Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8797

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/10260
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO1551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2003/109/EG (langdurig ingezetenen) / Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene"

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn is de Richtlijn niet van toepassing op onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, (…), of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is.

In geschil is de vraag of eiser, die beschikt over een verblijfsvergunning met als beperking ‘godsdienstleraar’, op grond van voornoemd artikel is uitgesloten van de toepassing van de Richtlijn. Verweerder voert aan dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard weliswaar niet als tijdelijk is te beschouwen maar op grond van artikel 3.5 van het Vb 2000 toch als tijdelijk wordt aangemerkt en daarom, als zijnde een formeel beperkte verblijfsvergunning, van het bereik van de Richtlijn dient te worden uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard niet als tijdelijk is te beschouwen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er evenmin sprake is van een formeel beperkte verblijfsvergunning. Gezien de bewoordingen, de preambule en de totstandkominggeschiedenis van de Richtlijn is een situatie waarbij de aard van het verblijf niet als tijdelijk is te beschouwen en de duur van het verblijf niet bij voorbaat is gemaximeerd, niet uitgesloten van de werking van de Richtlijn. Het door verweerder gehanteerde beleid in B1/7.1.2 van de Vc 2000 als ook het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 is in zoverre dan ook onverbindend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/10260

V-nr: [V-nr]

inzake:

eiser [naam eiser], geboren [geboortedatum] om 1968, van Indiase nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: drs. F. Mountassir, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 15 november 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 30 mei 2007 tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft verweerder de reeds aan eiser verleende vergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als geestelijk voorganger/verblijf als godsdienstleraar ten behoeve van stichting Gurudwara Maan Sarovar Sahib’ verlengd tot 19 januari 2009. Eiser heeft op 13 december 2007 bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit voorzover het betreft de afwijzing van de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Dit bezwaar is bij besluit van 26 februari 2008 ongegrond verklaard. Op 20 maart 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. De beroepsgronden zijn ingediend bij brief van 24 april 2008.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

Eiser is op 22 januari 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf als geestelijk voorganger ten behoeve van Guru Nanak Gurdwara”. De geldigheidsduur van deze vergunning is steeds verlengd. Bij besluit van 11 november 2004 is de beperking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning gewijzigd in “verblijf als geestelijk voorganger/godsdienstleraar ten behoeve van stichting Gurudwara Maan Sarovar Nahib”. Ook deze verblijfsvergunning is steeds verlengd, laatstelijk tot 19 januari 2009.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft zich - gelet op het bestreden besluit - op het volgende standpunt gesteld. Eiser komt ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” nu zijn verblijfsrecht ingevolge artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 tijdelijk van aard is. Anders dan eiser stelt is de opsomming in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e van de richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) (hierna de Richtlijn) niet limitatief, maar bevat deze slechts voorbeelden van tijdelijk verblijf in een lidstaat. Nu eisers verblijf als godsdienstleraar/-voorganger gelet op de Nederlandse wet- en regelgeving tijdelijk is, is de Richtlijn dus niet op eiser van toepassing en diende de aanvraag conform het beleid in B1/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 te worden afgewezen.

Eisers stelling dat het niet verstrekken van de verblijfsvergunning in strijd is met het gegeven dat de Richtlijn zonder onderscheid naar met name godsdienst of overtuiging dient te worden toegepast, volgt verweerder niet. Immers, de reden dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning is gelegen in de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning waarover hij beschikt en daarbij is zijn godsdienst of overtuiging buiten beschouwing gelaten.

Eiser komt ingevolge artikel 21a van de Vw 2000 evenmin in aanmerking voor verlening van een nationale verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd.

Ten slotte is op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiser.

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Verweerder heeft in strijd met de Richtlijn gehandeld. Op grond van punt 6 van de preambule bij de Richtlijn is het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status langdurig ingezetene de duur van het verblijf op het grondgebied van de lidstaat. De Richtlijn schrijft voor dat het dient te gaan om langdurig en ononderbroken verblijf, hetgeen in onderhavige zaak het geval is.

Verweerder stelt voorts ten onrechte dat het verblijf als godsdienstleraar valt onder de opsomming in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn nu de in dit artikel gemaakte opsomming limitatief is. De in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn genoemde werkzaamheden zijn allen vanuit hun aard tijdelijk. Zo duurt studie maar een bepaalde periode en geldt hetzelfde voor diegene die hier verblijft als seizoensarbeider of grensoverschrijdende dienstverlener. Het verblijf van een godsdienstleraar is, gelijk bijvoorbeeld een wiskundeleraar, niet-tijdelijk van aard.

Daarnaast is van belang dat het ook eisers intentie is om alhier langdurig te verblijven. Eisers arbeidscontract biedt hiervoor voldoende basis. De Richtlijn biedt tevens aanknopingspunten voor het standpunt dat de intentie van belang is. Immers bij geen van de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e van de Richtlijn genoemde situaties bestaat bij de onderdaan de intentie om langdurig in een lidstaat te verblijven.

Dat verweerder de groep godsdienstleraren verplicht om voorafgaand aan de vergunningverlening een bewustverklaring te ondertekenen dat zij ermee instemmen dat het verblijf slechts tijdelijk zal zijn, doet aan het voorgaande niet af. Deze wijze van werken lijkt in het licht van de Richtlijn bovendien discriminatoir te zijn. Immers, onder punt 5 van de preambule staat dat de lidstaten de Richtlijn dienen toe te passen zonder onderscheid te maken. Dat geen sprake is van een verboden onderscheid, nu de afwijzing is gelegen in de omstandigheid dat het gaat om een tijdelijke vergunning, volgt eiser niet. Verweerder gaat voorbij aan het gegeven dat het godsdienstige aspect de basis vormt om slechts over te gaan tot afgifte van een tijdelijke vergunning.

Verweerder heeft ten slotte ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.

3. In het verweerschrift van 25 september 2008 heeft verweerder benadrukt dat de opsomming in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn geen limitatieve opsomming is nu de zinsnede ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, als’ op 22 juni 2006 is vervangen door ‘uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, bijvoorbeeld als’. Aan de lidstaten is aldus ruimte gelaten om het begrip tijdelijke aard nader in te vullen.

Ter zitting heeft verweerder voorts nog gesteld dat het bestreden besluit aldus moet worden gelezen dat de Richtlijn niet van toepassing is op eiser omdat de verblijfsvergunning onder de beperking ‘godsdienstleraar’ een formeel beperkte verblijfsvergunning betreft. Onder formeel beperkte verblijfsvergunning dient te worden verstaan verblijf dat naar zijn aard niet tijdelijk is maar toch als tijdelijk wordt aangemerkt omdat het geen uitzicht geeft op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zoals verblijf als godsdienstleraar.

III. OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

De Richtlijn

1. De preambule van de Richtlijn luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

(4) De integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd is van wezenlijk belang voor de bevordering van de economische en sociale samenhang, een fundamentele doelstelling van de gemeenschap, die is opgenomen in het Verdrag.

(6) Het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. Daarbij moet een zekere flexibiliteit mogelijk zijn om rekening te houden met omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaat tijdelijk verlaat.

(17) Harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene bevordert het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten (…).

(18) Het vaststellen van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen die langdurig in een lidstaat verblijven, gebruik kunnen maken van het recht van verblijf in een andere lidstaat, draagt bij aan de totstandbrenging van de interne markt als ruimte waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd. Het zou ook een belangrijke mobiliteitsfactor kunnen zijn, met name op de arbeidsmarkt van de unie.

2. Ingevolge artikel 3, tweede, aanhef en onder e, van de Richtlijn is de Richtlijn niet van toepassing op onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, bijvoorbeeld als au pair of als seizoenarbeider, of als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten, of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is.

3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn is de status van langdurig ingezetene permanent, onverminderd artikel 9. Ingevolge het tweede lid van dit artikel verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De verblijfsvergunning is ten minste vijf jaar geldig en de vergunning wordt, indien nodig en op verzoek, bij het verstrijken van die periode automatisch verlengd.

Nederlandse wet- en regelgeving

4. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Vw 2000 is Onze minister bevoegd:

a. de aanvraag tot het verlenen of tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

b. een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken dan wel te wijzigen.

5. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000 kan – voor zover van belang – ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8;

b. in de periode, bedoeld onder a, verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, dan wel een formeel beperkt verblijfsrecht of een verblijfsrecht als werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende diensten of als verlener van grensoverschrijdende diensten heeft gehad.

6. Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van het Vb 2000 is het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, tijdelijk of niet-tijdelijk.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel is het verblijfsrecht tijdelijk indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

7. Op grond van artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000 kan onverminderd artikel 3.31 van het Vb 2000 de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:

a. slechts verblijf wordt toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te noemen groepering;

b. het verblijf slechts kan worden toegestaan voor de duur van de werkzaamheden;

c. hij na beëindiging daarvan Nederland dient te verlaten, en

d. het hem niet is toegestaan om gedurende zijn verblijf in Nederland werkzaamheden van andere aard te verrichten.

8. In geschil is de vraag of eiser, die beschikt over een verblijfsvergunning met als beperking ‘godsdienstleraar’, op grond van artikel 3, tweede, aanhef en onder e, van de Richtlijn is uitgesloten van de toepassing ervan.

9. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers verblijfsvergunning moet worden gezien als een voorbeeld van de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e genoemde situaties van verblijf “uitsluitend om redenen van tijdelijke aard”. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt verduidelijkt door er op te wijzen dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard weliswaar niet als tijdelijk is te beschouwen maar op grond van artikel 3.5 van het Vb 2000 toch als tijdelijk wordt aangemerkt en daarom, als zijnde een formeel beperkte verblijfsvergunning, van het bereik van de Richtlijn dient te worden uitgesloten.

