Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9957

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/2068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vrijstelling art. 19, lid 2, WRO voor bouw achterhuis in Rijksbeschermd stadsgezicht wegens negatief advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Inhoudelijke en procedurele bezwaren tegen advies RACM. Geen aanhoudingsplicht art. 51, lid 1, Woningwet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/2068 WOW44

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A] BV, gevestigd te [plaats], eiseres,

vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag bouwvergunning eerste fase van eiseres voor het bouwen van een eengezinswoning op het achterterrein van het perceel De Ruyterstraat ongenummerd (achter nr 54), geweigerd.

Bij besluit van 12 februari 2008, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 maart 2008, ingekomen bij de rechtbank op 20 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 april 2009 ter zitting behandeld.

Namens eiseres is verschenen [B], bijgestaan door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C].

II OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

Het bouwplan voorziet in het bouwen van een eengezinswoning met drie bouwlagen op het achterterrein van het perceel De Ruyterstraat ongenummerd (achter nr 54) te 's-Gravenhage. De in bezwaar voorliggende weigeringsgrond, te weten evidente privaatrechtelijke belemmeringen, is in bezwaar herroepen omdat de belemmeringen waren opgelost. Verweerder heeft de weigering van de aangevraagde reguliere bouwvergunning eerste fase in bezwaar gehandhaafd, omdat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en omdat verweerder daarvan geen vrijstelling wil verlenen.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wow, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Op grond van het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Zeeheldenkwartier. Het betrokken perceel heeft de bestemming woondoeleinden I. In artikel 3, eerste lid, juncto artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat een bouwplan opgericht dient te worden binnen de bouwstrook.

Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in het oprichten van een bouwwerk buiten de bouwstrook.

Derhalve doet zich strijd voor met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften. Het bouwplan is daarom in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wow wordt een aanvraag om bouwvergunning aangehouden indien er geen grond is de vergunning te weigeren en de aanvraag een bouwwerk betreft, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt.

Het Zeeheldenkwartier is onderdeel van een gebied aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht. Het bestemmingsplan Zeeheldenkwartier voorziet niet in de bescherming van het beschermd stadsgezicht.

Ingevolge artikel 51, derde lid, van de Wow kan verweerder, voornoemde aanhoudingsplicht doorbreken door middel van een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten. De beslissing omtrent deze verklaring van geen bezwaar wordt ingevolge het bepaalde in het vierde lid van voormeld artikel pas genomen nadat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is gehoord.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wow wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Gezien de onderhavige voorschriften van het bestemmingsplan bestaat geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid krachtens artikel 15 van de WRO. Verder is geen sprake van een bouwplan waarvoor vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 17 of 19, derde lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan verweerder vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen.

De weigering van de onderhavige bouwaanvraag is gebaseerd op de afwezigheid van bereidheid bij verweerder tot het verlenen van deze vrijstelling.

Verweerder weigert die vrijstelling te verlenen omdat de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) op 21 augustus 2006, nader gemotiveerd bij advies van 20 oktober 2006, negatief heeft geadviseerd over de bouwaanvraag. Het negatieve advies geeft als onderbouwing de aantasting van de stedenbouwkundige structuur door het bouwplan, evenals de belemmering van het uitzicht vanaf de eerste en de tweede verdieping van de bovenwoningen aan de Ruyterstraat door de komst van de bouwmassa. De aantasting van de stedenbouwkundige structuur wordt aanwezig geacht omdat het bouwplan, in afwijking van het principe van "voorhuis-binnenplaats-achterhuis" voorziet in het vrijwel geheel volbouwen van de bestaande binnenplaats. Volgens het advies mag daarbij niet als precedent gelden de omstandigheid dat een aantal (niet alle) aangrenzende percelen ook zijn volgebouwd. Tot slot is het negatieve advies onderbouwd met de visie dat de architectuur van het bouwplan niet past bij die van de andere achterhuizen, nu sprake is van een wit gepleisterde eengezinswoning met witte kozijnen die niet past in het beeld.

Eiseres stelt zich - samengevat weergegeven - op het standpunt dat het advies van de RACM ten onrechte leidend is geweest voor verweerder. Primair voert eiseres daartoe aan dat verweerder ten onrechte advies heeft gevraagd aan de RACM. Die taak ligt, zo voert eiseres aan, bij gedeputeerde staten, omdat de aanhoudingsplicht op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wow doorbroken dient te worden. Verweerder had, zo stelt eiseres, de procedure van artikel 19, tweede lid, WRO ingang moeten zetten.

Aanvullend stelt eiseres dat het advies ten onrechte leidend is geweest omdat er volgens haar diverse gebreken aan kleven. Zo zijn er aangepaste tekeningen die niet aan de RACM zijn voorgelegd. Het advies stelt ten onrechte dat sprake is van een wijziging bij de poort of in de binnenruimte. Voorts stelt het advies ten onrechte dat sprake is van een belemmering van het uitzicht vanaf de achterzijde van de eerste en de tweede bouwlaag van het pand nr. 54. Ten onrechte heeft de RACM zijn motivering onder het advies enkele malen, mede na een bezoek ter plaatste, gewijzigd. Het in het advies neergelegde oordeel dat geen sprake is van een passende architectuur is zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk, gegeven het aanwezige lovende welstandsadvies. Eiseres voert verder in dit verband aan dat de RACM ten onrechte niet heeft gemotiveerd aan de hand van de toelichting bij de aanwijzing als beschermd stadsgezicht.

Tot slot voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte geen nieuw Welstandsadvies heeft ingebracht. Eiseres wijst op het door haar ingebrachte advies van de Stichting Dorp Stad en Land van 8 april 2008.

De rechtbank overweegt vooreerst dat de aanhoudingsplicht van artikel 51 Wow in het onderhavige geschil niet aan de orde is, omdat er met de vaststelling dat sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan een grond is de gevraagde vergunning te weigeren.

Verder geldt dat verweerder, gegeven de strijdigheid met het bestemmingsplan, de aanvraag terecht mede beoordeeld heeft als een verzoek om vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening bij besluit van 9 oktober 2007 een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld en op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze gepubliceerd in het provinciaal blad van Zuid-Holland nummer 96 van 24 oktober 2007. De lijst is opgesteld op basis van het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de Nota regels voor Ruimte.

Volgens die lijst kan het college van burgemeester en wethouders in een aantal limitatief opgesomde situaties vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang, het bouwen ten behoeve van de woonfunctie in het stedelijk gebied.

GS hebben in hun besluit van 9 oktober 2007 uitzonderingen geformuleerd waarin is bepaald in welke gevallen geen gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ook hebben zij in dat besluit randvoorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan alvorens van die bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van de voornoemde uitzonderingen. Als randvoorwaarde voor gebieden die deel uitmaken van een beschermd stads- en dorpsgezicht (bestaand of in voorbereiding) als bedoeld in de Monumentenwet is vermeld dat de vrijstelling slechts kan worden verleend na positief advies van de RACM.

Vaststaat dat de beoogde realisatie van het bouwplan valt in een gebied dat deel uitmaakt van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Verweerder is dan ook slechts dan bevoegd vrijstelling te verlenen indien de RACM positief heeft geadviseerd. De rechtbank volgt eiseres niet in haar oordeel dat verweerder ten onrechte advies heeft gevraagd aan de RACM.

In het voorliggende geval heeft de RACM negatief geadviseerd. Verweerder mocht daarom in dit geval geen gebruik maken van de bevoegdheid de vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

De inhoudelijke en procedurele bezwaren van eiseres tegen het gegeven negatieve advies leiden de rechtbank niet tot ander oordeel. Daarbij wijst de rechtbank in dit verband op het feit dat de door eiseres ingebrachte advisering door de Stichting Dorp Stad & Land, blijkens het advies van 8 april 2008, eveneens een negatief oordeel over op het bouwplan inhoudt.

Gezien het negatieve advies van de RACM was verweerder niet gehouden nader te bezien of toepassing gegeven kan worden aan het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Gelet op het vorenstaande was verweerder verplicht de aangevraagde bouwvergunning wegens strijd met artikel 44, eerste lid, onder c, van de Wow te weigeren.

Het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A. Dirks, mr. J.L. Verbeek en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.