Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9344

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/19096
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geen discretionaire bevoegdheid bij het verlenen van een verblijfsvergunning met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/19096

V-nummer: 091.505.1903

Inzake:[eiser], eiser,

gemachtigde mr. S. Sewnath, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. H. van Velzen.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op […….], bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 17 november 2006 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000. Bij besluit van 23 april 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit op 21 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 mei 2008 heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar gegrond verklaard en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 10 juli 2007, zonder de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.

2 Op 27 mei 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 27 maart 2009 een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 april 2009. Ter zitting is namens eiser verschenen mr. R.J.J. Flantua, waarnemend kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn), voor zover hier van belang, is het doel van de Richtlijn de voorwaarden vast te stellen waaronder een lidstaat aan onderdanen van derde landen de status van langdurig ingezetene kan toekennen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn wordt onder langdurig ingezetene verstaan: iedere onderdaan van een derde land die de in de artikelen 4 tot en met 7 bedoelde status van langdurig ingezetene bezit.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn, kennen de lidstaten de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, verlangen de lidstaten van onderdanen van derde landen het bewijs dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, kent de lidstaat de status van langdurig ingezetene toe aan de betrokken onderdaan van een derde land indien de voorwaarden van de artikelen 4 en 5 vervuld zijn.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, vermelden de lidstaten in de rubriek ‘soort vergunning’ ‘EG-langdurig ingezetene’.

Ingevolge artikel 13 van de Richtlijn mogen de lidstaten permanente verblijfstitels of verblijfstitels van onbeperkte duur afgeven onder gunstiger voorwaarden dan die welke in de Richtlijn zijn vastgesteld. Deze verblijfstitels geven geen toegang tot het recht van verblijf in de andere lidstaten zoals bepaald in hoofdstuk III van de Richtlijn.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, (opgenomen in hoofdstuk III) van de Richtlijn krijgt een langdurig ingezetene het recht om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.

1.2 Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen of tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, kan ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge artikel 21, derde lid, van de Vw 2000 wordt op het document, bedoeld in artikel 9 Vw 2000, de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ geplaatst, tenzij de vergunning is verleend met toepassing van artikel 21a Vw 2000.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1 Slechts in geschil is of verweerder terecht geweigerd heeft de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ te plaatsen.

2.2 Alvorens te kunnen toekomen aan beantwoording van de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan de mogelijkheid van beleid af te wijken, dient te worden beoordeeld of verweerder beleidsvrijheid heeft.

2.2.1.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof), onder andere neergelegd in zijn arrest van 5 oktober 2004 (zaak Pfeiffer, LJN: AR5022, in het bijzonder rechtsoverwegingen 113 en verder) dient het nationale recht, en met name een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regeling, in beginsel zo veel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn. Deze richtlijnconforme interpretatie kent zijn grenzen; zo mag een particulier niet door richtlijnconforme interpretatie een verplichting worden opgelegd, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 oktober 1987 (zaak Kolpinghuis, LJN: AC0547).

2.2.1.2 Het doel, de bewoordingen en de systematiek van de Richtlijn laten geen twijfel over het feit dat de verlening van de status van langdurig ingezetene voor zover het de inhoudelijke toetsing van de aanvraag betreft een gebonden beslissing is. Uit het samenstel van de artikelen 1 en 7 van de Richtlijn volgt dat de lidstaten geen andere materiële criteria kunnen stellen voor de afgifte van de vergunning dan de in de Richtlijn gestelde voorwaarden. Uit het samenstel van de artikelen 1, 2, 7, 8, 13 en 14 van de Richtlijn volgt dat bij verblijfstitels die worden afgegeven onder gunstiger voorwaarden dan de Richtlijn stelt géén verblijfstitels kunnen zijn met de vermelding van de status ‘EG-langdurig ingezetene’.

2.2.2 Uit het nader rapport op het advies van de Raad van State (TK 30 567, nr. 4, p. 5) en de memorie van toelichting (TK 30 567, nr. 3, pp. 4-5, 17 en 19-20) bij de wetgeving ter implementatie van de Richtlijn blijkt eveneens dat de wetgever uitgaat van een gebonden beschikking, die verweerder geen ruimte biedt om in afwijking van de in de Richtlijn gestelde voorwaarden een verblijfsvergunning met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ te verlenen.

2.2.3 Hoewel in het algemeen een ‘kan’-bepaling in het Nederlands recht betekent dat het bestuursorgaan een beoordelings of beleidsvrijheid heeft, hetgeen de bevoegdheid met zich brengt in bijzondere gevallen van beleid af te wijken, dient artikel 21 van de Vw 2000 dat strekt tot implementatie van de Richtlijn als een imperatieve bepaling te worden uitgelegd. Dit is overeenkomstig de uitleg van de Richtlijn, zoals die ook de wetgever bij het vaststellen van de implementatiewetgeving voor ogen stond. Bij deze wetsuitleg wordt eiser geen verplichting opgelegd, noch wordt hem een recht ontnomen dat hem op grond van het EG-recht toekomt.

2.3 Hoewel verweerder geen beleidsvrijheid toekomt om, wanneer de vreemdeling over onvoldoende middelen van bestaan beschikt, toch een verblijfsvergunning met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ te verlenen, beschikt verweerder ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn wel over een zekere mate van beoordelingsvrijheid. De ondergrens van deze vrijheid is echter wel in de Richtlijn vastgelegd: er mag geen sprake zijn van een beroep op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.

Nu niet in geschil is dat eiser een uitkering heeft op basis van de Wet werk en bijstand staat vast dat hij niet al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, zoals deze voorwaarde in het licht van artikel 5, aanhef en onder a, van de Richtlijn moet worden uitgelegd. Hieruit volgt dat verweerder de gevraagde vergunning niet met toepassing van artikel 21 van de Vw 2000 kon verlenen. Verweerder heeft terecht geweigerd de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ te plaatsen. Nu verweerder geen discretionaire bevoegdheid toekomt om de gevraagde aantekening te plaatsen, behoefde hij hier in het bestreden besluit ook niet op in te gaan. De rechtbank verwerpt eisers betoog dat sprake is van een motiveringsgebrek.

2.4 Het beroep is ongegrond.

2.5 Voor een proces¬kosten¬veroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De rechtbank ’s Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. van den Bos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 17 juni 2009.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: