Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8845

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/13694, 09/15269
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verlening visum kort verblijf voor drie dagen ten behoeve van bijwonen voogdijzitting niet in strijd met 8 EVRM / procesbelang

De voorzieningenrechter heeft eerder op het verzoek hangende bezwaar overwogen dat de weigering eiseres een visum voor kort verblijf te verlenen ten behoeve van het bijwonen van een voogdijzitting, in strijd is met artikel 8 EVRM. Hierna is eiseres het betreffende visum verleend met een geldigheidsduur van vier dagen en heeft eiseres deze voogdijzitting bijgewoond. Nu eiseres zich op het standpunt stelt dat het gevraagde visum voor langere duur had moeten worden verleend en deze periode nog niet voorbij is, kan eiseres geen procesbelang worden ontzegd. Alhoewel het hoofddoel van eiseres het bijwonen van de voogdijzitting was, is naar het oordeel van de rechtbank tijdig en voldoende duidelijk geworden dat het doel van het verblijf van eiseres mede zag op het in deze periode herstellen dan wel onderhouden van het contact met haar dochter. Dat eiseres bij de verlening van het visum heeft verklaard geen verlenging van dit visum te zullen vragen, betekent niet dat eiseres daarmee haar rechten verspeelt in beroep de rechtmatigheid van dit besluit aan te vechten dan wel verlenging te vragen van dit visum. Eiseres moest vlak voor haar vlucht een dag voor de voogdijzitting de betreffende verklaring ondertekenen, waardoor er geen reële ruimte meer was dit te weigeren. Verweerder heeft de duur van het visum echter terecht in duur beperkt tot het bijwonen van de voogdijzitting, nu de in artikel 8 EVRM neergelegde verplichting naar het oordeel van de rechtbank niet verder strekt. Dit wordt bevestigd nu het verzoek van eiseres tot beëindiging van de voogdij van Stichting Nidos over haar dochter door de rechtbank bij beschikking van 27 mei 2009 is afgewezen. Gelet hierop bestond er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin een verplichting om uit hoofde van artikel 8 van het EVRM het verleende visum te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/13694 en 09/15269

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

eiseres [naam eiseres], geboren [geboortedatum] in 1978, van Somalische nationaliteit, eiseres en verzoekster,

gemachtigde: mr. V.W.J.M. Kuit, advocaat te Amsterdam

en:

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kristel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 26 januari 2009 om verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Bij bezwaarschrift van 23 februari 2009 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht haar te behandelen als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf en heeft zij verzocht te bepalen dat verweerder al het nodige dient te doen om haar toelating tot Nederland tijdig voor 30 maart 2009 te bewerkstelligen zolang niet is beslist op het bezwaar. Bij uitspraak van 16 maart 2009 (AWB 09/06117) is dit verzoek toegewezen.

Bij besluit van 20 maart 2009 is het bezwaar gegrond verklaard en is besloten eiseres een visum voor kort verblijf te verstrekken voor drie dagen. Op 16 april 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit op bezwaar ontvangen (AWB 09/13694).

Aan eiseres is op 20 april 2009 een visum voor kort verblijf verstrekt met een geldigheidsduur van vier dagen.

Op 23 april 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van het visum voor kort verblijf. Bij besluit van 24 april 2009 is deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 24 april 2009 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat eiseres niet mag worden uitgezet zolang niet is beslist op dit bezwaar (AWB 09/15269).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2009. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De voorzieningenrechter/rechtbank (verder: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Relevante feiten en achtergrond

2.1 [naam] De dochter van eiseres (hierna: de dochter), is vermoedelijk op 27 april 2004 Nederland binnengekomen. De Stichting Nidos is bij beschikking van 16 juni 2004 van de kantonrechter te Tiel benoemd tot tijdelijk voogdes over de dochter. Eiseres heeft de rechtbank Utrecht verzocht om de tijdelijke voogdij van Stichting Nidos over de dochter te beëindigen. De rechtbank Utrecht heeft eiseres opgeroepen om te verschijnen ter zitting van 30 maart 2009 om te worden gehoord op dit verzoek. De dochter is inmiddels in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en sub b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).

2.2 Bij uitspraak van 16 maart 2009 heeft de voorzieningenrechter in de procedure omtrent de aanvraag van eiseres om verlening van een visum voor kort verblijf onder meer het volgende overwogen:

“(…) Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoekster op goede gronden tegengeworpen dat niet is voldaan aan het vereiste dat beschikt moet worden over voldoende middelen van bestaan. (…)

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar wel kans van slagen waar het gaat om het door verweerder tegengeworpen onaannemelijke verblijfsdoel. Verzoekster heeft met stukken onderbouwd gesteld en ook volstrekt aannemelijk gemaakt dat het doel van haar verblijf gelegen is in het bijwonen van de genoemde voogdijzitting en dat het niet haar bedoeling is zich hier in Nederland te vestigen. (…)

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar eveneens een redelijke kans van slagen waar het betreft het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). (…)

Verzoekster is door de rechtbank Utrecht opgeroepen om [datum] te verschijnen ter zitting waar de voogdij over de dochter van verzoekster zal worden besproken. Zij is naar Nederlands recht wettelijk verplicht om te verschijnen ter zitting bij de rechtbank. Ter zitting zullen kwesties aan de orde komen betreffende de voogdij over die dochter, kwesties die direct verband houden met het gezinsleven tussen verzoekster en haar dochter. Verzoekster loopt in de voogdijprocedure de kans de voogdij, en daarmee het gezag, over haar dochter kwijt te raken. Een dergelijke omstandigheid zou voor verzoekster een cruciaal keerpunt vormen in de uitoefening van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De voorzieningenrechter is onder deze omstandigheden van oordeel dat uit artikel 8 EVRM de verplichting volgt voor de Nederlandse staat om verzoekster in staat te stellen de voogdijzitting bij te wonen. (…)

Ook in het hier voorliggende geval spelen er twee procedures: de onderhavige visumprocedure en parallel hieraan de voogdijprocedure. Afwijzing van het onderhavige visumverzoek zou in die zin leiden tot een soortgelijke situatie als die zich voordeed in de zaak Ciliz – waarin niet goed meer kon worden beslist over de omgangsregeling toen de man (vader) was uitgezet – dat in het geval van afwijzing van de gevraagde voorziening verzoekster niet aanwezig kan zijn bij de voogdijzitting, zij niet ten overstaan van de rechtbank haar visie op de zaak kan bepleiten en de rechtbank daardoor mogelijk niet tot een goed en afgewogen oordeel kan komen ten aanzien van de voogdij over haar dochter. Dat laatste dient, zeker nu het gaat om een jong kind met een geschiedenis zoals van bedoelde dochter, te worden voorkomen.

Nu het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd en ook overigens de belangen van verzoekster groot zijn, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. (…)”.

2.3 In het besluit op bezwaar van 20 maart 2009 is onder meer aangegeven dat eiseres weliswaar een visum heeft gevraagd met een geldigheidsduur van 90 dagen, maar dat het (hoofd)reisdoel van eiseres het bijwonen van de voogdijzitting op 30 maart 2009 is. De andere door eiseres aangedragen reden om Nederland te bezoeken, namelijk het opbouwen van de relatie met haar dochter, is niet aannemelijk gemaakt. Alvorens tot afgifte van het visum wordt overgegaan dient eiseres bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Addis Abeba aan te tonen dat zij beschikt over een retourticket, alsmede een geldig reisdocument waaruit blijkt dat eiseres na haar bezoek aan Nederland weer toegang zal krijgen tot Somalië dan wel Ethiopië. Ook dient eiseres bij deze vertegenwoordiging een door haar ondertekende verklaring te overleggen, waarin zij verklaart dat zij tijdig zal terugkeren naar Ethiopië dan wel Somalië en dat zij haar dochter in Nederland zal achterlaten.

Het verzoek om proceskosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu het primaire besluit is herroepen op grond van humanitaire omstandigheden en eiseres zowel ten tijde van de aanvraag als in de bezwaarfase niet voldeed aan de voorwaarden. Het primaire besluit kan daarom volgens verweerder als rechtmatig worden aangemerkt.

2.4 Eiseres is op 20 april 2009 een reisvisum verstrekt met een geldigheidsduur van 4 dagen in de periode van 21 april 2009 tot 10 mei 2009. Eiseres is op 21 april 2009 in Nederland gearriveerd en aanwezig geweest bij de zitting waarop de voogdijzaak is behandeld.

2.5 Bij beschikking van 27 mei 2009 van rechtbank Utrecht in de voogdijzaak (zaaknr./ rekestnr. 255127/ FA RK 08-5607) is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald.

“(…) Het is thans niet in het belang van de dochter [naam] te achten dat zij uit het huidige pleeggezin waar zij thans verblijft en waar het goed gaat, wordt gehaald. Zij zit goed op haar plek en zij ontwikkelt zich goed. Deze situatie dient derhalve te worden bestendigd. Dit heeft niets te maken met de situatie van de moeder en vader maar enkel en alleen met het feit dat er thans geen wijziging moet komen in de huidig bestaande situatie. (…) De rechtbank zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. Wel hecht de rechtbank eraan op te merken dat het in het belang van de dochter is dat er contact komt tussen dochter en de moeder en eventueel tussen de dochter en de tante, waarbij zij de mogelijkheid heeft het negatieve beeld bij te stellen. Ter zitting is gebleken dat het pleeggezin waar de dochter woont de moeder graag wil ontvangen en er is ter zitting al contact gelegd tussen hen.”

3. Overwegingen ten aanzien het beroep

3.1 Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder de duur van het verleende visum voor kort verblijf niet had mogen beperken tot drie dagen. Eiseres stelt dat het verblijfsdoel niet correct is omschreven. Het verblijfsdoel bestaat niet alleen in de mogelijkheid tot het bijwonen van de voogdijzitting, maar ook in het herkrijgen van contact met haar dochter en het zonodig mogelijk maken van aanvullend onderzoek door Nidos en de Raad voor de Kinderbescherming.

3.2 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat, nu eiseres heeft verzocht om het bijwonen van de voogdijzitting, eiseres deze zitting heeft bijgewoond en bij beschikking van 27 mei 2009 het verzoek van eiseres om de tijdelijke voogdij van de stichting Nidos over haar dochter te beëindigen is afgewezen, eiseres geen belang meer heeft bij het onderhavige beroep. Subsidiair verwijst verweerder naar het bestreden besluit.

3.3 Ten aanzien van de vraag of eiseres nog procesbelang heeft bij het voeren van de onderhavige procedure, overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het gevraagde visum voor kort verblijf voor een langere periode had moeten worden verleend dan verweerder heeft gedaan, welke periode bij de aanvraag om verlenging door eiseres is geconcretiseerd tot 25 juni 2009. Nu deze periode nog niet voorbij is en het aan de rechtbank is te oordelen over de vraag of het verleende visum al dan niet terecht niet voor een langere periode is verleend, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen procesbelang kan worden ontzegd.

3.4 De rechtbank is van oordeel dat tijdig en voldoende duidelijk is geworden dat het doel van het verblijf van eiseres hier niet enkel en alleen was gelegen in het bijwonen van de betreffende voogdijzitting. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofddoel van eiseres het bijwonen van deze zitting is. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat het in de rede ligt dat eiseres de korte periode dat zij hier verblijft ook het contact met haar dochter wil herstellen dan wel onderhouden, temeer daar zij heeft verzocht de tijdelijke voogdij van Nidos op te heffen teneinde haar weer in het gezag te herstellen. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt dat het doel niet uitsluitend was gelegen in het bijwonen van de voogdijzitting. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2009, waarin is aangegeven dat het doel van eiseres het bijwonen van de voogdijzitting is en dat zij daarnaast hoopt gedurende haar verblijf in Nederland het contact met haar dochter te kunnen intensiveren. De stelling van verweerder ter zitting dat eiseres steeds te kennen heeft gegeven dat het enkele doel van eiseres het bijwonen van de voogdijzitting is en dat zij hier eerst in Nederland op is teruggekomen, is daarom niet houdbaar.

3.5 Aan de door eiseres bij afgifte van het visum ondertekende verklaring, waarin zij heeft verklaard geen verlenging van het aan haar verstrekte visum te zullen vragen, komt naar het oordeel van de rechtbank niet een zodanig gewicht toe, dat eiseres daarmee haar rechten verspeelt in beroep de rechtmatigheid van het besluit tot verlening van dit visum aan te vechten, dan wel verlenging te vragen van dit visum. Het standpunt van verweerder dat eiseres ook op andere wijze en sneller had kunnen procederen tegen de geldigheidsduur van het verleende visum, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat eiseres eerst vlak voor haar vlucht de betreffende verklaring moest ondertekenen en er op dat moment, gelet op de voogdijzitting die de dag erna zou plaatsvinden, geen reële ruimte meer was dit visum en ondertekening van deze verklaring te weigeren.

3.6 Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat eiseres heeft aangetoond dat verweerder de duur van het verleende visum voor kort verblijf ten onrechte heeft beperkt tot drie dagen. De rechtbank wijst erop dat eiseres niet voldoet aan de nationale vereisten voor verlening van het visum. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 17 maart 2009, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat verweerder eiseres op goede gronden heeft tegengeworpen dat niet is voldaan aan het vereiste dat beschikt moet worden over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank sluit zich hierbij aan en merkt op dat eiseres ook nadien niet alsnog heeft aangetoond dat zij aan dit vereiste heeft voldaan.

Thans ligt de vraag voor waartoe het beroep op artikel 8 van het EVRM noopt en specifiek, of de duur van het verleende visum voor drie dagen in strijd moet worden geacht met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel, gelijk de voorzieningenrechter heeft overwogen, dat uit artikel 8 van het EVRM de verplichting voor de Nederlandse Staat volgde om eiseres in staat te stellen de voogdijzitting bij te wonen. Nu eiseres de betreffende zitting heeft bijgewoond kan niet worden geoordeeld dat aan deze verplichting door verweerder niet is voldaan. De verplichtingen die uit artikel 8 van het EVRM volgen gaan naar het oordeel van de rechtbank niet zover, dat op de Nederlandse Staat de positieve verplichting rust om eiseres ook hangende en na deze voogdijprocedure verblijf toe te staan teneinde haar dochter in Nederland te bezoeken en contact met haar te onderhouden. De rechtbank wijst erop dat ten tijde van het bestreden besluit in de voogdijprocedure nog moest worden beoordeeld en thans in die procedure bij uitspraak van 27 mei 2009 is beoordeeld waartoe artikel 8 van het EVRM ten aanzien van de relatie tussen eiseres en haar dochter dient te leiden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat voor deze beoordeling haar aanwezigheid hier te lande op grond van artikel 8 van het EVRM was vereist. Het betoog van eiseres dat haar aanwezigheid gelet op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM ook voor meer dan het bijwonen van de voogdijzitting was vereist en dat de rechter in de voogdijprocedure, gelet op voornoemd artikel, gehouden is nader onderzoek te laten verrichten door de Raad voor de Kinderbescherming, heeft verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Eiseres heeft dit betoog immers niet onderbouwd en dit betoog is inmiddels, gelet op de uitspraak van 27 mei 2009 in de voogdijprocedure, tevens onjuist gebleken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat artikel 8 van het EVRM niet tot meer noopte dan eiseres in staat te stellen de voogdijzitting bij te wonen en heeft verweerder het aan eiseres verleende visum terecht hiertoe beperkt. Het beroep is in zoverre ongegrond.

3.7 Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ten onrechte het verzoek om proceskosten zoals eiseres dat heeft gedaan in bezwaar heeft afgewezen. Het primaire besluit was volgens eiseres in strijd met artikel 8 van het EVRM en daarmee onrechtmatig.

3.8 Zoals hiervoor reeds is overwogen was de algehele weigering een visum te verlenen, zelfs voor het bijwonen van de voogdijzitting, in strijd met artikel 8 van het EVRM en derhalve onrechtmatig. Gelet hierop is de herroeping van het primaire besluit wel degelijk het gevolg van een verweerder te verwijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geweigerd om de in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb genomen. Daarom bestaat er geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal de zaak zelf afdoen en bij deze uitspraak de vergoeding van de proceskosten in bezwaar toekennen.

3.9 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de gegrondverklaring van het beroep uitsluitend ziet op de proceskosten in bezwaar bepaalt de rechtbank het gewicht hiervan op 0,5 punt. Verder zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 483,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, 0,5 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 322,--).

3.10 Op grond van het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

4. Overwegingen ten aanzien van het verzoek

4.1 Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In het kader van deze belangenafweging speelt de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft een rol.

4.2 Op grond van het beleid van verweerder kan de geldigheidsduur van een visum worden verlengd indien (onder meer) aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- de vreemdeling voldoet aan de in artikel 12, eerste lid van de Vw genoemde voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn: (waaronder dat) hij kan beschikken over voldoende middelen van bestaan en er is geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

- de vreemdeling kan aantonen dat hij er om bijzondere redenen belang bij heeft langer in het Schengengebied te verblijven dan de duur waarvoor het oorspronkelijke visum geldig was. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in onvoorziene wijziging in de omstandigheden sinds de binnenkomst. Een aanvraag tot visumverlenging moet voldoende gemotiveerd zijn en in het bijzonder gebaseerd zijn op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen. Het gevolg van een verlenging mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt;

- de duur van de visumverlenging en de duur waarvoor het oorspronkelijke visum verblijf toestond, mogen samen niet meer dan drie maanden bedragen;

- toelating van de vreemdeling in een ander land moet zijn gewaarborgd;

- er moet een reisbiljet voorhanden zijn dat geldig is voor de reis naar een land waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd;

- er moet een toereikende geldige reisverzekering zijn afgesloten ter dekking van eventuele uitgaven voor medische zorg.

4.3 Niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de in het beleid neergelegde voorwaarden voor verlenging van het visum. Zo heeft eiseres niet aangetoond dat zij kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, is niet aangetoond dat er een reisbiljet voorhanden is en is evenmin aangetoond dat er een reisverzekering is afgesloten. De door eiseres in bezwaar aangevoerde gronden zien louter op het door eiseres gestelde ruimere dan door verweerder opgevatte verblijfsdoel en de volgens eiseres uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende verplichting om haar in de gelegenheid te stellen dit ruimere verblijfsdoel te realiseren. Zoals hiervoor ten aanzien van het beroep van eiseres in rechtsoverweging 3.6 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hierin terecht geen aanleiding heeft gezien langer verblijf op basis van dit visum toe te staan.

4.3 Voor zover is betoogd dat artikel 8 van het EVRM ertoe noopt dat eiseres de gelegenheid wordt geboden zich in Nederland te beraden op de vraag of er een rechtsmiddel tegen de beschikking in de voogdijprocedure van 27 mei 2009 moet worden ingesteld en afscheid te nemen van haar dochter, is de rechtbank van oordeel dat eiseres sinds de uitspraak in de voogdijprocedure van 27 mei 2009 tot op heden voldoende gelegenheid heeft gehad tot het nemen van afscheid van haar dochter en dat het beraden op rechtsmiddelen ook in het land van herkomst van eiseres mogelijk is. Immers, eiseres heeft haar juridische belangen ook voordat zij naar Nederland is gekomen vanuit haar land van herkomst goed laten behartigen en niet valt in te zien dat dit nu niet meer mogelijk dan wel moeilijker is. Er bestaat dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen verplichting uit hoofde van artikel 8 van het EVRM om het verleende visum te verlengen.

4.4 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening derhalve af.

4.5 De voorzieningenrechter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 09/13694:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten;

- vernietigt het besluit in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre treedt in de plaats van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 483,-- (zegge vierhonderd drie en tachtig euro), te bepalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143,-- (zegge: eenhonderd drie en veertig euro).

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 09/15269:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2009.

De griffier,

De voorzitter/ voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: ES

Coll.: AvE

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.