Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8740

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/8765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitstel indienen zienswijze in asielprocedure / zienswijze essentieel onderdeel procedure

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd zijn beleid toegelicht. De vijf situaties genoemd in het beleid zijn evidente gevallen waarbij altijd uitstel verleend wordt. Naast deze evidente gevallen is het de gedragslijn dat elk verzoek om uitstel op zijn merites wordt bekeken en wordt beoordeeld. De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze een essentieel onderdeel van de procedure is. Een gemotiveerd verzoek om uitstel zal daarom niet snel mogen worden afgewezen. De door verweerder gebezigde redengeving voor het weigeren van het verzoek van eiseres om uitstel voor het indienen van de zienswijze, kan niet als deugdelijk gekwalificeerd worden. Door de weigering van verweerder is eiseres niet in de gelegenheid geweest in de besluitvormingsfase naar behoren te reageren op de in het voornemen vervatte conclusie dat er sprake is van een ongeloofwaardig asielrelaas. Verweerder heeft daardoor nagelaten alle benodigde kennis ter voorbereiding van het besluit te vergaren. Door het belang van verweerder bij een snelle beslissing zwaarder te laten wegen dan het belang van eiseres bij het bieden van opheldering, heeft bovendien een onjuiste belangafweging plaatsgevonden. Hieruit volgt dat het besluit is genomen is strijd met artikel 3:3 en artikel 3:4 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/08765

V.nr.: [V-nrs]

inzake:

eiseres [naam eiseres], geboren in [geboortedatum] 1979, mede ten behoeve van haar minderjarige kind [naam], geboren in 2007, beide van (gestelde) Congolese nationaliteit, verblijvende te Echt, eiseres,

gemachtigde: mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Op 13 april 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 3 januari 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is ingetrokken en op 14 februari 2008 heeft verweerder deze aanvraag nogmaals afgewezen. Op 10 maart 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiseres is op 13 maart 1999 thuis door soldaten aangevallen, mishandeld en in haar voet geschoten. Vanwege de schotwond heeft ze elf maanden in het ziekenhuis in Kinshasha gelegen. Voor volledige genezing is eiseres verschillende keren naar Zuid-Afrika gegaan. Eiseres kreeg in Zuid-Afrika te horen dat haar echtgenoot in 2002 is gearresteerd. Eiseres is teruggekeerd naar de Democratische Republiek Congo (DRC) en heeft vervolgens steeds op verschillende plaatsen gewoond. Op 10 december 2002 vertelde haar echtgenoot telefonisch dat hij in Luxemburg verbleef. In 2005 hebben soldaten haar nogmaals thuis bezocht. Eiseres is daarna ondergedoken. Vervolgens is eiseres naar Dar Es Salaam, Tanzania, gegaan. Toen na terugkomst in de DRC bleek dat soldaten op het adres waar eiseres spullen had opgeslagen alles vernield hadden, heeft ze besloten dat ze de DRC moest verlaten.

Eiseres is in 2005 vanuit Kinshasa naar Dar Es Salaam gevlogen. Vervolgens is zij naar Nederland gevlogen met een overstap in Nairobi. Haar doel was om te vliegen naar Warsaw, Polen, om daar asiel aan te vragen. Door controle tijdens de tussenlanding heeft zij dit vliegtuig gemist. Ze had niet genoeg middelen om een nieuw ticket te kopen en heeft daarom in Nederland asiel aangevraagd.

In het nader gehoor en in het beroepschrift verklaart eiseres, anders dan hiervoor, dat ze erbij was op het moment dat haar echtgenoot gearresteerd werd. In de beroepsgronden stelt eiseres dat haar verklaring dat haar echtgenoot haar op 10 december 2002 telefonisch vertelde dat hij in Luxemburg verbleef, berust op een misverstand.

III. RELEVANTE INFORMATIE UIT HET DOSSIER

1. De Dublinclaim met betrekking tot eiseres bij Polen is op 21 juni 2006 afgewezen.

2. De echtgenoot van eiseres heeft een verblijfsvergunning in Luxemburg.

Met betrekking tot de zienswijze

3. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 28 januari 2008 verzocht om uitstel voor het indienen van de zienswijze tot eind februari 2008.

4. Uit de zich in het dossier bevindende brief van verweerder aan de gemachtigde van eiseres van 13 december 2007 (gedingstuk 80) blijkt dat de uiterste datum voor het indienen van de zienswijze was vastgesteld op 31 januari 2008. Deze brief vermeldt voorts dat de beslissing voor 14 januari 2008 wordt verzonden. Verweerder heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat het hier een verschrijving betreft en dat met januari, februari is bedoeld. De bedoeling was dat de beschikking op bezwaar geslagen zou worden op uiterlijk 14 februari 2008.

5. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn brief van 28 januari 2008 (gedingstuk 83) aan verweerder verzocht om nader uitstel te verlenen voor het indienen van een zienswijze tot eind februari 2008. Als redenen hiervoor heeft hij genoemd dat gelet op de verschillen tussen de asielrelazen van eiseres en haar echtgenoot een nadere telefonische bespreking met de echtgenoot van eiseres en zijn advocate nodig is om opheldering te krijgen.

6. Eveneens op 28 januari 2008 heeft eiseres een afsprakenkaart van het Riagg aan verweerder doen toekomen.

7. Bij brief van 31 januari 2008 (gedingstuk niet genummerd) heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres kenbaar gemaakt geen aanleiding te zien de termijn voor het indienen van de zienswijze verder te verruimen.

Met betrekking tot het welbevinden van eiseres

8. Het nader gehoor op 2 augustus 2006 is afgebroken in verband met de medische situatie van eiseres. Eiseres was moe en had hoofdpijn omdat ze aan haar problemen dacht en had het gevoel dat ze moest overgeven.

9. In het dossier bevindt zich informatie van 26 oktober 2007 van mevrouw M. Heijmans (psycholoog) en mevrouw D. Dekker (psychotherapeut) van het Riagg. Daarin wordt onder meer vermeld dat eiseres veel angstklachten heeft en veel piekert over het verleden. Verder staat daarin dat eiseres somber is, dat ze aangeeft het allemaal niet aan te kunnen en dat eiseres regelmatig suïcidale gedachten (geen concrete plannen) heeft. Verder heeft eiseres last van hoofdpijn, is ze nerveus en erg verdrietig. Eiseres snapt niet hoe het allemaal werkt in Nederland. Ze kan zich niet verstaanbaar maken en als er formulieren binnen komen, raakt eiseres in paniek. Ze vertrouwt niemand (met name mannen niet) en voelt zich erg alleen. Ze is vergeetachtig en slaapt slecht. Eiseres heeft veel nachtmerries en veel pijn in haar lichaam. Eiseres heeft ook last van haar voet, waarin ze is geschoten (er is een kogelwond te zien). Ook staat in dit verslag dat eiseres huilt als ze over de militairen vertelt die haar leven kapot hebben gemaakt.

Uit het verslag blijkt dat de hulpvraag van eiseres is dat ze niet goed in staat is om voor haar baby te zorgen. De door de psycholoog en psychotherapeut opgestelde DSM kwalificatie luidt onder andere dat eiseres een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) heeft, veel lichamelijke pijn heeft (met name in haar voet als gevolg van mishandelingen) en dat ze problemen in de sociale omgeving heeft.

De behandeldoelen voor eiseres zijn het inschakelen van PITzorg ter ondersteuning van de thuissituatie. Daarnaast is een behandeldoel contact opnemen met Bureau Jeugdzorg in verband met haar baby. In eerste instantie zal eiseres psycho-educatie en ondersteunende gesprekken krijgen. Indien de huidige situatie stabiliseert en eiseres het aan kan, zal ze cognitieve gedragstherapie ter behandeling van haar PTSS krijgen. Dit lijkt volgens dit verslag op korte termijn niet haalbaar gezien de kwetsbaarheid van eiseres op dat moment.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Zienswijze

1.1. Er was voor verweerder geen reden om uitstel te verlenen aan de gemachtigde van eiseres voor het indienen van de zienswijze. Er was al eens uitstel verleend. In overleg met en op verzoek van de gemachtigde van eiseres was een langere periode dan gebruikelijk voor het indienen van de zienswijze afgesproken. Het is aan de gemachtigde van eiseres te wijten dat hij de nadere bespreking met de echtgenoot van eiseres en zijn gemachtigde niet voor het eind van de afgesproken termijn heeft kunnen laten plaatsvinden. Eiseres had in dit geval bijna zeven weken de tijd voor het indienen van de zienswijze, van 14 december 2007 tot 31 januari 2008. Ook in de periode tussen het eind van de afgesproken termijn en het nemen van het besluit, heeft eiseres geen zienswijze ingediend. Ook worden de tegenstrijdigheden door het beroepschrift van eiseres niet opgehelderd.

Asiel

1.2. De door eiseres gestelde feiten worden niet geloofd. Alleen het feit dat eiseres een wond in haar voet heeft, wordt geloofwaardig geacht. Eiseres heeft innerlijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de arrestatie van haar echtgenoot, en het relaas van haar echtgenoot, afgelegd bij de Luxemburgse autoriteiten, verschilt op essentiële onderdelen met het relaas van eiseres. Verwacht mag worden dat eiseres en haar echtgenoot apart van elkaar consistent verklaren. Voor de innerlijk tegenstrijdige verklaring met betrekking tot de arrestatie van haar echtgenoot is door de verklaring van eiseres dat ze hoofdpijn heeft geen afdoende verklaring gegeven en bovendien is deze tegenstrijdigheid niet in de correcties en aanvullingen hersteld. De verklaringen in beroep, indien ze zouden worden meegenomen, geven ook geen afdoende verklaring voor de geconstateerde tegenstrijdigheden. Zo heeft eiseres aangevoerd dat haar verklaring dat haar echtgenoot op 10 december 2002 zou zijn vrijgelaten berust op een misverstand. Dit wordt niet aannemelijk geacht. Eiseres dient de feiten en omstandigheden die zij aan haar asielaanvraag ten grondslag legt, aannemelijk te maken. Ze is er niet in geslaagd haar vrees te concretiseren. De gepleegde vernielingen worden wel geloofd, maar het wordt niet geloofwaardig geacht dat deze verband houden met de echtgenoot van eiseres. De gestelde vrees is gebaseerd op vermoedens. Er is geen sprake van gegronde vrees. De volgens eiseres dreigende vervolging houdt evenmin verband met een van de relevante vervolgingsgronden. Eiseres komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.

Traumata

1.3. Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000. Om aannemelijk te maken dat de gestelde traumatiserende gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst is een causaal verband vereist. Nu eiseres niet binnen zes maanden nadat ze in haar voet is geschoten maar pas na zeven jaar de DRC heeft verlaten, had eiseres aannemelijk moeten maken dat er wel degelijk een verband is tussen deze gebeurtenis en haar vertrek en dat ze het land van herkomst niet eerder kon verlaten. Ook de omstandigheid dat eiseres nog steeds last heeft van haar arm en been is onvoldoende zwaarwegend.

2. Eiseres heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden aangevoerd.

Zienswijze

2.1. Eiseres is door de weigering uitstel te verlenen voor het indienen van een zienswijze in een nadelige procespositie geraakt. Verweerder handelt in strijd met het beginsel van zorgvuldig onderzoek nu bij verweerder bekend was dat nadere informatie was opgevraagd bij de gemachtigde van de echtgenoot van eiseres in Luxemburg en verweerder ervan op de hoogte was dat traumata een grote rol spelen. Bovendien is de ruimere termijn voor het indienen van de zienswijze in onderling overleg afgesproken nadat verweerder aangaf dat hij het voornemen later zou uitbrengen. Eiseres was nog niet bekend met de inhoud van het voornemen van verweerder, toen er contact was over de termijn voor het indienen van een zienswijze. Ook kon eiseres pas om uitstel verzoeken nadat vast kwam te staan dat de advocaat van de echtgenoot van eiseres met de echtgenoot van eiseres kon spreken. Verder voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte in dit verband geen rekening heeft gehouden met de verergerde traumata van eiseres. Ook is er strijd met het beginsel van een evenwichtige belangenafweging nu met het handelen van verweerder geen belang wordt gediend. De procedure loopt al sinds 2006 en eiseres wordt door de weigering uitstel te verlenen in haar belangen geschaad. Bovendien heeft verweerder een eerdere beschikking ingetrokken waaruit blijkt dat verweerder geen haast had met het nemen van een definitieve beslissing.

Asiel

2.2. Met betrekking tot de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden voert eiseres aan dat haar verklaring dat haar echtgenoot op 10 december 2002 zou zijn vrijgelaten berust op een misverstand. Deze datum was wel een belangrijke datum omdat de echtgenoot van eiseres op die datum een hoge militair is tegengekomen die uiteindelijk heeft gezorgd voor zijn ontsnapping uit de gevangenis. Eiseres heeft deze datum van haar echtgenoot gehoord en heeft deze, omdat het een belangrijke datum was, onthouden.

Traumata

2.3. Eiseres heeft door vermoeidheid en vanwege het feit dat zij getraumatiseerd is niet heel duidelijk kunnen verklaren over de arrestatie van haar echtgenoot. Uit pagina 9 en 10 van het nader gehoor van 15 september 2006 blijkt dat eiseres erbij was toen haar echtgenoot werd gearresteerd maar dat ze vanwege haar trauma niet meer precies weet wat er gebeurd is. Eiseres is op 13 maart 1999, toen ze thuis door soldaten werd aangevallen, mishandeld en in haar voet geschoten. Hierdoor raakt ze in paniek als ze soldaten of militairen ziet. Ze is gevlucht toen ze de militairen zag die haar echtgenoot kwamen arresteren omdat ze geen soldaten meer wilde zien. Eiseres dient in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000. Eiseres verwijst hierbij naar de medische informatie van het Riagg van 26 oktober 2007, van de psycholoog verkregen op 22 februari 2008.

V. BEOORDELING

Ten aanzien van het verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze en verweerders afwijzing daarvan

1. Ingevolge artikel 3.115, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt gehonoreerd:

a. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, vier weken, en

b. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, zes weken.

2. Ingevolge artikel 3.115, zesde lid, van het Vb 2000 houdt onze Minister rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.

3. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd zijn beleid met betrekking tot het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze als volgt toegelicht.

In artikel 3.115, tweede lid, van het Vb 2000 staat dat de termijn voor het indienen van de zienswijze in beginsel vier weken is, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt gehonoreerd. In paragraaf C15/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staan situaties beschreven waarin uitstel verleend wordt. Het gaat in de vijf situaties die in het beleid beschreven zijn om evidente gevallen waarbij in alle gevallen uitstel verleend wordt. Naast deze evidente gevallen is het de gedragslijn dat elk verzoek om uitstel op zijn merites wordt bekeken en wordt beoordeeld.

4. De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (zie onder meer de uitspraak van 10 oktober 2002, LJN: AH9079) volgt dat de mogelijkheid voor de vreemdeling om in de asielprocedure een zienswijze naar voren te brengen, moet worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die aan de totstandkoming van het besluit op de asielaanvraag voorafgaat. Dit in aanmerking genomen zal een gemotiveerd verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze niet snel mogen worden afgewezen.

5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het verzoek om uitstel door verweerder in feite is afgewezen omdat er al eerder uitstel voor het indienen van de zienswijze was verleend. Op zichzelf genomen kan de rechtbank inzien dat het voor verweerder vanuit het oogpunt van doelmatige, efficiënte en ordelijke procedurevoering niet wenselijk wordt geacht om meermaals uitstel te verlenen voor het indienen van een zienswijze. Door eiseres is evenwel gemotiveerd en onderbouwd gesteld en door verweerder is niet bestreden dat het eerste uitstel voor het indienen van de zienswijze een gevolg was van de omstandigheid dat verweerder het voornemen later uitbracht dan oorspronkelijk was gepland. Dit eerste uitstel was dus niet verleend op verzoek van eiseres, maar was in feite niets anders dan een beslissing van verweerder naar aanleiding van het later dan gepland uitbrengen van het voornemen. Dit in aanmerking genomen kan het verzoek om uitstel van de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt worden als een tweede verzoek om uitstel en kan de door verweerder gebezigde redengeving voor het niet verlenen van uitstel naar aanleiding van dit verzoek naar het oordeel van de rechtbank niet als deugdelijk gekwalificeerd worden.

6. Uit de zich in het dossier bevindende DSM kwalificatie blijkt dat eiseres lijdt aan PTSS. Op basis van de verslagen van de gehoren van eiseres stelt de rechtbank vast dat op meerdere momenten in die gehoren door eiseres uiterst warrige verklaringen worden afgelegd. In het verzoek om uitstel is aangegeven dat beoogd wordt om opheldering te bieden inzake een aantal punten in het asielrelaas van eiseres door in contact te treden met de echtgenoot van eiseres en diens advocaat in Luxemburg. In het licht van die omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de redengeving van verweerder om uitstel voor het indienen van de zienswijze te weigeren eens te minder deugdelijk kan worden genoemd.

7. Door de keuze van verweerder om geen uitstel te verlenen, is de situatie ontstaan waarin verweerder in de beschikking heeft vastgehouden aan de in het voornemen vervatte conclusie dat er sprake is van een ongeloofwaardig asielrelaas - een oordeel met verstrekkende gevolgen voor eiseres - zonder dat eiseres in de gelegenheid is geweest om daar in de besluitvormingsfase naar behoren op te reageren. Verweerder heeft hierdoor nagelaten alle benodigde kennis ter voorbereiding van het besluit te vergaren. Door het belang van verweerder bij een snelle beslissing zwaarder te doen wegen dan het belang van eiseres bij het bieden van opheldering, heeft bovendien een onjuiste belangenafweging plaatsgevonden.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:4 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard.

8. De rechtbank ziet zich thans, mede gelet op het in het bestuursprocesrecht steeds belangrijker wordende doel van finale geschilbeslechting, geplaatst voor de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te worden gelaten. Deze vraag dringt zich ook op omdat eiseres in de beroepsgronden van 8 april 2008 alsnog haar reactie op het voornemen van verweerder naar voren heeft gebracht.

9. Het asielrelaas van eiseres en de duiding en kwalificatie daarvan door verweerder roepen op dit moment dermate veel vragen op dat de rechtbank het niet passend acht de rechtsgevolgen in stand te laten. De rechtbank zet hieronder puntsgewijs uiteen om welke aspecten van het asielrelaas het hier gaat.

Met betrekking tot de verklaring van eiseres dat haar echtgenoot haar op 10 december 2002 heeft gebeld vanuit Luxemburg

10. Verweerder stelt dat de echtgenoot van eiseres heeft verklaard dat hij op 24 december 2002 is vrijgekomen en dat ook uit het nader gehoor blijkt dat aangenomen moet worden dat de echtgenoot van eiseres op 10 december 2002 nog niet in Luxemburg was.

Eiseres stelt dat haar verklaring dat haar echtgenoot op 10 december 2002 zou zijn vrijgelaten, berust op een misverstand. Toen haar echtgenoot eiseres in 2003 belde, heeft hij verteld dat hij op 10 december 2002 een hoge militair in de gevangenis was tegengekomen die contacten had gezocht met zijn schoonfamilie en die zijn ontsnapping uit de gevangenis door omkoping had georganiseerd. Vandaar dat 10 december 2002 een belangrijke datum bleek, die eiseres heeft onthouden.

Verweerder heeft nog niet gemotiveerd gereageerd op deze nadere toelichting van eiseres ten aanzien van dit onderdeel van het relaas.

Met betrekking tot de arrestatie van de echtgenoot van eiseres

11. Eiseres verklaart in het nader gehoor van 15 september 2006 op pagina 6 van het verslag het volgende:

“In 2002 ben ik naar Zuid Afrika teruggegaan voor controle, ik was toen ook zwanger. Ik ben daar gebleven en ook daar bevallen. In Mbuji-Mayi, was het soms weer 3 maanden rustig en dan weer niet. Maar ik heb toen in Zuid-Afrika gehoord dat mijn man was gearresteerd.”

