmee eiser zonder enige twijfel zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen.

Toetsing aan het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) staat buiten het toetsingskader van afgifte van een EU-verblijfsdocument, eiser kan een daartoe strekkende aanvraag indienen.

Van het horen is afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.3 Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er belang bestaat bij de onderhavige procedure, nu het voor een toekomstig recht op (voortgezet) verblijf van belang kan zijn of in de voorafgaande periode sprake was van verblijfsrecht.

Eiser heeft als derdelander die een relatie heeft met een burger van de Europese Unie een declaratoir verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht. Verblijfsweigering kan volgens eiser enkel als blijkt dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, niet vanwege het ontbreken van een paspoort. Bij verblijfsbeëindiging moeten bovendien alle feiten en omstandigheden worden meegewogen.

Nu dit niet is gebeurd, heeft verweerder niet van het horen van eiser af kunnen zien.

Eiser heeft voorts vergeefs getracht een paspoort te verkrijgen. Verweerder dient aan te geven waarom geen vrijstelling van het paspoortvereiste wordt verleend, aangezien dit naar nationaal beleid kan en het evenredigheidsbeginsel van artikel 12 van het EG-Verdrag hiertoe noopt.

Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat getoetst moet worden aan artikel 8 van het EVRM en dat louter door de gezinsband verblijfsrecht bestaat.

2.4 Met betrekking tot de vraag of eiser belang heeft bij (de voortzetting van) deze procedure, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij zijn huidige partner [naam] en dat de relatie met voornoemde [naam] vorige partner is verbroken. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de vraag of eiser ten tijde van zijn relatie met [naam] bedoelde voormalige partner rechtmatig verblijf had, relevant is voor de beoordeling van het recht op verblijf bij zijn huidige partner, in het bijzonder gelet op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank neemt dan ook in de onderhavige procedure procesbelang aan. Het beroep is ontvankelijk.

2.5 Eiser stelt dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen op de grond dat zijn identiteit niet is vastgesteld. De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 De rechtbank verwijst naar artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.13, derde lid, van het Vb 2000. Daarin is expliciet opgenomen dat voor de afgifte van de verblijfskaart overlegging van een geldig paspoort is vereist. Vast staat dat eiser geen identiteitskaart of paspoort heeft overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) volgt dat aan de voorwaarden voor afgifte van het gevraagde verblijfsdocument eveneens is voldaan indien de vreemdeling op andere, ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat uit het gemeenschapsrecht volgt dat eiser ook zonder het ondubbelzinnig aantonen van zijn identiteit een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht en op grond daarvan aanspraak kan maken op het aangevraagde verblijfsdocument. De rechtbank vindt in de door eiser aangehaalde arresten van het HvJ EG, waaronder het arrest van 25 juli 2002, C-459/99, JV 2002, 291 (BRAX), r.o. 102, geen bevestiging van zijn stelling. Uit dit arrest volgt immers juist, dat van een uit een derde land afkomstige echtgenoot van een gemeenschapsburger kan worden verlangd het bewijs te leveren van (onder meer) zijn identiteit. Zo staat in rechtsoverweging 80 “(…) dat artikel 4 van richtlijn 68/360 en artikel 6 van richtlijn 73/148 aldus dient te worden uitgelegd, dat een lidstaat niet op grond van deze bepalingen een verblijfsvergunning kan weigeren aan een onderdaan van een derde land die het bewijs kan leveren van zijn identiteit [onderstreping rechtbank] en van zijn huwelijk met een onderdaan van een lidstaat, en hem niet van het grondgebied kan verwijderen, op de enkele grond dat hij het grondgebied van de betrokken lidstaat onregelmatig is binnengekomen.”

2.7 In geschil is verder of eiser zijn identiteit ondubbelzinnig heeft aangetoond. Eiser heeft in dit verband gewezen op het zogenoemde W-document dat hem in het kader van zijn asielaanvraag is verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de hand van dit document eisers identiteit niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld. Het betreft een document dat ertoe strekt aan te tonen dat de vreemdeling in afwachting is van een besluit of een rechterlijke beslissing omtrent een verblijfsvergunning asiel (zie artikel 3. 3, eerste lid, onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000). Het document wordt verstrekt op basis van de persoonsgegevens die de vreemdeling zelf bij zijn asielaanvraag heeft opgegeven. In dit geval is voorts van belang dat eisers asielaanvraag onherroepelijk is afgewezen omdat het relaas ongeloofwaardig is bevonden. Het voorgaande in aanmerking genomen, kan de identiteit van eiser niet met de vereiste mate van objectiviteit en zekerheid worden vastgesteld op grond van het W-document.

2.8 Eiser stelt verder dat hij buiten zijn schuld niet over een paspoort of ander document ter vaststelling van zijn identiteit kan beschikken. De rechtbank sluit niet uit dat de omstandigheid dat een vreemdeling buiten zijn schuld niet aan documenten ter vaststelling van zijn identiteit kan komen relevant kan zijn bij de beantwoording van de vraag of hij op ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. Uit de door eiser hiertoe overgelegde stukken kan echter niet worden opgemaakt dat eiser door de autoriteiten van zijn land van herkomst niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een paspoort dan wel een ander identiteitsdocument. Daartoe is onvoldoende dat een reactie van de Guinese ambassade te Brussel op door of namens eiser gedane verzoeken om afgifte van een dergelijk document is uitgebleven. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van eiser dat hij buiten zijn schuld niet aan documenten ter vaststelling van zijn identiteit kan komen.

2.9 Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank wijst er op dat artikel 8 van het EVRM deel uitmaakt van de grondrechten die volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG in de communautaire rechtsorde worden beschermd (zie hiervoor onder meer de arresten van het HvJ EG van 11 juli 2002, C-60/00 (Carpenter) en 27 juni 2006, C-540/03 (Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie). De Europese Gemeenschappen bieden een aanvaardbaar niveau van rechtsbescherming en als uitgangspunt geldt dat de EU-lidstaten het EVRM niet schenden door uitvoering te geven aan hun verplichtingen onder het gemeenschapsrecht. Deze presumptie kan worden weerlegd indien het in een individueel geval evident is dat het stelsel van rechtsbescherming haperde (zie EHRM 30 juni 2005, 45036/98, Bosphorus v. Ierland, en 20 januari 2009, 13645/905, Kokkelvisserij U.A. tegen Nederland). Voor zover eiser betoogt dat het stellen van het identiteitsvereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM, wordt dit niet gevolgd door de rechtbank. Immers, zoals hiervoor is overwogen is het mogelijk om de identiteit ook op andere wijze dan met een paspoort of identiteitskaart ondubbelzinnig aan te tonen en bestaat daarbinnen mogelijk enige ruimte om aan te tonen dat het buiten de schuld van de vreemdeling niet mogelijk is om over deze documenten te beschikken. Eiser heeft echter niet aangetoond dat hij zijn identiteit niet op andere wijze onomstotelijk kan aantonen, noch dat het voor hem onmogelijk is om over de bedoelde documenten te beschikken. Verder is van belang dat niet uitgesloten is dat eiser op een later moment alsnog aan dit vereiste kan voldoen. Gelet op het vorengaande acht de rechtbank de communautaire eis om de identiteit ondubbelzinnig aan te tonen niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Voor zover het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM op andere gronden steunt, heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser hiervoor een daartoe strekkende aanvraag kan doen.

2.10 Over de beroepsgrond van eiser dat verweerder niet van het horen van hem in bezwaar heeft kunnen afzien, overweegt de rechtbank het volgende.

De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen betrokkene in eerste instantie heeft aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien. Reeds in de primaire beslissing is eiser tegengeworpen dat hij geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft overgelegd, noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond. Eiser heeft in de gronden van bezwaar voorts niet aangevoerd dat hij alsnog een paspoort zou kunnen overleggen noch dat hij zijn identiteit op andere wijze zou kunnen aantonen. Daarnaast is in bezwaar niet gesteld dat het voor eiser onmogelijk is om over de bedoelde identiteitsdocumenten te beschikken. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond aangemerkt en afgezien van het horen. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.11 Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

3. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Proceskosten en griffierecht

4. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/24442,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/24439,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. R.H.G. Odink en H.M.L. Frons, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2009.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: ES

Coll: SH

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de utspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.