Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0633

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 36921
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan

Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn.

Uit de aard van het besluit tot ongewenstverklaring volgt dat niet snel van horen kan worden afgezien. Een besluit tot ongewenstverklaring is immers vergaand, belastend en ingrijpend. Hierbij wijst de rechtbank op het beleid zoals weergegeven in A5/2 Vc op grond waarvan bij toepassing van artikel 67 Vw de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend. Het bestreden besluit geeft daar geen blijk van, terwijl niet kan worden geoordeeld dat het bezwaarschrift, waarin ook expliciet wordt gevraagd om het bezwaar te mogen toelichten, geen aanleiding tot horen zou geven. Eiser heeft in bezwaar over zijn identiteit en zijn verblijf in Spanje het een en ander gesteld, onder meer dat hij vanaf 1995 rechtmatig verblijf in Spanje genoot, en die stellingen gedeeltelijk met stukken onderbouwd. Ter zitting zijn de omstandigheden van eiser nog nader toegelicht. Gelet op het vorenstaande kan niet geconcludeerd worden dat op voorhand geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar tot een ander besluit kan leiden. Verweerder had van het horen van eiser niet mogen afzien en heeft het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan.

Verweerder zal eiser alsnog moeten horen in bezwaar.

De rechtbank zal het beroep reeds gelet op het voorgaande gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van artikel 7:2 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 36921

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 juni 2009

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Liberiaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat te Zandvoort,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 11 juni 2008 eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen het besluit op 8 juli 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 16 september 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 14 oktober 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 67, eerste lid, onder c, Vw kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l Vw.

2.3 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. In A5/2 Vc is onder meer bepaald dat vreemdelingen met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ongewenst kunnen worden verklaard in gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste een maand bedraagt; het is daarbij niet vereist dat de betreffende uitspraak onherroepelijk is geworden. Bij de toepassing van artikel 67 Vw worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

2.4 Verweerder heeft eiser op grond van artikel 67, eerste lid, onder c, Vw ongewenst verklaard, omdat hij bij vonnis van 29 januari 2008 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden wegens overtreding van artikel 231 Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop vormt eiser een gevaar voor de openbare orde.

2.5 Eiser heeft in de bezwaarfase, samengevat, aangevoerd dat hij heeft aangetoond dat zijn opgegeven persoonsgegevens juist zijn. Voorts is er geen grond om eiser ongewenst te verklaren omdat hij geen vreemdeling is in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, Vw aangezien hij in het bezit was van een transitvisum. Eiser was op doorreis naar Spanje vanuit Nigeria toen hij op 15 januari 2008 op Schiphol arriveerde. Eiser heeft verblijfsrecht op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l Vw, zodat niet wordt voldaan aan het vereiste van A5 Vc. Hij verbleef derhalve niet onrechtmatig in Nederland. Tevens heeft eiser aangegeven dat hoger beroep is ingesteld tegen de strafrechtelijke veroordeling. Ten slotte is verzocht om schadevergoeding.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Het al dan niet bezitten van de persoonsgegevens betekent niet dat de ongewenstverklaring op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Voorts is niet gebleken dat eiser op grond van artikel 8 Vw rechtmatig verblijf heeft. Er is afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding zal separate besluitvorming plaatsvinden.

2.7 Eiser heeft in het beroepschrift de gronden van bezwaar herhaald en nog het volgende aangevoerd. Eiser exploiteert een eigen bedrijf in Spanje en heeft daarom belang bij het kunnen reizen via Schiphol. In het strafproces heeft eiser ter onderbouwing van de opgegeven persoonsgegevens een notariële akte ingebracht en een inschrijvingsbewijs van de gemeente Barcelona. Het hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling zal dienen op 3 augustus 2009. Verder heeft eiser de Liberiaanse ambassade verzocht te bevestigen dat de in het paspoort vermelde gegevens juist zijn. Deze bevestiging zal na ontvangst worden ingebracht. De belangenafweging dient in het voordeel van eiser uit te vallen. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het horen van eiser en eiser vraagt om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt vast dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 67 Vw in beginsel bevoegd was om tot ongewenstverklaring van eiser over te gaan. Daarmee staat nog niet zonder meer vast dat verweerder ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Het ligt immers op verweerders weg om bij de toepassing van de bevoegdheid een zorgvuldige belangenafweging te maken.

2.9 Ten aanzien van eisers grief dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

2.10 Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het ingevolge artikel 7:2, eerste lid, Awb belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.11 Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn.

2.12 Uit de aard van het besluit tot ongewenstverklaring volgt dat niet snel van horen kan worden afgezien. Een besluit tot ongewenstverklaring is immers vergaand, belastend en ingrijpend. Hierbij wijst de rechtbank op het onder rechtsoverweging 2.3 aangegeven beleid op grond waarvan bij toepassing van artikel 67 Vw de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend. Het bestreden besluit geeft daar geen blijk van, terwijl niet kan worden geoordeeld dat het bezwaarschrift, waarin ook expliciet wordt gevraagd om het bezwaar te mogen toelichten, geen aanleiding tot horen zou geven. Eiser heeft in bezwaar over zijn identiteit en zijn verblijf in Spanje het een en ander gesteld, onder meer dat hij vanaf 1995 rechtmatig verblijf in Spanje genoot, en die stellingen gedeeltelijk met stukken onderbouwd. Ter zitting zijn de omstandigheden van eiser nog nader toegelicht. Gelet op het vorenstaande kan niet geconcludeerd worden dat op voorhand geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar tot een ander besluit kan leiden. Verweerder had van het horen van eiser niet mogen afzien en heeft het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan.

2.13 Verweerder zal eiser alsnog moeten horen in bezwaar.

2.14 De rechtbank zal het beroep reeds gelet op het voorgaande gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van artikel 7:2 Awb.

2.15 Aan bespreking van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet toe.

2.16 De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 8 juli 2008 te nemen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. Verweerder zal daartoe een termijn worden gesteld.

2.17 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.18 De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15 Awb te veroordelen in de kosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt. Hiervoor is redengevend dat nog niet vast staat dat verweerder in het nieuw te nemen besluit op bezwaar het primaire besluit zal herroepen.

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

2.20 Over het verzoek om schadevergoeding heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat daarop bij separate beschikking nog zal worden beslist. Alsdan kan eiser desgewenst rechtsmiddelen aanwenden tegen dat schadebesluit.

3. Beslissing

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 16 september 2008;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 17 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.