Op pagina 9 van dat zelfde verslag verklaart eiseres echter:

Hoe en wanneer had u vernomen dat uw man was gearresteerd?

“Dat was toen ik naar Zuid-Afrika moest voor controle, toen heb ik dat gehoord.”

Hoe hoorde u dat en van wie heeft u dat vernomen?

“Ik heb dat niet gehoord, ik was erbij toen mijn man was gearresteerd.”

Waarom heeft u dat niet eerder verteld en vertelt u dat nu pas. U heeft eerder namelijk verklaard dat u in Zuid-Afrika was toen u vernam dat uw man was gearresteerd?

“Ik weet niet waarom ik dat niet eerder heb verteld, ik heb hoofdpijn.”

Verweerder stelt dat de arrestatie van de echtgenoot van eiseres niet geloofwaardig wordt geacht. Eiseres heeft innerlijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot deze arrestatie. Eiseres heeft in het nader gehoor aanvankelijk tot twee keer toe verklaard dat ze in Zuid-Afrika heeft gehoord dat haar man is gearresteerd. Op pagina 9 van het nader gehoor verklaart eiseres dat zij het hoorde toen ze voor controle naar Zuid-Afrika moest en op de meteen daarop volgende vraag antwoordt eiseres dat ze erbij was toen haar man werd gearresteerd. De verklaring van eiseres voor deze tegenstrijdigheid dat ze hoofdpijn heeft, wordt als onvoldoende motivering beschouwd en eiseres heeft dit bovendien niet in de correcties en aanvullingen hersteld. Op de correcties en aanvullingen zoals deze zijn ingediend door VluchtelingenWerk Nederland op 10 oktober 2006 staat bij de bedoelde passage op pagina 6 ‘ja’ geschreven bij haar verklaring dat ze hoorde van de arrestatie van haar echtgenoot toen ze in Zuid-Afrika was, aldus verweerder.

In de beroepsgronden geeft eiseres aan dat ze aanwezig was bij de arrestatie van haar echtgenoot. Verwarring in de verklaringen van eiseres is volgens haar veroorzaakt door vermoeidheid en de aanwezige traumata.

Verweerder heeft vooralsnog niet gemotiveerd gereageerd op deze met medische stukken onderbouwde verklaring.

Met betrekking tot de gang van zaken omtrent de arrestatie van de echtgenoot van eiseres

12. Pagina 9 van het verslag van nader gehoor van 15 september 2006 vermeldt:

Oké. Wanneer werd uw man gearresteerd?

“Het was in 2002, het was trauma. Als ik soldaten of militairen zie, dan weet ik het niet meer. Ik weet niet precies de datum.”

Wat gebeurde er precies?

“Ik zag soldaten en ben gevlucht, wat er is gebeurd weet ik niet. Ik wilde geen soldaten zien.”

Kunt u vertellen wat u wel gezien heeft? Dus bijvoorbeeld, wanneer kwamen de soldaten, waar kwamen de soldaten, hoe zagen ze eruit, op welke wijze heeft u kunnen vluchten?

“Het huis heeft zoveel kamers, en zoveel deuren en ik wilde de soldaten niet zien en ik ben gevlucht.”

Hoeveel soldaten waren er bij de arrestatie van uw man?

“Dat weet ik niet.”

Wanneer op de dag kwamen ze naar uw woning?

“De tijden weet ik niet.”

’s Ochtends, ’s middags, ’s avonds, ’s nachts?

“Ik weet zeker dat het niet ’s nachts was.”

Wanneer dan wel?

“’s Middags.”

Hoe zijn ze binnen gekomen?

“Ze komen altijd zo binnen. Je ziet gewoon de deur is open en ze zijn meteen binnen.”

Hebben ze zich eerst nog gemeld, of zijn ze ongevraagd direct binnen gekomen?

“Zonder te vragen binnen gekomen.”

Waar was u op het moment dat zij binnenkwamen?

“Ik was binnen samen met mijn man. Ik was thuis.”

Waar in het huis? Mevrouw geeft in eerste instantie geen antwoord.

“In de woonkamer.”

Is de woonkamer beneden? Mevrouw begint te lachen.

“Ja die is beneden, bij ons is alles beneden, slaapkamer, woonkamer. Wij hebben geen verdieping. Je hebt een gang met allemaal deuren, daarachter zitten de verschillende kamers, woonkamer en keuken.”

Was u in de woonkamer samen met uw man?

“Ja. Ik ben een beetje moe en heb hoofdpijn.”

Wilt u het gehoor even onderbreken voor een pauze?

“Het probleem is gewoon dat als ik begin te denken over die problemen krijg ik hoofdpijn. Ik wil eigenlijk niet meer aan die problemen denken.”

Ik leg mevrouw uit dat het mijn taak is haar vragen te stellen over haar relaas. Vervolgens leg ik haar uit dat we het gehoor kunnen onderbreken en/of op een later tijdstip voort zetten, maar dat dit niet wegneemt dat deze vragen toch gesteld dienen te worden.

“Ik denk dat het voor vandaag genoeg is. Ik kan niet meer.”

Ik vraag mevrouw of zij het gehoor wil onderbreken en later vandaag wil voortzetten of dat zij definitief wil stoppen.

“Ik kan niet meer, ik ben moe. Ik wil definitief stoppen, vandaag niet meer verder. Het probleem is dat ik niet weet of die tabletten werken, ik heb het gevoel dat ik moet overgeven dus ik kan niet meer.”

Oké. Het gehoor wordt afgebroken.

Nadat het gehoor op een latere datum weer is vervolgd, verklaart eiseres op pagina 11 van het verslag van het nader gehoor het volgende:

U heeft verklaard dat u wel aanwezig was tijdens de arrestatie van uw man in 2002. Kunt u mij vertellen wat u heeft gezien op de bewuste dag dat uw man is gearresteerd door de soldaten?

“Ik was thuis met mijn man in ons dorp [naam dorp]. Opeens kwamen er soldaten onze woning binnen. Ik ben toen naar onze slaapkamer gegaan en heb mij onder het bed verstopt. Na enkele uren ben ik onder het bed gekropen en toen was mijn man weg samen met de soldaten.”

Hebben de soldaten u gezien toen zij binnenkwamen?

“Dat weet ik niet. Ik weet ook niks over de problemen van mijn man. Ik weet alleen te vertellen over de problemen die ik heb ondervonden.”

Wat heeft u gehoord toen u zich onder uw bed heeft verstopt?

“Ik hoorde lawaai. Ik hoorde dat de soldaten mijn man aan het slaan waren. Verder heb ik niks gehoord.”

Hoe lang zijn de soldaten in de woning geweest?

“Dat weet ik niet, ik had geen horloge om om dat te kunnen zeggen.”

Duurde dit lang of kort?

“Het duurde kort.”

Wat heeft u gedaan nadat de soldaten weg zijn gegaan?

“Ik ben onder het bed gekropen en heb toen mijn woning verlaten. Ik ben naar vrienden gegaan om onder te duiken.”

Door verweerder wordt aan eiseres tegengeworpen dat haar relaas wat betreft de gang van zaken rond de arrestatie van de echtgenoot op essentiële onderdelen verschilt met de verklaringen van die echtgenoot. Eiseres verklaart dat ze met haar echtgenoot in de woonkamer was toen er Congolese soldaten het huis op een middag binnenvielen. Eiseres is toen naar eigen zeggen naar de slaapkamer gegaan en heeft zich onder het bed verstopt. Haar echtgenoot is volgens haar relaas meegenomen, ze is zelf ongemoeid gelaten en heeft het huis verlaten toen de soldaten weg waren.

De echtgenoot van eiseres heeft echter verklaard dat hij gearresteerd is door Zimbabwaanse soldaten toen hij met een aantal mensen de arrestatie probeerde te voorkomen van zijn broer, de huidige directeur van de diamantmijn. Hij is samen met nog zes anderen gearresteerd en vervolgens door middel van vrijkoping door zijn schoonfamilie vrijgekocht.

