Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8891

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/14148
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / eerste beroep / aanvang horen / nadere zitting op korte termijn

Op 20 april 1009 is beroep ingesteld tegen de inbewaringstelling. Ter zitting van 29 april 2009 bleek dat eiser niet dezelfde taal sprak als de taal die de opgeroepen tolk sprak. Het onderzoek is daarom geschorst. Zoals volgt uit de uitspraak van de AbRS van 4 juli 2001 (LJN: AG9388) is voor de vraag of het horen een aanvang heeft genomen niet vereist dat de maatregel van bewaring inhoudelijk met eiser dan wel zijn gemachtigde wordt besproken. Naar het oordeel van de rechtbank is tijdens de eerste zitting dan ook een aanvang gemaakt met het horen van eiser.

Vervolgens dient de rechtbank echter te zorgen voor een nadere zitting op korte termijn. Gelet op de periode tussen de schorsing ter zitting van 29 april 2009 en de nadere zitting op 12 mei 2009, ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat de rechtbank niet voldoende voortvarend is geweest bij het afronden van het horen van eiser. Weliswaar is het feit dat voor de zitting van 29 april 2009 een verkeerde tolk is opgeroepen te wijten aan foutieve inlichtingen van de gemachtigde van eiser, doch dit is geen rechtvaardiging voor het feit dat de rechtbank vervolgens niet in staat is gebleken de nadere zitting eerder dan 12 mei 2009 te plannen. De vrijheidsontnemende maatregel is daarom in strijd met artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/14148

V-nr.: *

inzake:

eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] in 1987, van (gestelde) Iraakse nationaliteit, verblijvende in detentie, eiser,

gemachtigde: mr. I.G. Veenstra-Verkerke, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. K.E.V.M.P. van der Velde, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 19 april 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 20 april 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 april 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F.K.H. El-Madni, tolk klassiek Arabisch. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het beroep is opnieuw behandeld ter openbare zitting van 12 mei 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Blaauw, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D. Shawalli, tolk Sorani. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft onder andere het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Er is tijdens de zitting van 29 april 2009 geen aanvang gemaakt met het horen van eiser. Indien er een aanvang is gemaakt met het horen van eiser, dient het gehoor zo spoedig mogelijk plaats te vinden. Er zijn bijna twee weken verstreken voordat eiser vandaag ter nadere zitting is gehoord. Die termijn is te lang.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Verweerder meent dat er op 29 april 2009 een aanvang is gemaakt met het horen van eiser, maar refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 94, tweede lid van de Vw 2000 vindt de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats.

Na overleg met het kantoor van de gemachtigde van eiser is er voor de zitting van 29 april 2009 een tolk klassiek Arabisch opgeroepen. Ter zitting van 29 april 2009 heeft eiser aangegeven dat hij geen klassiek Arabisch spreekt. Gebleken is dat hij alleen Sorani spreekt. De rechter heeft besloten en meegedeeld dat het onderzoek ter zitting zou worden geschorst en dat op korte termijn een nieuwe zitting zou worden gepland met een tolk Sorani. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2001 (LJN: AG9388) is voor de vraag of het horen een aanvang heeft genomen niet vereist dat de maatregel van bewaring inhoudelijk met eiser dan wel zijn gemachtigde wordt besproken. Naar het oordeel van de rechtbank is tijdens de zitting van 29 april 2009 dan ook een aanvang gemaakt met het horen van eiser. Nu het beroepschrift op 20 april 2009 is ontvangen is het gehoor tijdig aangevangen.

Vervolgens dient de rechtbank echter te zorgen voor een nadere zitting op korte termijn. Gelet op de periode tussen de schorsing ter zitting van 29 april 2009 en de nadere zitting op 12 mei 2009, ziet de rechtbank grond voor het oordeel dat de rechtbank niet voldoende voortvarend is geweest bij het afronden van het horen van eiser. Weliswaar is het feit dat voor de zitting van 29 april 2009 een verkeerde tolk is opgeroepen te wijten aan foutieve inlichtingen van de gemachtigde van eiser, doch dit is geen rechtvaardiging voor het feit dat de rechtbank vervolgens niet in staat is gebleken de nadere zitting eerder dan 12 mei 2009 te plannen.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 13 mei 2009.

De rechtbank ziet in het vorenstaande geen aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 13 mei 2009 wordt opgeheven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 805,-- (zegge: achthonderdvijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2009 door mr. J. Jonkers, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp , griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MP

Coll: MA

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.