Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0794

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/13064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toezicht / aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vw 2000 / geen detentie

Betreft aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vw 2000 om zich tussen 07.30 en 18.00 uur beschikbaar te houden op het AC Schiphol in verband met de behandeling van de asielaanvraag. Verweerder heeft aangegeven dat het beleid om minderjarige vreemdelingen bewust niet duidelijk te zeggen dat het AC ’s nachts verlaten kan worden is gewijzigd. Er is nu een inlegvel, dat vanaf 10 april 2009 standaard wordt uitgereikt als een minderjarige vreemdeling zich meldt op het AC. Hierin staat informatie over de procedure en dat men niet verplicht is te blijven. In het Engels of via een tolk wordt de inhoud van het inlegvel uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat eiser is geïnformeerd. De mededeling dat men vrij is te vertrekken wanneer men niet beschikbaar hoeft te zijn voor de asielprocedure, ontneemt het karakter van vrijheidsontneming aan de maatregel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verblijf van eiser op het AC niet als detentie gekwalificeerd kan worden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 93 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/13064

V-nr.: *

inzake: eiser [naam], geboren [datum] in 1992, van (gestelde) Eritrese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Gunster, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 10 april 2009 is aan eiser op grond van artikel 55 van de Vw 2000 een aanwijzing gegeven om zich tussen 07.30 en 18.00 uur beschikbaar te houden op het aanmeldcentrum (AC) Schiphol in verband met de behandeling van zijn asielaanvraag. Deze aanwijzing is, blijkens het proces-verbaal van 10 april 2009, op dezelfde dag aan eiser in persoon uitgereikt.

Bij beroepschrift van 11 april 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en om schadevergoeding verzocht.

Op 16 april 2009 is de aanwijzing opgeheven.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 6 mei 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Bij faxbericht van 8 mei 2009 heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt. Bij faxbericht van 11 mei 2009 heeft eiser op verweerders inlichtingen gereageerd. Beide partijen hebben toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 mei 2009 gesloten

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser heeft van 11 april 2009 tot 16 april 2009 in het AC Schiphol verbleven en stelt zich op het standpunt dat hij zonder wettelijke grondslag gedetineerd is geweest. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 18 februari 2009 (AWB 08/36456) en naar uitspraken van de zittingsplaatsen Den Haag en Haarlem over dit onderwerp. Het betreft minderjarigen die in het AC in een afgesloten ruimte verbleven en geen voorlichting hebben gekregen over de mogelijkheid om het AC te verlaten. Het AC ligt op een industrieterrein. Er zijn geen mogelijkheden voor sport. Het AC is een echt detentiecentrum, met een kleine ruimte voor verblijf en een kooi om te luchten, waar men niet zes dagen kan verblijven. Verweerder stelt dat de situatie is veranderd maar eiser betwist dat aan hem de juiste informatie is verstrekt. Uit het dossier valt dit ook niet op te maken. Verweerder stelt dat tijdens het intakegesprek met vluchtelingenwerk hierover wordt gesproken maar zo’n gesprek vindt niet altijd plaats. Ook de contacten van verweerder met het Nidos blijken niet uit het dossier. Eiser is dan ook van mening dat de situatie nog hetzelfde is als ten tijde van voornoemde uitspraken. Het eerste gehoor vond plaats op 11 april 2009 daarna heeft eiser nog tot 16 april 2009 in het AC verbleven. Eiser meent dat hij recht heeft op schadevergoeding. De situatie in het AC is niet ingericht voor minderjarigen.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De situatie is ontstaan doordat eerder een groep minderjarige vreemdelingen spoorloos is verdwenen. Daarom is destijds, gelet op de kwetsbaarheid van deze jongeren, bewust niet duidelijk gezegd dat zij ‘s nachts het AC konden verlaten. Dit beleid van verweerder is door de rechtbank afgestraft. Verweerder heeft dan ook maatregelen genomen. Er is nu een inlegvel, dat vanaf 10 april 2009 standaard wordt uitgereikt als een minderjarige vreemdeling zich meldt op het AC. Hierin staat informatie over de procedure en dat ze niet verplicht zijn te blijven. In het Engels of via een tolk wordt de inhoud van het inlegvel uitgelegd. Hierna vindt een intakegesprek plaats met vluchtelingenwerk, meestal nog voor het eerste gehoor, waarin ook uitleg wordt gegeven. Vervolgens begint het eerste gehoor ook met de vraag of alles begrepen is, met name het inlegvel, en wordt dit aan het einde van het gehoor nogmaals gevraagd. Het verschil met de eerdere situatie is dus groot. Verweerder faciliteert het vertrek nu ook. Als een minderjarige vreemdeling aangeeft dat hij of zij weg wil belt verweerder het Nidos. Het Nidos kan niet beslissen maar geeft meestal het advies toch maar in het AC te blijven. Als men dan toch weg wil wordt dit niet tegengehouden. Kortom er wordt thans duidelijk gewezen op het feit dat ze weg mogen. Dat het AC op een industrieterrein ligt doet daaraan niet af. Met betrekking tot de locatie is niets gewijzigd. Wel kunnen ze over hun bezittingen beschikken. Wanneer ze dat aangeven mogen ze bij hun spullen, met uitzondering van mobiele telefoons in verband met de privacy van anderen. De minderjarige vreemdelingen verblijven nu ook niet meer weken in het AC maar twee tot vier nachten. Voorts kan sinds 17 april 2009, nadat de OC-beslissing is genomen, door middel van een toestemmingsverklaring worden aangegeven vrijwillig in het AC te blijven tot er plaats is in een OC. De situatie is dus wezenlijk veranderd. Er is geen sprake van een situatie als in een politiecel of een huis van bewaring. Er is nu een spelcomputer en een tv. Dat de deur op slot gaat is om onbevoegden buiten te houden. Ten tijde van de eerdere jurisprudentie was er sprake van een cumulatie van factoren: er werd geen informatie verstrekt en er werd niet gefaciliteerd. Nu gebeurt dat wel dus er is sprake van een wezenlijk andere situatie. De minderjarige vreemdeling kan zelf beslissen om weg te gaan, dus is er geen sprake van vrijheidsontneming.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder verzocht in elk van de zaken concreet aan te geven - onderbouwd met verklaringen van de betreffende personen - of:

1) de betrokken vreemdeling bij aankomst in het AC het inlegvel is overhandigd en op welke wijze deze aan hem, in een voor hem begrijpelijke taal, is toegelicht;

2) er een intake gesprek met Vluchtelingenwerk Nederland heeft plaatsgevonden voor het eerste gehoor en of/hoe hem hierbij is gewezen op de mogelijkheid het AC te verlaten;

3) eiser tijdens het eerste gehoor (bij aanvang/eind) is verteld dat hij het AC mag verlaten en waaruit dit blijkt.

Tevens wordt verzocht aan te geven of - indien een vreemdeling het AC wil verlaten - hij hierin wordt gefaciliteerd en zo ja, op welke wijze?

Bij faxbericht van 8 mei 2009 heeft verweerder deze vragen als volgt beantwoord.

Vanaf 10 april 2009 wordt aan iedere amv bij binnenkomst in het AC door de vreemdelingenpolitie het inlegvel uitgereikt. Hierbij is tevens de inhoud en strekking van het inlegvel in een voor de amv begrijpelijke taal uiteengezet. Dit geschiedt middels een tolk dan wel in een voor de amv begrijpelijke taal door de dienstdoende agent van de vreemdelingenpolitie. Hierbij is met name aandacht besteed aan het duidelijk kenbaar maken van het feit dat zij het AC mogen verlaten. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar een op 8 mei 2009 te Schiphol op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van A.J. Visser van de Vreemdelingenpolitie. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat, nu in de onderhavige procedure aan de amv bij binnenkomst voldoende duidelijk is gemaakt dat hij het AC mag verlaten, reeds hierom niet kan worden gesproken van een situatie die gelijk staat aan een vrijheidsontnemende maatregel zoals door de rechtbank overwogen in de uitspraak van 18 februari 2009. Immers toen werd door verweerder op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat het AC kon worden verlaten. Het is verweerder niet mogelijk gebleken informatie te verkrijgen met betrekking tot de vraag of en zo ja in welke vorm door Vluchtelingenwerk Nederland een intakegesprek is gevoerd en of betrokkene hierbij nogmaals is gewezen op de mogelijkheid het AC te verlaten. Met betrekking tot de vraag of tijdens het eerste gehoor nogmaals is verteld dat men het AC kan verlaten, verwijst verweerder naar het bijgevoegde overzicht waaruit blijkt dat in het onderhavige geval eiser tijdens het eerste gehoor kenbaar is gemaakt dat hij het AC kan verlaten. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat aan iedere amv bij binnenkomst voldoende duidelijk is gemaakt dat zij het AC mogen verlaten. Voorts deelt verweerder mede dat er geen standaard werkwijze is met betrekking tot het faciliteren van het verlaten van het AC. Dit is per geval afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat de vraag of er sprake is van vrijheidsontneming niet verder reikt dan de vraag of de amv vrijelijk het AC kan verlaten en de vrijheid heeft om te gaan en staan waar hij wil. De enkele omstandigheid dat het AC zich op een industrieterrein bevindt maakt niet dat er sprake is van vrijheidsontneming.

De gemachtigde van eiser heeft per fax van 11 mei 2009 op het antwoord van verweerder gereageerd. Eiser stelt nogmaals dat hij niet is geïnformeerd, nu uit het dossier niet blijkt dat het inlegvel in een voor hem begrijpelijke taal aan hem is uitgereikt. Enkel uit het rapport van het eerste gehoor blijkt dat voorlichting is gegeven omtrent het wel of niet verblijven op het AC. Dit is evenwel te laat. Van Vluchtelingenwerk is vernomen dat er met hen geen overleg is gepleegd over deze kwestie. Vluchtelingenwerk acht het ook niet tot hun taak dat zij voorlichting geven aan de minderjarigen omtrent het wel of niet verblijven op het AC. Subsidiair stelt eiser dat de mededeling aan eiser dat hij het AC ’s avonds mag verlaten niet maakt dat er geen sprake meer is van vrijheidsontneming. Het verlaten van het AC was namelijk geen reële optie. Eiser is immers vanuit Oude Pekela, in de provincie Groningen, naar het AC gestuurd voor de asielprocedure. Daarbij komt dat in de wachtruimte de situatie niet is veranderd. De amv is verplicht overdag op het AC te verblijven, achter gesloten deuren, omdat een vertrek consequenties kan hebben voor de asielaanvraag. Onmiskenbaar is sprake van een situatie van vrijheidsontneming. Overdag is eiser verplicht te blijven en vertrek ’s avonds is geen reële optie. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat dit anders is dan stelt eiser dat hij op grond van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers (RVA) recht heeft op opvang. Benadrukken dat het AC kan worden verlaten komt neer op het onthouden van opvang op grond van de RVA, omdat eiser dan of op straat terecht komt of op en neer moet reizen naar Oude Pekela wat fysiek niet mogelijk is. Eiser had recht op opvang en er was geen wettelijke grondslag hem in het AC de vrijheid te ontnemen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 55, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, van de Vw 2000 zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar dient te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.

De rechtbank stelt wat betreft de aard, de duur en de tenuitvoerlegging van de maatregel vast dat, ten tijde van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 februari 2009, waarnaar door eiser wordt verwezen, minderjarige vreemdelingen niet werden geïnformeerd over het feit dat zij ‘s nachts het AC mochten verlaten, dat zij gedurende ruim twee weken verbleven in de wachtruimtes en de slaapruimte van het AC die zij niet zomaar konden verlaten en niet vrijelijk de beschikking over hun bezittingen hadden.

Uit het verhandelde ter zitting van 6 mei 2009 en de aanvullende informatie van 8 mei 2009 is gebleken dat verweerder thans, in tegenstelling tot voorheen, minderjarige vreemdelingen informeert met betrekking tot hun recht om het AC vrijelijk te verlaten op de tijdstippen dat zij zich niet beschikbaar hoeven te houden. In de onderhavige zaak heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat sinds 10 april 2009 aan minderjarige vreemdelingen bij binnenkomst in het AC een inlegvel wordt uitgereikt, waarvan de inhoud in begrijpelijke taal, indien nodig met behulp van een tolk, wordt uitgelegd. Voorts wordt er tijdens het gesprek met Vluchtelingenwerk over gesproken, alsmede aan het begin en het einde van het eerste gehoor. Als iemand aangeeft inderdaad weg te willen, wordt contact opgenomen met het Nidos, welke instantie echter alleen een adviesfunctie heeft. Bij het faxbericht met aanvullende informatie van 8 mei 2009 heeft verweerder een proces-verbaal gevoegd waarin deze nieuwe handelwijze wordt bevestigd.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het betreffende proces-verbaal en acht dit voldoende om ervan uit te gaan dat sinds 10 april 2009 het inlegvel bij binnenkomst aan alle minderjarige vreemdelingen wordt uitgereikt en in een begrijpelijke taal wordt toegelicht. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat in de onderhavige zaak aan eiser bij binnenkomst in het AC expliciet is medegedeeld dat hij het AC kan verlaten wanneer hij niet beschikbaar hoeft te zijn voor de behandeling van zijn asielprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat eiser inderdaad is geïnformeerd en is het niet van doorslaggevend belang of dit later nog een of meerdere keren is herhaald in gesprekken met Vluchtelingenwerk en/of bij het eerste gehoor.

Verweerder heeft voorts aangegeven dat het karakter van het verblijf in het AC niet wezenlijk is veranderd. Slechts de duur van het verblijf is sterk verkort. De rechtbank overweegt dat verkorting van het verblijf niet het karakter van vrijheidsontneming aan de maatregel ontneemt, echter de mededeling dat men vrij is te vertrekken wanneer men niet beschikbaar hoeft te zijn voor de asielprocedure, ontneemt wel het karakter van vrijheidsontneming aan de maatregel. De rechtbank overweegt voorts dat zij inziet dat het praktisch en logistiek lastig is daadwerkelijk van het AC te vertrekken en dat het gebrek aan opvang het feitelijke vertrek bemoeilijkt. Dit maakt echter niet dat alsnog van vrijheidsontneming gesproken kan worden. De genoemde omstandigheden doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het vrijwillige karakter van het verblijf.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu men wordt gewezen op het recht het AC te verlaten gedurende de tijden dat men zich niet beschikbaar hoeft te houden voor de behandeling van de asielprocedure, het verblijf van eiser op het AC niet langer als detentie gekwalificeerd kan worden.

Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.M.J. Mooijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2009.

Afschrift verzonden op:17 juni 2009

Conc.: MM

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.