Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8769

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/44138, 08/44140, 08/44143, 08/44144
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

14/1-brief

De rechtbank concludeert dat verweerder zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd in diens standpunt dat ‘het niet hebben meegewerkt aan de terugkeer’ in het kader van de zogenoemde 14/1-brief zwaarder weegt dan de door eisers als klemmende redenen van humanitaire aard genoemde omstandigheden. De rechtbank volgt eisers’ betoog dat het niet in de rede ligt dat de staatssecretaris in de brief van 21 februari 2007 over de criteria die in dit soort gevallen worden gehanteerd onder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering mede heeft verstaan dat de vreemdeling niet (actief) heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Wat er ook zij van het standpunt van eisers dat elk van hun twee minderjarige kinderen als een aparte zwaarwegende factor dienen te worden aangemerkt, in het bestreden besluit is niet ingegaan op het feit dat aan deze factor in ieder geval meer gewicht moet worden toegekend als er meerdere kinderen in Nederland geboren zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat uit de brief van 21 februari 2007 niet valt af te leiden dat korte perioden van rechtmatig verblijf minder zwaarwegend zijn. Nu ook perioden van quasi-rechtmatig verblijf daarbij betrokken moeten worden, gaat de rechtbank er verder van uit dat met rechtmatig verblijf ook wordt bedoeld rechtmatig verblijf in afwachting van een procedure. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk wat in de brief onder “ernstige” medische problemen wordt verstaan. Gelet daarop is niet duidelijk waarom verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de medische omstandigheden in onderhavig geval niet als ernstig kunnen worden aangemerkt, te meer nu deze factor zwaarder weegt, als de kinderen in Nederland zijn geboren. Bovendien is verweerder niet voldoende ingegaan op het gemotiveerde beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 08/44143 (beroep) en AWB 08/44144 (voorlopige voorziening) AWB 08/44138 (beroep) en AWB 08/44140 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nrs]

inzake:

eiser [naam eiser], geboren in [geboortedatum] 1965, van Egyptische nationaliteit, eiseres [naam eiseres], geboren in [geboortedatum] 1964, van Marokkaanse nationaliteit, mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen [naam], geboren [geboortedatum] in 1999 en [naam], geboren [geboortedatum] in 2001, beiden van onbekende nationaliteit, eisers,

allen wonende te Amsterdam,

gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 19 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 mei 2003, een zogenoemde 14/1-brief, tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen. Bij separaat besluit van 19 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 maart 2005, een zogenoemde 14/1-brief, tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij separate besluiten van 28 november 2008 ongegrond verklaard. Deze besluiten vermelden onder meer de rechtsgevolgen dat eisers na bekendmaking van de besluiten niet meer rechtmatig in Nederland verblijven en dat eisers Nederland uit eigen beweging binnen 28 dagen moeten verlaten. Op 16 december 2008 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Volgens de besluiten schorten de beroepen de rechtsgevolgen niet op. Bij brieven van 16 december 2008 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting van eisers te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64 van de Awb geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om zich te beraden over de mogelijkheid van mediation. Bij faxbericht van 27 maart 2009 heeft verweerder medegedeeld dat de onderhavige zaak zich niet leent voor mediation. Op 31 maart 2009 heeft verweerder en op 20 april 2009 hebben eisers toestemming verleend uitspraak te doen zonder nadere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 20 april 2009 gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Op 30 oktober 1995 heeft eiser een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij partner [naam] “ ingediend. Bij besluit van 9 april 1997 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Op 8 december 1998 heeft eiser een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel “aanvullende examens met het oog op studie Economie aan de Universiteit van Amsterdam" ingediend. Eiser is met ingang van 22 februari 1999 in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning, geldig tot 26 september 1999. Op 23 september 1999 heeft eiser een aanvraag om een verlenging van de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning ingediend. Bij besluit van 10 maart 2000 is het tegen de afwijzing van deze aanvraag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 augustus 2002 (AWB 40/2060) van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, is het tegen laatstgemeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Eiseres is in juni 1992 Nederland ingereisd op een toeristenvisum. Op 29 september 1994 heeft eiseres een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij partner [naam] “ ingediend. Eiseres is met ingang van 12 februari 1996 in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning, geldig tot 12 februari 1997.

4. Bij brief van 23 maart 1997 heeft eiseres een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel “ voortgezet verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard “ ingediend. Bij besluit van 19 september 1997 is de aanvraag van eiseres afgewezen en bij besluit van 4 november 1999 is het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 29 november 1999 heeft eiseres een aanvraag in het kader van de zogenoemde witte-illegalenregeling ingediend. Bij besluit van 24 juli 2000 is deze aanvraag van eiseres afgewezen en bij besluit van 16 oktober 2000 is het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 maart 2002 (AWB 99/12409 en AWB 00/69740) van deze rechtbank en zittingsplaats, zijn de tegen de besluiten van 4 november 1999 en 16 oktober 2000 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

5. Op 4 mei 2004 heeft eiseres een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier met als doel “ medische behandeling “ ingediend. Bij besluit van 15 februari 2005 heeft verweerder deze aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 6 december 2005 (AWB 05/11478) van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 14 maart 2005 afgewezen en is tevens het tegen het besluit gemaakte bezwaar van 14 maart 2005 ongegrond verklaard.

III. OVERWEGINGEN

1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Verweerder heeft op juiste wijze getoetst aan de criteria die zijn neergelegd in de brief van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer van 21 februari 2007 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1131). Aan omstandigheden als langdurig verblijf in Nederland en andere omstandigheden die duiden op integratie in de Nederlandse samenleving komt geen zelfstandige betekenis toe. Steeds moet hiernaast sprake zijn van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard, vaak (maar niet uitsluitend) in een combinatie hiervan. Er is in onderhavig geval geen sprake van één van de bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard, zoals genoemd in de brief van 21 februari 2007. Gebleken noch aangetoond is dat de medische problemen of de arbeidsongeschiktheid van eiseres als ernstige medische problemen dienen te worden beschouwd, hetgeen een van de genoemde klemmende redenen van humanitaire aard oplevert. De omstandigheid dat de kinderen van eisers in Nederland geboren zijn, is, hoewel dit als zwaarwegend in het beleid is aangemerkt, in dit geval niet doorslaggevend. De kinderen zijn geboren op een moment dat eisers geen reëel perspectief hadden op een niet-tijdelijke verblijfsvergunning of rechtmatig verblijf of daarover in onzekerheid verkeerden. Van belang is dat eisers meerdere malen een negatieve beslissing hebben verkregen op de door hen ingediende aanvragen. Verder is van belang dat eisers niet hebben meegewerkt aan hun terugkeer naar Marokko en Egypte gelet op de op hen rustende vertrekplicht. Niet is aangetoond dat eisers en hun kinderen zich niet kunnen vestigen in Egypte of Marokko. De omstandigheid dat de zus van eiseres rechtmatig in Nederland verblijft, vormt ook geen aanleiding eiseres verblijf hier te lande toe te staan nu het dient te gaan om de situatie waarin een belangrijk deel van het gezin waarvan de vreemdeling deel uitmaakt wel is toegelaten, maar de vreemdeling zelf niet. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De aangevoerde omstandigheden ten aanzien van de situatie van eisers zijn niet aan te merken als een onvoorziene bijzondere omstandigheid nu deze zijn meegewogen in de hiervoor vermelde brief van 21 februari 2007. De weigering om aan eisers verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.2. In het verweerschrift stelt verweerder zich nog op het standpunt dat de omstandigheid dat eisers eerder rechtmatig verblijf hebben gehad in Nederland minder zwaarwegend is en niet doorslaggevend. Het gaat om een rechtmatig verblijf van eiseres van één jaar in 1997 en van eiser van 7 maanden in 1999.

2. Eisers hebben - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen de bestreden besluiten aangevoerd. Dat hun kinderen tijdens illegaal verblijf zijn geboren doet niet af aan de zwaarwegendheid. Nu sprake is van twee kinderen is sprake van twee zwaarwegende factoren. Schending van de vertrekplicht kan niet zonder meer als contra-indicatie worden tegengeworpen. Het gezin kan niet terecht in Marokko en/of Egypte. De kinderen kunnen geen paspoort krijgen en dat vormt een uitzettingsbeletsel. Verweerder heeft ten onrechte niet bij de afweging betrokken dat sprake is van eerder rechtmatig verblijf en ernstig medische problemen bij eiseres. Verder dient mee te worden gewogen dat er potentie voor de Nederlandse samenleving is nu eiser een eigen bedrijf wil opzetten. Tenslotte heeft verweerder ten onrechte het uitgebreide en gedocumenteerde beroep op het gelijkheidsbeginsel gepasseerd.

2.1. Eisers hebben hun standpunt dat er sprake is van potentie voor de Nederlandse samenleving nu eiser een eigen bedrijf wil opzetten ter zitting laten vallen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. In artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de bedoelde beperkingen opgesomd

4. Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 noodzakelijk is. Blijkens de Nota van Toelichting op dit artikel kan het daarbij gaan zowel gaan om groepen van gevallen, waarvoor (nog) geen specifieke beperking bestaat, als om zeer bijzondere individuele gevallen.

5. Op 14 januari 2003 heeft de toenmalige Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tijdens een bijeenkomst met VluchtelingenWerk Nederland ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers in algemene zin de bereidheid uitgesproken om in schrijnende gevallen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen.

6. In een brief van 21 februari 2007 is de Minister nader ingegaan op de beoordeling van zogenaamde 14-1-brieven.

In deze brief staat, onder meer, dat een verblijf van vijf jaar in Nederland, gelet op de ratio achter de toezegging van de toenmalige minister, als een minimum wordt gehanteerd om te leiden tot verblijfsaanvaarding. Steeds moet dan daarenboven sprake zijn van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard. In dat kader zullen in voorkomende gevallen onder andere de volgende bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard worden meegewogen, vaak (maar niet uitsluitend) in een combinatie van factoren:

* ernstige medische problemen, met name als hierbij kinderen zijn betrokken (zieke kinderen, kinderen met zieke ouders). Deze reden weegt des te zwaarder, als het kind of de ouders in Nederland zijn geboren. Doen de medische omstandigheden zich reeds voor vóór het vertrek uit het land van herkomst van de betrokkene(n), dan weegt deze omstandigheid minder zwaar;

* ernstige medische problemen waardoor betrokkene niet zonder medische overdracht of medische begeleiding het land kan verlaten en vertrek uit Nederland dientengevolge zeer moeilijk te realiseren is. Hierbij wordt mede acht geslagen op de aanwezigheid van noodzakelijke ononderbroken zorg in het herkomstland;

* perioden van rechtmatig verblijf of quasi-rechtmatig verblijf (uitstel van vertrek, verblijf op grond van een verblijfsvergunning);

* de situatie waarin een belangrijk deel van het gezin waarvan de vreemdeling deel uitmaakt wél is toegelaten, maar de vreemdeling zelf niet;

* dreigende scheiding tussen de vreemdeling en diens kind(eren);

Aan deze omstandigheden wordt een wegingsfactor toegekend variërend van minder zwaarwegend tot zeer zwaarwegend en doorslaggevend.

7. De rechtbank stelt ten eerste als onbetwist vast dat de zogenaamde 14/1-brief wordt aangemerkt als een verzoek aan verweerder gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000.

8. In een bijlage bij bovengenoemde brief worden de acht omstandigheden genoemd die klemmende redenen van humanitaire aard opleveren waaraan een wegingsfactor wordt toegekend als ook enkele contra-indicaties met een wegingsfactor. Een bijkomende klemmende reden van humanitaire aard is onder meer een minderjarig kind dat in Nederland is geboren. Volgens de bijlage komt aan deze omstandigheid een zwaarwegend belang toe. Andere bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard zijn perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf. Als contra-indicaties worden onder meer genoemd een eenmalige schikking of veroordeling wegens misdrijf tot ten hoogste 500 euro, wegingsfactor minder zwaarwegend, en overige openbare orde aspecten, wegingsfactor zeer zwaarwegend tot doorslaggevend voor niet verlenen vergunning.

Aan de hand van deze wegingsfactoren zal een transparante afweging gemaakt worden die recht doet aan de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, aldus de brief.

9. Verder wordt in de brief van 21 februari 2007 vermeld dat de opsomming van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard niet uitputtend bedoeld is aangezien er zich altijd situaties kunnen voordoen die van te voren niet te voorzien zijn. Gelet hierop dient te worden bezien of er sprake is van onvoorziene omstandigheden die dusdanig uitzonderlijk zijn dat het evident is dat zij, hoewel niet in de genoemde opsomming opgenomen, wel als bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard dienen te worden aangemerkt, aldus de brief van 21 februari 2007.

10. De brief van 21 februari 2007 bevat algemene criteria aan de hand waarvan de beoordeling van de mate van schrijnendheid van een individuele zaak plaatsvindt. Het is aan verweerder om te beoordelen of er sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat de discretionaire bevoegdheid van verweerder kan worden aangewend. Deze afweging, en ook de uitkomst hiervan, dient door de rechter terughoudend te worden getoetst.

11. Uit de overwegingen in het bestreden besluit ter zake van de toetsing aan de in de brief van 21 februari 2007 vermelde criteria, blijkt in de eerste plaats dat verweerder heeft vastgesteld dat eisers met hun twee in Nederland geboren minderjarige kinderen langdurig, langer dan vijf jaar, in Nederland verblijven en dat zij - in verschillende mate - als geïntegreerd in de Nederlandse samenleving kunnen worden beschouwd. Nu volgens de gestelde criteria deze omstandigheden als onvoldoende onderscheidend worden beschouwd dan wel omstandigheden zijn waaraan geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend, heeft verweerder vervolgens gesteld dat sprake dient te zijn van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard.

12. Verweerder heeft als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard in aanmerking genomen de eventuele dreigende scheiding tussen eisers en hun kinderen, omdat gesteld is dat de kinderen staatloos zijn en niet naar Egypte dan wel Marokko kunnen vertrekken. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben aangevoerd dat de Marokkaanse autoriteiten niet bereid zijn de Marokkaanse nationaliteit aan de kinderen te verlenen. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de Egyptische autoriteiten een huwelijk tussen een bekeerde moslima en een koptisch christen niet zullen erkennen. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een rapport overgelegd van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) van 25 augustus 2008. Daarin wordt geconcludeerd dat kinderen aan de Marokkaanse moeder de nationaliteit kunnen ontlenen mits de vader onbekend is en dat daarvan in dit geval geen sprake is. Ten aanzien van de vraag of de kinderen de Egyptische nationaliteit kunnen verkrijgen is door het IJI geconcludeerd dat dient te worden onderzocht of eiser ten overstaan van de Egyptische autoriteiten de kinderen erkend heeft en of het huwelijk als geldig kan worden aangemerkt, voor met zekerheid bepaald kan worden of de kinderen de Egyptische nationaliteit bezitten. Of het huwelijk geldig is hangt af van de inschrijving van de huwelijksakte in de kerkelijke registers in Egypte. Eisers hebben een brief van de priester van de Stichting Koptisch Orthodoxe Kerk in Nederland van 3 oktober 2008 overgelegd. Hieruit blijkt dat hij het kerkelijk huwelijk van eisers in Nederland heeft gesloten en dat de Koptische kerk in Nederland bevoegd is om zelfstandige huwelijkaktes af te sluiten zonder vermelding aan de Koptische Kerk in Egypte. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze brief niet blijkt dat het onmogelijk is om het huwelijk van eiser en eiseres te laten registreren in de kerkelijke registers in Egypte. Wat er ook zij van de stellling van eisers dat hun kinderen niet de Marokkaanse nationaliteit kunnen verkrijgen, daarmee staat niet vast dat hun kinderen niet de Egyptische nationaliteit zullen kunnen verkrijgen. Gelet daarop heeft verweerder daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien de dreigende scheiding tussen eisers en hun kinderen als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard mee te wegen in het kader van de vraag of aan hun verblijf moet worden toegestaan.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook de stelling van eisers dat zij niet naar Egypte kunnen vertrekken, omdat hun huwelijk niet zal worden geaccepteerd, niet als een bijkomende klemmende reden van humanitaire aard hoeven aanmerken. Daarbij heeft verweerder ook in aanmerking kunnen nemen dat eiseres in 1997 is gedoopt en actief lid is van de Koptisch Orthodoxe Kerk en dat uit algemene informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de Koptische kerk een centraal register bijhoudt van alle Egyptische Kopten, ook van hen die in het buitenland woonachtig zijn.

14. Verweerder heeft als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard in aanmerking genomen dat de kinderen van eisers hier te lande zijn geboren en getogen. Voor het standpunt van verweerder dat hieraan minder gewicht toekomt omdat zij zijn geboren in een periode waarin eisers geen reëel perspectief hadden op een niet-tijdelijke verblijfsvergunning dan wel rechtmatig verblijf in Nederland of daaromtrent in onzekerheid verkeerden is naar het oordeel van de rechtbank geen grond te vinden in de brief van 27 februari 2007. Uitgangspunt voor toekenning van een verblijfsvergunning is immers langdurig illegaal verblijf, zodat het niet in de rede ligt dat de minister onder die omstandigheden daaraan minder gewicht heeft willen toekennen. Wat er ook zij van het standpunt van eisers dat op grond van de brief van 21 februari 2007 elk van hun twee minderjarige kinderen als een aparte zwaarwegende factor dienen te worden aangemerkt, ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan deze factor in ieder geval meer gewicht moet worden toegekend als er meerdere kinderen in Nederland geboren zijn. In het bestreden besluit is daarop echter niet ingegaan.

15. Verweerder heeft verder eerst in het verweerschrift als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard in aanmerking genomen dat eisers perioden van rechtmatig verblijf hebben gehad. Verweerder heeft deze omstandigheid echter minder zwaarwegend en niet van doorslaggevende betekenis geacht, omdat het een relatief korte periode betrof. De rechtbank stelt in dit verband vast dat uit de brief van 21 februari 2007 niet valt af te leiden dat deze factor minder zwaar weegt als het om korte perioden van rechtmatig verblijf gaat. Verder blijkt uit de brief dat ook perioden van quasi-rechtmatig verblijf daarbij betrokken moeten worden. De rechtbank gaat er mede gelet daarop van uit met rechtmatig verblijf ook wordt bedoeld rechtmatig verblijf in afwachting van een aanvraag om een verblijfsvergunning, een beslissing op bezwaar of een uitspraak op beroep. Verweerder heeft dit echter niet in zijn afweging betrokken.

16. Daarnaast heeft verweerder de door eisers genoemde medische omstandigheden van eiseres niet als bijkomende klemmende reden van humanitaire aard gezien nu niet is aangetoond dat de medische omstandigheden zo ernstig zijn als bedoeld in voornoemde brief. Evenmin is onderbouwd dat eiseres hierdoor niet in staat is om Nederland te verlaten, aldus verweerder. Eiseres heeft ten aanzien van haar medische situatie - kort gezegd - onderbouwd naar voren gebracht dat zij in Nederland volledig arbeidsongeschikt is geraakt, dat zij ernstige rug- en bekkenklachten en buik- en hoofdpijnklachten heeft evenals psychische klachten en dat zij binnenkort zal worden geopereerd. Dit is door verweerder niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is niet duidelijk uit de brief van 21 februari 2007 af te leiden wat onder “ernstige” medische problemen dient te worden verstaan. Evenmin heeft verweerder dit ter zitting kunnen aangeven. Gelet daarop is niet duidelijk waarom verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat deze medische omstandigheden niet als ernstig kunnen worden aangemerkt, te meer nu volgens de brief van 21 februari 2007 deze factor zwaarder weegt, als de kinderen in Nederland zijn geboren.

17. Verweerder heeft vervolgens als contra-indicatie voor het verlenen van een verblijfsvergunning aan het gezin vermeld, dat zij niet daadwerkelijk (hebben) willen mee werken aan terugkeer nu zij meerdere malen een negatieve beslissing hebben verkregen op de door hen ingediende aanvragen zoals hierboven weergegeven onder rubriek II. Overeenkomstig de bijlage bij de brief van 21 februari 2007 heeft verweerder aan deze gestelde contra-indicatie een zwaarwegend gewicht toegekend. Met betrekking tot deze contra-indicatie stelt de rechtbank allereerst vast dat in de brief van 21 februari 2007 niet is gepreciseerd wat de minister van Justitie verstaat onder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering. Desgevraagd heeft ook verweerders gemachtigde ter zitting hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. De rechtbank kan eisers volgen in hun betoog dat het niet in de rede ligt dat de minister onder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering mede verstaat dat de vreemdeling niet (actief) heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Immers, aangenomen kan worden dat voor heel veel vreemdelingen die een 14/1-brief hebben ingediend geldt dat zij door verweerder tijdens hun langjarig illegaal verblijf hier te lande één of meerdere keren zijn gewezen op hun vertrekplicht. Met eisers is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet deugdelijk is gemotiveerd dat er sprake is van de door verweerder tegengeworpen contra-indicatie “niet meewerken aan terugkeer of verwijdering “.

18. In het licht hiervan concludeert de rechtbank dat verweerder zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd in diens standpunt dat de contra-indicatie - het niet hebben meegewerkt aan de terugkeer - zwaarder weegt dan de onder door verweerder als klemmende redenen van humanitaire aard genoemde omstandigheden, dit gelet op hetgeen hiervoor onder in overweging 14, 15 en 16 is overwogen.

19. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Bij de gronden van bezwaar van 4 februari 2008 hebben eisers een lijst met 37 positieve 14/1 beschikkingen, met de IND-nummers erbij, overgelegd. Zij hebben een uitdrukkelijk beroep gedaan op een aantal zaken van die lijst, namelijk de zaken met nummer 2, 8, 21, 22, 23, 30, 32, 36 en 37. Daarbij is aangegeven waarom deze genoemde zaken als gelijke gevallen dienen te worden aangemerkt, namelijk omdat in deze zaak sprake is van een zeer sterk geïntegreerd gezin met in Nederland geboren en getogen kinderen en omdat in de zaken waarop is gewezen sprake is van een inwilliging waarbij met name aan de in Nederland getogen (en ook soms geboren) kinderen doorslaggevende betekenis is toegekend. Eisers hebben ter zitting onweersproken gesteld dat op de hoorzitting namens verweerder is gesteld dat de zaken op de lijst bij verweerder bekend zijn, hetgeen geen bevreemding wekt nu het hier om door verweerder genomen besluiten gaat. In beroep hebben eisers verder opnieuw een beroep gedaan op de zaak Moei en Wong en gesteld dat in die zaak alleen sprake is van een in Nederland geboren en getogen kind en niet van andere bijzonderheden. In beroep hebben eisers ook nog een beroep gedaan op de zaak Güngor, met vermelding van het IND-nummer. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift dan ook ten onrechte enkel ingegaan op de in de brief van 3 november 2008 genoemde zaken Celibi, Kilinc, Kürk en Marinkovich. Bovendien heeft verweerder in deze zaken eveneens onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen, nu hij zich op het standpunt heeft gesteld dat in een aantal van die zaken sprake is geweest van ernstige medische problemen en dat daarvan in dit geval geen sprake is. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 16. Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit ook om die reden in aanmerking voor vernietiging wegens een motiveringsgebrek.

20. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met 7:12 van de Awb. De overige gronden kunnen onbesproken blijven. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

21. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

22. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

23. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Ingevolge artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden met elkaar samenhangende zaken beschouwd als één zaak, indien in die zaken door dezelfde persoon of instantie rechtsbijstand is verleend. Het moet gaan om (nagenoeg) gelijktijdig ingestelde beroepen tegen nagenoeg identieke besluiten met dezelfde rechtsgevolgen. De beroepen moeten verder op vergelijkbare gronden berusten. Nu het hier gaat om gelijktijdig door dezelfde gemachtigde ingestelde beroepen tegen nagenoeg identieke besluiten die strekken tot afwijzing van een aanvraag in een zogenoemde 14/1-brief en die op vergelijkbare gronden berusten, zijn de zaken van eisers naar het oordeel van de rechtbank met elkaar samenhangend. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Bpb vastgesteld op € 944 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1)

24. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb wijst de rechtbank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummers: AWB 08/44143 en AWB 08/44138

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/44144 en AWB 08/44140

- wijst het verzoek af;

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 580, -- (zegge: vijfhonderdentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Soylu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: SSS

Coll: EW

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.