Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8764

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
19-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/7983
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat verweerder de bewaring van eiser pas op 9 maart 2009 met terugwerkende kracht tot 6 maart 2009 heeft opgeheven. Dit betekent dat de bewaring niet onverwijld is opgeheven. De vreemdeling bevond zich mitsdien op 6 maart 2009 na 21.10 uur zonder wettelijke grondslag in de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten. Deze onrechtmatige vrijheidsontneming maakt in de gegeven omstandigheden de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig. Voor een belangenafweging zoals verweerder wil, is naar het oordeel van de rechtbank blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in dit kader geen plaats meer (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2007, LJN BB0241). Nu het voor eiser naar mag worden aangenomen extra wrang is geweest om aansluitend aan een eerdere onrechtmatig geoordeelde bewaring nogmaals ten onrechte in bewaring te worden gesteld, zal de rechtbank het normbedrag voor schadevergoeding met 25% verhogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/7983, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Remmerswaal, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 9 maart 2009 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 6 maart 2009 in bewaring heeft gesteld.

1.2. De zaak is op 20 maart 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De bewaring van eiser is opgeheven op 14 maart 2009. Tussen partijen is in geschil of eiser recht heeft op schadevergoeding. Bepalend voor het antwoord op deze vraag is of de inbewaringstelling rechtmatig is geweest en of de bewaring rechtmatig heeft voortgeduurd tot aan de opheffing ervan.

2.2. Eiser voert aan dat verweerder de bewaring van eiser niet op 6 maart 2009 heeft opgeheven, daar waar dat door de rechtbank was bevolen. Pas op 9 maart 2009 heeft verweerder eiser met terugwerkende kracht tot 6 maart 2009 wederom in bewaring gesteld. Dit maakt de hernieuwde bewaring onrechtmatig, aldus eiser.

2.3. Verweerder voert aan dat hij te laat in kennis is gesteld van de bevolen opheffing door de rechtbank. Dit is gebeurd op 6 maart 2009 na 17.00 uur. Op dat moment was er geen hulpofficier van justitie meer aanwezig, zodat de bewaring niet kon worden opgeheven. Eerst op maandagmorgen 9 maart 2009 is één en ander in gang gezet en is met terugwerkende kracht de bewaring op 6 maart 2009 opgeheven. Vervolgens is direct een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd per 6 maart 2009 op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000, aangezien er al een laissez-passer (lp) verstrekt was en er inmiddels ook een vluchtdatum bekend was. Voor zover verweerder in strijd met de wet of enig beginsel heeft gehandeld, dient er een belangenafweging plaats te vinden. Deze belangenafweging dient in het voordeel van verweerder uit te vallen. Immers, een lp was al verstrekt en ook een vluchtdatum was bekend. Daarbij komt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.

2.4. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.

2.4.1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Paragraaf A6/6.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, ten tijde van belang, vermeldt, voor zover thans van belang, dat indien uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat de vrijheidsontnemende maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven, de Immigratie- en Naturalisatiedienst onverwijld de desbetreffende vreemdelingendienst informeert. De maatregel dient vervolgens onverwijld door een daartoe bevoegde ambtenaar te worden opgeheven. In beginsel is geen sprake van strijd met het vereiste dat de inbewaringstelling na een bevel daartoe van de rechtbank onverwijld moet worden opgeheven, indien deze binnen zes uur na de verzending van haar uitspraak wordt beëindigd (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2004, JV 2004/258).

2.4.2. Bij faxbericht van 6 maart 2009 heeft de rechtbank verweerder haar uitspraak van 6 maart 2009 blijkens het verzendrapport om 15.10 uur doen toekomen. In de begeleidende brief is het volgende aangegeven: "Op grond van deze uitspraak dient de vreemdelingenbewaring van de in de uitspraak genoemde persoon door u te worden opgeheven". Hieruit volgt - zo al niet mocht worden verwacht dat ook na 17.00 uur een hulpofficier van justitie beschikbaar is voor het afhandelen van op te heffen bewaringen - dat de rechtbank verweerder niet pas op 6 maart 2009 na 17.00 uur in kennis heeft gesteld van de uitspraak.

2.4.3. Niet in geschil is dat verweerder de bewaring van eiser pas op 9 maart 2009 met terugwerkende kracht tot 6 maart 2009 heeft opgeheven. Dit betekent dat de bewaring niet onverwijld is opgeheven. De vreemdeling bevond zich mitsdien op 6 maart 2009 na 21.10 uur zonder wettelijke grondslag in de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten. Deze onrechtmatige vrijheidsontneming maakt in de gegeven omstandigheden de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig. Voor een belangenafweging zoals verweerder wil, is naar het oordeel van de rechtbank blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in dit kader geen plaats meer (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2007, LJN BB0241).

2.5. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om eiser vanaf 6 maart 2009 een schadevergoeding toe te kennen. Het normbedrag daarvoor is

€ 80,- per dag detentie in een huis van bewaring. Nu het voor eiser naar mag worden aangenomen extra wrang is geweest om aansluitend aan een eerdere onrechtmatig geoordeelde bewaring nogmaals ten onrechte in bewaring te worden gesteld, zal de rechtbank dit normbedrag met 25% verhogen. Aan eiser komt, nu hij 8 dagen in een huis van bewaring heeft doorgebracht, € 800,- toe.

2.6. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe, groot € 800,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die de eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 322,- ten bedrage van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die voormelde kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. C.J. van der Wilt, rechter, en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 27 maart 2009

Afschrift verzonden op: