Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8752

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
AWB 09/13019
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1780, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder in de ter toetsing voorliggende periode onvoldoende voortvarend te werk is gegaan. In reactie op het betoog van eiser heeft verweerder niet duidelijk kunnen maken waarom het na de overplaatsing van eiser vijf dagen heeft geduurd voordat het dossier van eiser is aangekomen in het detentiecentrum. Het dossier van eiser is een dun dossier en verweerder heeft desgevraagd verklaard niet te beschikken over aanwijzingen dat het dossier ten tijde van de overplaatsing van eiser naar het detentiecentrum nog niet compleet was. De stelling van eiser dat het dossier ook gefaxt had kunnen worden is door verweerder niet gemotiveerd weersproken. Het argument van verweerder dat hij nu eenmaal heeft gekozen voor een bepaalde werkwijze en dat er veel dossiers te behandelen zijn, ontslaat hem niet van de verplichting voortvarend te werk te gaan ter voorbereiding van de uitzetting van eiser. Verweerder heeft overigens niet duidelijk kunnen maken wat deze werkwijze inhoudt en waarom het onmogelijk was om het dossier van eiser eerder te verzenden naar het detentiecentrum. Toen het dossier eenmaal in het detentiecentrum was gearriveerd, heeft het nog twee dagen geduurd voordat een eerste vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Al met al heeft het negen dagen geduurd voordat verweerder een eerste uitzettingshandeling heeft verricht, terwijl niet is gebleken dat niet op eenvoudige wijze (het faxen van het dossier) een aanmerkelijke verkorting van deze periode bewerkstelligd had kunnen worden. Hiermee heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende ingespannen om de duur van de bewaring van eiser zo beperkt mogelijk te houden.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door zonder gebleken noodzaak pas negen dagen na de inbewaringstelling van eiser een eerste uitzettingshandeling te verrichten in de vorm van het voeren van een vertrekgesprek. Gelet hierop moet de inbewaringstelling van eiser van meet af aan onrechtmatig worden geoordeeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 09/13019, V-nummer: 181.101.1179,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[XXX], eiser,

gemachtigde: mr. H.K. Westerhof, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.F. Mensink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 10 april 2009 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 9 april 2009 in bewaring heeft gesteld.

1.2. De zaak is op 24 april 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr.drs. E.W.B. van Twist, kantoorgenoot van zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.2. Eiser voert aan dat zijn inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht. Eiser stelt dat hij in de periode vanaf zijn invrijheidstelling op 9 april 2009 om 08:30 uur tot aan zijn inbewaringstelling op die dag om 11:30 uur zonder wettelijke grondslag heeft vastgezeten. Voorts stelt eiser dat verweerder gedurende de strafdetentie van eiser niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. In het kader van de belangenafweging dient te worden meegewogen dat eiser in Nederland volledig is ingeburgerd. Naar de mening van eiser kunnen de gronden de maatregel van bewaring niet dragen. Eiser stelt dat het feit dat hij niet beschikt over een geldig legitimatiebewijs er niet toedoet, nu de identiteit en nationaliteit van eiser vaststaat. Met betrekking tot de ongewenstverklaring merkt eiser op dat hij tegen de beschikking tot ongewenstverklaring een rechtsmiddel heeft aangewend. Verder stelt eiser dat aan de maatregel van bewaring ten onrechte ten grondslag is gelegd dat hij niet beschikt over middelen van bestaan, nu hij wordt onderhouden door zijn ouders die wel over voldoende middelen van bestaan beschikken.

2.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig moet worden geacht. Verweerder betoogt dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie op 9 april 2009 om 08:30 uur is overgebracht naar een plaats van verhoor, alwaar hij op die dag om 09:30 uur is aangekomen en dat hij binnen de wettelijke termijn van zes uren in bewaring is gesteld. Verweerder betoogt dat de gronden van de maatregel van bewaring dienen te worden gehandhaafd. Aan het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de openbare orde de inbewaringstelling vordert, omdat eiser niet beschikt over een geldig legitimatiebewijs, ongewenst is verklaard, veroordeeld is ter zake van een misdrijf en niet beschikt over middelen van bestaan. Voorts betoogt verweerder dat hij weliswaar gedurende de strafdetentie niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan, doch dat de belangenafweging die hierop volgt in het voordeel van verweerder dient uit te vallen, gelet op de zware criminele antecedenten en de ongewenstverklaring van eiser.

2.4. De rechtbank acht het beroep ongegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de strafrechtelijke detentie van eiser op 9 april 2009 om 08:30 uur is beëindigd.

Blijkens het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van overbrenging en ophouding van

9 april 2009 is eiser na zijn strafrechtelijke detentie op die dag op grond van artikel 50 van de Vw 2000 overgebracht naar een plaats van verhoor, alwaar hij die dag om 09:30 uur is aangekomen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een tijdsduur van 1 uur voor overbrenging niet onredelijk lang te achten.

Vervolgens is eiser, na om 11:05 uur te zijn gehoord conform artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000, op die dag om 11:30 uur in bewaring gesteld. Gelet hierop is eiser conform artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 niet langer dan zes uren opgehouden. Dat in de 'Melding vreemdelingenpiket' van 9 april 2009 is vermeld dat eiser om 10:00 uur is staandegehouden maakt, daargelaten de juistheid daarvan, vorenstaande niet anders.

De stelling van eiser dat hij na zijn invrijheidstelling zonder wettelijke grondslag heeft vastgezeten faalt derhalve.

Gelet op hetgeen onder 2.3. naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Dat eiser een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beschikking tot ongewenstverklaring maakt niet dat verweerder niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen dat eiser ongewenst is verklaard. Voorts is niet in geschil dat eiser niet beschikt over een geldig legitimatiebewijs. De stelling van eiser dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaat, wat daar ook van zij, maakt niet dat verweerder deze grond niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat hem ten onrechte is tegengeworpen de grond dat hij niet over middelen van bestaan beschikt overweegt de rechtbank dat enkel is aangevoerd dat hij door zijn ouders wordt onderhouden, zodat niet kan worden gezegd dat hij in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van eiser het vermoeden bestaat dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

Op grond van het bepaalde in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 rust er op verweerder een inspanningsverplichting om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2003 (JV 2003/179) dient beoordeeld te worden of verweerder aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan en zo dit niet het geval is of deze schending de bewaring onrechtmatig maakt.

Niet in geschil is dat eiser een vrijheidsstraf heeft ondergaan en dat de expiratiedatum aan verweerder bekend was. De rechtbank stelt vast dat verweerder gedurende eisers strafrechtelijke detentie geen handelingen ter voorbereiding van zijn uitzetting heeft verricht. Verweerder is derhalve tekort geschoten in zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld zou worden. Deze schending van verweerders inspanningsverplichting maakt evenwel de bewaring niet onrechtmatig. De met de bewaring gediende belangen staan in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Er is sprake van zware criminele antecedenten en in dat kader is eiser bij beschikking van 1 februari 2009 ongewenst verklaard. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de met de bewaring gediende belangen meer gewicht dient toe te komen dan aan de belangen van eiser.

2.5. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. G.B. Raaphorst, rechter, en door deze en mr. L. Coenraads, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 29 april 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.