10. De rechtbank is met partijen van oordeel dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard niet als tijdelijk is te beschouwen. Evenmin is eiser aan te merken als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten. Derhalve dient te worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers situatie van de toepassing van de Richtlijn is uitgesloten omdat eisers verblijfsvergunning als een formeel beperkte verblijfsvergunning in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn is aan te merken.

11. De rechtbank stelt vast dat het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning op initiatief van België is toegevoegd aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn (zie Interstatutioneel dossier 2001/0074 (CNS) 8408/03 p.4). De rechtbank constateert voorts dat de tekst noch de totstandkominggeschiedenis van de Richtlijn vermeldt wat onder formeel beperkte verblijfsvergunning dient te worden verstaan en/of om welke reden België heeft verzocht deze bepaling toe te voegen.

12. De rechtbank zal de vraag of eisers situatie valt onder het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning dan ook in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van de Richtlijn dienen uit te leggen. Deze uitlegging dient naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aldus te geschieden dat het nuttig effect aan de Richtlijn niet verloren gaat.

13. De rechtbank stelt vast dat eisers verblijfsvergunning niet in duur is beperkt. Eiser is alhier gekomen om arbeid als geestelijk voorganger/godsdienstleraar te verrichten en zijn verblijfsvergunning kan, zolang hij aan de voorwaarden blijft voldoen, onbeperkt worden verlengd. Zulks is door verweerder ter zitting ook bevestigd. Dat eiser een bewustverklaring als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid van de Vb 2000 heeft moeten ondertekenen, maakt dit niet anders.

14. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Richtlijn een situatie waarbij de aard van het verblijf niet als tijdelijk is te beschouwen en de duur van het verblijf niet bij voorbaat is gemaximeerd, niet heeft willen uitsluiten van de werking van de Richtlijn. Aldus kan eisers situatie niet worden geschaard onder het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning. De rechtbank vindt bevestiging voor deze uitleg in het navolgende.

15.1 Uit preambule 4 en 18 van de Richtlijn leidt de rechtbank af dat de Richtlijn de economisch en sociale samenhang van de Unie beoogt te bevorderen door het toekennen van de status van langdurig ingezetene aan onderdanen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd. Blijkens preambule 6 is het belangrijkste criterium voor de verwerving van deze status de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met de lidstaat heeft gekregen.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het nuttig effect van de Richtlijn verloren kunnen gaan indien het een lidstaat zou zijn toegestaan om de in III.13 genoemde situatie van het bereik van de Richtlijn uit te sluiten.

15.2.1 Uit de toelichting op het aanvankelijke voorstel tot artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e (voorstel tot de Richtlijn van 13 maart 2001 (Com (2001) 127 definitief, 2001/0074 (CNS)) volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat een dergelijke mogelijkheid tot uitsluiting niet is beoogd. Uit overweging 5.3 blijkt immers dat de reden om de in dat voorstel genoemde situaties van de toepassing van de Richtlijn uit te zonderen, gelegen is in de omstandigheid dat het verblijf in die situaties slechts tijdelijk en vaak van korte duur is, alsmede dat het ook niet de bedoeling is van deze categorie personen om zich in het land te vestigen.

15.2.2 Zoals onder III.11 is overwogen, valt uit de totstandkominggeschiedenis niet op te maken waarom de Belgische autoriteiten in 2003 aan dit voorstel de situatie van de formeel beperkte verblijfsvergunning hebben willen toevoegen. Verweerder heeft desgevraagd gesteld de Belgische autoriteiten ook om nadere duidelijkheid te hebben verzocht maar daar geen antwoord op te hebben gekregen.

15.2.3 De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning is toegevoegd met de intentie om personen die wel de bedoeling hebben om langer in een lidstaat te verblijven en waarbij dat ook op basis van de door hen gevraagde verblijfsvergunning in beginsel onbeperkt mogelijk is, van de toepassing van de Richtlijn uit te sluiten. Immers, daarmee zou de oorspronkelijke doelstelling van de Richtlijn zijn verlaten.

Bovendien zou deze lezing er feitelijk op neerkomen dat het lidstaten vrij zou staan om bepaalde groepen van onderdanen wier verblijf in een lidstaat niet naar haar aard tijdelijk is en evenmin in duur gemaximeerd, van de werking van de Richtlijn uit te zonderen. Hiermee zou de in preambule 17 weergegeven doelstelling om tot een harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene te komen, teniet worden gedaan.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte, en in strijd met de Richtlijn, op het standpunt heeft gesteld dat eiser ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn van de werking ervan is uitgesloten. Het door verweerder gehanteerde beleid in B1/7.1.2 van de Vc 2000 als ook het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 is in zoverre dan ook onverbindend.

17. De rechtbank zal het beroep, nu het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voorzover het betreft de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Aan de overige door eiser opgeworpen gronden komt de rechtbank niet toe.

17. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

18. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit voorzover het betreft de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”;

3. bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,-- (zegge: éénhonderd en vijfenveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter en mrs. J. Jonkers en C.I.H. Kerstens-Fockens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. Lindeboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.

De griffier is verhinderd

De uitspraak te ondertekenen

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: SL

Coll: FW

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.