Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
329915 JE RK 09-273
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing accomodatie gesloten jeugdzorg 18+. Onder genoemde omstandigheden acht de rechtbank de vrijheidsbeperking die plaatsing van de jeugdige in [instelling] met zich meebrengt, ook in het licht van artikel 5 EVRM, toelaatbaar en staat deze in redelijke verhouding tot het doel dat ermee wordt beoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Zaak/rekestnummer: 329915 / JE RK 09-273

Datum uitspraak: 31 maart 2009

Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg na een voorlopige machtiging.

Beschikking op het verzoekschrift van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (hierna de SGJ), namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland.

Het verzoekschrift heeft betrekking op de jeugdige:

[jeugdige], geboren op [datum] 1990 te [plaats],

kind uit huwelijk van:

[man] (verder de vader),

en

[vrouw] (verder de moeder),

beiden wonende te [plaats].

De jeugdige verblijft feitelijk in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten [plaats].

Procesgang

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 4 maart 2008 de aan de SGJ verleende machtiging om voornoemde jeugdige dag en nacht uithuis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verlengd van 4 maart 2008 tot 4 maart 2009. De jeugdige was tot [datum] 2008, de datum waarop zij meerderjarig werd, ondertoezicht gesteld van de SGJ.

Op 2 februari 2009 heeft de SGJ een verzoekschrift met bijlagen - waaronder het plan van aanpak en een geldig indicatiebesluit - ingediend tot machtiging de jeugdige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Aangezien de SGJ een machtiging voor gesloten jeugdzorg heeft verzocht, is bij beschikking van 3 februari 2009 aan de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Gravenhage bevolen een advocaat aan de jeugdige toe te voegen.

Bij beschikking van 3 maart 2009 van deze rechtbank en kamer heeft de rechtbank de SGJ gemachtigd de jeugdige voorlopig gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29c lid 1 van de Wet op de Jeugdzorg van 4 maart 2009 tot 1 april 2009 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nadere terechtzitting. De rechtbank overwoog daarbij dat er spoedig concreet uitzicht diende te zijn op een geschikte vervolgplek voor de jeugdige nu de rechtbank - kort gezegd - van oordeel is dat gedwongen jeugdzorg na het achttiende jaar op gespannen voet staat met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken van de zijde van de SGJ:

- de brief d.d. 25 maart 2009 met bijlagen, waaronder een instemmingsverklaring d.d. 20 maart 2009 van een

gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 29b, vijfde lid, Wet op de Jeugdzorg;

- de faxbrief d.d. 26 maart 2009 met bijlagen.

Op 31 maart 2009 is de behandeling ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet.

Daarbij zijn verschenen: mevrouw [A] namens de SGJ, alsmede de raadsman van de jeugdige, mr. S.M.C. van Beek.

Beoordeling

De rechtbank constateert dat de jeugdige niet bereid is zich te doen horen, zodat toepassing van artikel 29f Wet op de Jeugdzorg achterwege kan blijven.

De SGJ handhaaft het verzoek. Ter zitting is van de zijde van de SGJ verklaard dat de pogingen om de jeugdige naar een passende vervolgplek te krijgen tot nu toe nog geen vruchten hebben afgeworpen. Veel instellingen geven aan dat zij de problematiek van [jeugdige] te ingewikkeld vinden; mogelijkerwijs vanwege het feit dat haar behandeling te veel tijd en geld zou kosten. Binnenkort staat er wel een intakegesprek met "de Fjord", een centrum voor Orthopsychiatrie en Forensische Jeugdpsychiatrie, gepland. De SGJ heeft goede hoop dat [jeugdige] daar terecht zal kunnen.

In ieder geval is de machtiging gesloten jeugdzorg volgens de SGJ nog enige tijd vereist aangezien het verblijf in [plaats] niet mogelijk is op basis van vrijwilligheid en [jeugdige] geleidelijk moet kunnen wennen aan de overgang naar een andere instelling. Het feit dat de jeugdige uit [plaats] weg moet maakt haar heel angstig. De SGJ denkt nog maximaal een half jaar nodig te hebben om [jeugdige] naar een geschikte vervolgplek te krijgen. Dan moet ook duidelijk zijn of dat kan op basis van vrijwilligheid of dat er een gedwongen opname dient te volgen op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

Mr. Van Beek heeft ter zitting verklaard het in het belang te vinden van [jeugdige] dat de machtiging gesloten jeugdzorg wordt verleend voor de verzochte duur, maar minimaal voor een half jaar. Alle betrokkenen, inclusief de jeugdige zelf, zijn het er immers over eens dat de jeugdige voorlopig het beste op haar plek is in [plaats] en dat zij alle gelegenheid moet krijgen om aan een nieuwe instelling te wennen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De na de vorige behandeling ter terechtzitting van de zijde van de SGJ overgelegde stukken, in het bijzonder de nieuwe verklaring van de gedragswetenschapper, werpen een ander licht op de situatie in die zin dat de rechtbank er thans met de SGJ van overtuigd is dat het in het belang van de jeugdige is dat er ruimte moet zijn om te zoeken naar een passende behandelmogelijkheid in een andere instelling en dat [jeugdige] de mogelijkheid moet krijgen om geleidelijk aan die nieuwe situatie te wennen. Voor alle betrokkenen, inclusief de jeugdige zelf, staat vast dat de jeugdige met zodanige problematiek kampt dat niet aannemelijk lijkt dat zij zich buiten een behandelinstelling kan handhaven en dat er een reële vrees is dat zij maatschappelijk ten onder zal gaan indien de behandeling op dit moment wordt beëindigd. De problematiek is zelfs van zodanige aard dat veel instellingen de jeugdige niet kunnen bieden wat zij nodig heeft. Het feit dat de WSJ niet veel eerder een aanvang heeft gemaakt met het zoeken naar een geschikte vervolgplek voor [jeugdige] kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan de WSJ worden toegerekend, nu in de jurisprudentie pas onlangs een lijn is waar te nemen die erop wijst dat de gesloten jeugdzorg voor meerderjarigen in veel gevallen in strijd wordt geacht met artikel 5 van het EVRM.

Onder genoemde omstandigheden acht de rechtbank de vrijheidsbeperking die plaatsing van de jeugdige in [plaats] met zich meebrengt, ook in het licht van artikel 5 EVRM, toelaatbaar en staat deze in redelijke verhouding tot het doel dat ermee wordt beoogd. Daarbij overweegt de rechtbank dat artikel 5 EVRM ertoe strekt de persoonlijke vrijheid en veiligheid te beschermen, maar dat strikte toepassing van dat artikel er niet toe mag leiden dat jeugdigen de zorg wordt onthouden die zij nodig hebben en zelf ook wensen. De WSJ heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een machtiging voor een korte overbruggingsperiode in dit bijzondere geval niet volstaat.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank de gronden voor een machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg aanwezig. De rechtbank zal de verzochte machtiging voor de duur van zes maanden afgeven, ervan uitgaande dat deze periode voldoende is om een andere plek in een behandelinstelling voor [jeugdige] te vinden en haar geleidelijk aan de nieuwe situatie te laten wennen. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank erop dat, gelet op voornoemde jurisprudentie, er een wettelijke basis ontbreekt om na die periode van zes maanden opnieuw een machtiging gesloten jeugdzorg af te geven.

Mitsdien zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

machtigt de de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming de jeugdige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b lid 1 van de Wet op de Jeugdzorg van 1 april 2009 tot 1 oktober 2009, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 5 februari 2009;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M.D. de Jong (voorzitter), H.A.G. Nijman en J.M. van Baardewijk, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.