Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0163

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
318624 - FA RK 08-6857
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO7303, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging erkenning vaderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 08-6857

Zaaknummer: 318624

Datum beschikking: 9 februari 2009

Afstamming

Beschikking op het op 1 september 2008 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. E.V.S. van Baarle

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

1. [de minderjarige], geboren op [datum] 2004 te [plaats A],

hierna te noemen de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J.I.M. van Ede-Pas,

advocaat, kantoorhoudende te Gouda,

zijnde de gekozen woonplaats,

2. [de man],

wonende te [plaats A],

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. --

Feiten

- Uit de moeder is geboren [de minderjarige], geboren op [datum] 2004 te [plaats A].

- De minderjarige is op 8 februari 2008 erkend door de vader.

- De vader is niet de biologische vader van de minderjarige.

- De moeder is van rechtswege alleen met het gezag over de minderjarige belast.

- De moeder, de vader en de minderjarige hebben allen sinds hun geboorte de Nederlandse nationaliteit.

- Van de moeder en de vader zijn in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [plaats A] geen gegevens opgenomen over huwelijk of partnerschapsregistratie.

Procedure

Het verzoekschrift strekt tot nietigverklaring van de erkenning, dan wel vernietiging van de erkenning van de vader over de minderjarige, ex. artikel 1:204 jo. artikel 1:205 Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kostens rechtens.

Bij en na indiening van het verzoekschrift zijn stukken overgelegd die de hiervoor genoemde feiten ondersteunen.

Bij beschikking d.d. 4 september 2008 is mr. Van Ede-Pas benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige.

Als bijlage bij het verzoekschrift van de moeder is overgelegd een door de vader ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de ingestelde gerechtelijke aanvraag tot vernietiging van zijn vaderschapserkenning.

Op 26 november 2008 is een verweerschrift van de bijzonder curator binnengekomen. De bijzonder curator verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen.

Op 12 januari 2009 is de zaak ter terechtzitting behandeld.

Hierbij zijn verschenen:

- de moeder bijgestaan door haar advocaat,

- de vader,

- de bijzonder curator.

Verzoek, grondslag en verweer

De moeder heeft aan haar verzoek (samengevat) ten grondslag gelegd dat de minderjarige is geboren uit een relatie met een andere man, welke relatie in 2006 is verbroken. Er is sprake geweest van verbale en fysieke agressie door deze ex-partner jegens de moeder, in bijzijn van de minderjarige. Uit angst voor haar voormalige partner heeft de moeder de minderjarige, op advies van derden en haar toenmalige advocaat, laten erkennen door de vader. Dit heeft zij gedaan vanuit de - achteraf gezien onjuiste - veronderstelling dat haar voormalig partner dan minder schade aan kon richten aan haar gezinsleven met de minderjarige. De moeder is langdurig bevriend geweest met de vader en heeft korte tijd een affectieve relatie met hem gehad. Thans merkt de moeder dat de relatie met de vader niet goed verloopt en dat de niet-Nederlandse naam voor de minderjarige tengevolge van de erkenning niet in haar belang is. Uit DNA-onderzoek blijkt dat haar voormalige partner de biologische vader is van de minderjarige. Aangezien de minderjarige derhalve al twee ouders had, is de erkenning door de vader nietig op grond van artikel 1:204 BW. Voorzover het verzoek tot nietigverklaring niet toewijsbaar is, verzoekt de moeder op grond van artikel 1:205 BW vernietiging van de erkenning, omdat zij daartoe op basis van onjuiste gegevens (onjuiste gronden en angst) toestemming heeft verleend.

De bijzonder curator voert verweer. Zij voert aan dat artikel 1:204 BW niet van toepassing is, nu dat artikel, in lid 1, sub f, ziet op de omstandigheid dat een kind al in familierechtelijke betrekking tot twee ouders staat. Dat is bij de minderjarige niet aan de orde.

Een erkenning waarbij sprake is van misbruik van bevoegdheid zou, in het licht van artikel 8 EVRM, eveneens nietig kunnen zijn. De jurisprudentie ter zake betreft uitsluitend geschillen tussen de moeder en de biologische vader, in het geval de biologische vader wil erkennen c.q. vervangende toestemming tot erkenning heeft gevraagd. Dat is in casu niet aan de orde. Bovendien is de bijzonder curator uit gesprekken met zowel de moeder als de vader gebleken dat er sprake is geweest van een affectieve relatie tussen hen beiden, dat zij tezamen een gezin hebben gevormd en de hoop hadden dat de relatie een stabiele en rustige gezinssituatie zou opleveren. Er was bij de erkenning dan ook geen sprake van het uitsluitende doel om de biologische vader de erkenning te onthouden.

Ook artikel 1:205 BW is volgens de bijzonder curator niet van toepassing. Er is geen sprake van "bewogen zijn tot toestemming tot erkenning" op grond van bedreiging, dwaling of bedrog.

Ten aanzien van het belang van [de minderjarige] geeft de bijzonder curator aan dat zij zich zorgen maakt over de rechtszekerheid en noodzakelijke bestendigheid voor [de minderjarige]. Vernietiging van de erkenning zou kunnen leiden tot de erkenning door een andere man, waarbij de huidige partner van moeder zich uitdrukkelijk heeft aangediend als de nieuwe vader van [de minderjarige]. De bijzonder curator vindt dat de vader zich laat leiden door de belangen van [de minderjarige], terwijl zij zich omtrent de nieuwe partner van de moeder zorgen maakt daar waar het betreft de belangen van [de minderjarige].

Beoordeling

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vader niet de biologische vader is van [de minderjarige]. De moeder heeft deze stelling gestaafd door het overleggen van een rapport vaderschapsonderzoek, d.d. 14 april 2004, uitgevoerd door mw. dr. G.G. de Lange, afdelingshoofd Vaderschapsonderzoek, van Sanquin Diagnostiek te Amsterdam. Uit dit onderzoek blijkt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat een andere man dan de vader de biologische vader is van de minderjarige.

Nietigheid erkenning

Het verzoek tot het nietigverklaren van de erkenning op grond van artikel 1:204 lid 1, sub f BW zal worden afgewezen. Een biologische vader is - uit juridisch oogpunt - pas vader indien de minderjarige binnen het huwelijk tussen hem en de moeder is geboren, indien hij de minderjarige heeft erkend of wanneer zijn vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. Dit alles was niet aan de orde. Aldus had de minderjarige op het moment van erkenning niet al twee ouders, zoals bedoeld in artikel 1:204 lid 1, sub f BW.

In reactie op het verweer van de bijzonder curator heeft de moeder nog aangevoerd dat de erkenning nietig is, omdat zij en de vader bij de erkenning misbruik van omstandigheden hebben gemaakt. Door angst is de moeder overgegaan tot het verlenen van toestemming voor de erkenning. De moeder verwijst in dit verband naar een drietal arresten (HR 21-09-1998, NJ 1999, 480, HR 21-12-1990, NJ 1991, 741 en de zogenaamde Kroon-case). De moeder wenst op te merken dat er sprake is van strijd met artikel 8 EVRM, omdat zij op aanraden van verschillende advocaten de minderjarige heeft laten erkennen door de vader, met het enkele doel dat haar voormalig partner, de biologische vader, [de minderjarige] niet zou kunnen erkennen. Ter zitting heeft de moeder gesteld dat de biologische vader zich kan beroepen op misbruik van omstandigheden door de moeder (de rechtbank neemt aan dat bedoeld wordt misbruik van bevoegdheid) en dat dit leerstuk thans a contrario van toepassing moet zijn op de moeder.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de moeder als zou de erkenning nietig zijn omdat deze door misbruik van bevoegdheid tot stand is gekomen. Het leerstuk van misbruik van bevoegdheid ziet op de situatie dat de moeder aan een andere man toestemming tot erkenning heeft gegeven, terwijl de biologische vader over had willen gaan tot erkenning en daartoe al stappen had ondernomen, dan wel indien hij nog niet bekend was met de omstandigheid dat hij biologisch vader was, daartoe nadat hij daarmee bekend is geworden stappen gaat ondernemen. Als de moeder in die situatie aan een andere man toestemming geeft tot erkenning, kán dat strijdig zijn met de rechten die de biologische vader aan artikel 8 EVRM ontleent. Voorgaande is een situatie die thans niet aan de orde is.

Het leerstuk van misbruik van bevoegdheid is naar het oordeel van de rechtbank, zoals ook blijkt uit de jurisprudentie, bedoeld ter bescherming van de belangen van de biologische vader bij erkenning van een biologisch kind. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het de rechtsvormende taak van de rechtbank te buiten om dit leerstuk a contrario toe te passen en te gebruiken ten behoeve van een verzoeker die zélf de toestemming tot erkenning heeft gegeven. Ook uit het oogpunt van rechtszekerheid dient naar het oordeel van de rechtbank niet lichtvaardig omgegaan te worden met het tenietdoen van een eenmaal totstandgekomen afstammingsrelatie. Dit alles in overweging nemend zal, nu wet noch jurisprudentie een rechtsgrond vormen voor het verzoek van de moeder, de rechtbank niet vaststellen dat de erkenning nietig is.

Vernietiging erkenning

Op grond van het bepaalde in artikel 1:205 lid 1 aanhef en onder sub c BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van de minderjarige is, bij de rechtbank worden ingediend door de moeder indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of - tijdens haar minderjarigheid - door misbruik van omstandigheden, bewogen is toestemming tot erkenning te geven. Conform het bepaalde in artikel 1:205 lid 3 BW wordt het verzoek door de moeder in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden niet later ingediend dat een jaar nadat de invloed heeft opgehouden te werken en in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

Vaststaat dat de vader niet de biologische vader van [de minderjarige] is. Daarmee is aan de eerste voorwaarde zoals genoemd in artikel 1:205 lid 1, aanhef BW, om te komen tot vernietiging van de erkenning voldaan.

Nu de moeder het verzoek binnen een jaar na de erkenning heeft ingediend, heeft zij het verzoek binnen de wettelijk bepaalde termijn ingediend.

De moeder voert enerzijds aan dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden en anderzijds dat er sprake is geweest van dwaling.

Ten aanzien van de door de moeder ter terechtzitting aangevoerde stelling dat er bij de toestemming voor de erkenning sprake is geweest van misbruik van omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. Indien een minderjarige moeder door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven, kan de erkenning vernietigd worden. De moeder was meerderjarig op het moment dat zij toestemming voor erkenning gaf. Reeds om deze reden kan deze grond niet leiden tot een vernietiging van de erkenning. De inhoudelijke beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden kan achterwege blijven.

Resteert de vraag of er sprake is geweest van dwaling.

De moeder voert hiertoe aan dat zij gedwaald heeft omtrent de gevolgen die de erkenning door de vader zou hebben. Zij dacht dat zij hierdoor haar ex-partner uit haar leven en dat van de minderjarige kon weren en zij heeft uit angst voor die ex-partner toestemming voor erkenning gegeven. Inmiddels is zij beter geïnformeerd en is haar gebleken dat een erkenning niet noodzakelijk is om bemoeienis door haar ex-partner in haar leven te voorkomen.

De bijzonder curator heeft betwist dat de moeder uitsluitend uit angst voor haar ex-partner toestemming voor erkenning heeft verleend en stelt - gemotiveerd - dat de moeder en de vader wel degelijk beoogd hebben om gezamenlijk een gezinsleven op te bouwen en dat de erkenning mede uit die wens is voortgekomen.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de moeder door dwaling is bewogen toestemming voor de erkenning te geven. De moeder stelt dat haar handelen is ingegeven door angst en dat zij ten onrechte verwachtte dat zij door toestemming voor erkenning te verlenen haar ex-partner uit haar leven kon bannen. De moeder heeft haar angst voor haar ex-partner niet voldoende nader kunnen onderbouwen. Zij heeft haar stelling slechts feitelijk onderbouwd door overlegging van een aangifte tegen haar ex-partner d.d. 28 augustus 2006. De erkenning heeft plaatsgevonden op

8 februari 2008 en de moeder heeft niet kunnen onderbouwen waarom anderhalf jaar na de aangifte de toestemming voor erkenning nog voortvloeide uit angst voor haar ex-partner.

Nu de stelling door de bijzonder curator is betwist, had het op de weg van de moeder gelegen deze stelling nader te onderbouwen. Dit geldt te meer omdat ook uit de uitlatingen van de vader, zoals door de bijzonder curator in het verweerschrift aangevoerd en door de vader ter terechtzitting gedaan, blijkt dat er wel degelijk sprake lijkt te zijn geweest van een band tussen hem en [de minderjarige]. Dit biedt steun voor de stelling van de bijzonder curator dat de erkenning nog een ander doel diende dan uitsluitend de angst van de moeder.

Nu de moeder haar stelling ontoereikend heeft onderbouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat de toestemming voor erkenning is ingegeven door angst en derhalve ook niet dat zij omtrent de noodzaak voor / gevolgen van de erkenning heeft gedwaald.

Het verzoek van de moeder zal derhalve worden afgewezen.

Belangen [de minderjarige] / raadsonderzoek

De bijzonder curator heeft in haar verweerschrift alsmede ter terechtzitting aangevoerd dat zij zich zorgen maakt over de belangen van [de minderjarige]. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij het zorgelijk vindt dat de moeder [de minderjarige] contact onthoudt met de biologische vader en vervolgens de juridische vader - mannen met wie [de minderjarige] een band had opgebouwd - na verbreking van haar relatie met die mannen. De bijzonder curator maakt zich zorgen omtrent de toekomstige (partner)keuzes van de moeder en de belangen van [de minderjarige] daarbij.

De moeder heeft gesteld dat zij zich in het verleden tot Bureau Jeugdzorg heeft gewend en dat zij ook hulp heeft gehad. Thans ziet Bureau Jeugdzorg geen aanleiding voor een hulpaanbod.

De rechtbank merkt op dat de wet duidelijke gronden biedt om te komen tot een nietigheid / vernietiging van de erkenning. Voor een eventuele toewijzing van het verzoek moet eerst aan de juridische vereisten zijn voldaan. Nu dat thans niet aan de orde is, ziet de rechtbank geen aanleiding om met het oog op de voorliggende verzoeken een raadonderzoek te gelasten. Voorzover de bijzonder curator heeft verzocht een raadsonderzoek te gelasten met het oog op een eventuele kinderbeschermingsmaatregel gaat de rechtbank ook daaraan voorbij. De bij de rechtbank beschikbare informatie geeft daartoe onvoldoende aanleiding.

Proceskostenveroordeling

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2009.