Het verschil tussen deze verklaringen over de arrestatie van de echtgenoot van eiseres is dat er volgens eiseres sprake was van Congolese soldaten en volgens haar echtgenoot ging het om Zimbabwaanse soldaten. Daarnaast is een verschil dat volgens het relaas van eiseres de arrestatie thuis plaats vond, terwijl de plaats van arrestatie niet expliciet blijkt uit het relaas van haar echtgenoot. En ten slotte maakt eiseres geen melding van de hulp van haar ouders.

In de beroepsgronden geeft eiseres aan dat de soldaten het dorp binnen kwamen om de broer van de echtgenoot van eiseres, die stamhoofd was, te arresteren. De echtgenoot van eiseres heeft hier met andere dorpsbewoners tegen geprotesteerd wat tot gevolgd had dat de soldaten die mensen wilden arresteren. Vervolgens is de echtgenoot van eiseres naar zijn huis gevlucht en heeft getracht zich daar te verstoppen. In huis hebben de soldaten hem gearresteerd in het bijzijn van eiseres.

Verweerder heeft nog niet gemotiveerd gereageerd op hetgeen in het beroepschrift op dit punt naar voren is gebracht. De vraag of er sprake kan zijn van elkaar aanvullende, in plaats van tegenstrijdige, verklaringen, is nog niet door verweerder onder ogen gezien.

Met betrekking tot de datum waarop eiseres en haar echtgenoot verklaren elkaar voor het laatst te hebben gezien

13. In het verslag van het nader gehoor met eiseres van 15 september 2006 staat op pagina 9:

Wanneer heeft u uw man voor het laatst gezien?

“De laatste keer was in het dorp [naam dorp] in 2002.”

In het verslag van het ‘Rapport sur la demande en obtention du statut de réfugié au sens de la Convention de Genève du 28 juillet 1951’ van de echtgenoot van eiseres van 24 maart 2003 staat op pagina 2 over de datum waarop de echtgenoot van eiseres, eiseres voor het laatst heeft gezien:

Quand est-ce que vous l’avez vu pour la dernière fois?

“Au mois de février 2002.”

In het verslag van het ‘Rapport sur la demande en obtention du statut de réfugié au sens de la Convention de Genève du 28 juillet 1951’ van de echtgenoot van eiseres van 24 maart 2003 staat op pagina 8:

Quand est-ce que vous avez été arrêté?

“Je ne sais pas exactement la date. Au mois de mai ils sont venus chercher mon accord. Je suis resté peut-être de mai à juillet dans le village.”

Volgens verweerder heeft de echtgenoot van eiseres verklaard dat hij eiseres in februari 2002, dus ruim voor zijn arrestatie, voor het laatst heeft gezien.

Het is de rechtbank niet duidelijk waarop verweerder de zinsnede ‘dus ruim voor zijn arrestatie’ in het hierboven weergegeven citaat baseert. Uit het dossier blijkt niet wanneer de arrestatie van de echtgenoot van eiseres heeft plaatsgevonden. De vraag is dan ook of er sprake kan zijn van elkaar aanvullende, in plaats van tegenstrijdige, verklaringen.

14. De rechtbank komt op grond van de hierboven weergegeven informatie tot de slotsom dat ten aanzien van verschillende punten van het asielrelaas en verweerders standpunt ten aanzien van die punten veel vragen bestaan. Zo is onder meer de exacte datum en het tijdstip van de arrestatie van de echtgenoot van eiseres niet duidelijk. En ook over de exacte gang van zaken rond de arrestatie van de echtgenoot van eiseres bestaat veel onduidelijkheid. Nu in de besluitvormingsfase onvolledig onderzoek heeft plaatsgevonden en er thans in beroep nog zoveel vragen zijn, acht de rechtbank instandlating van de rechtsgevolgen geen passende oplossing. Door het opnieuw horen van eiseres en het horen van haar echtgenoot kan mogelijk meer duidelijkheid worden verkregen ten aanzien van genoemde punten.

De rechtbank heeft bij de vraag of de rechtsgevolgen al dan niet in stand dienen te worden gelaten tevens het volgende betrokken. Geconstateerd is dat eiseres van het ene op het andere ogenblik zeer verschillend heeft verklaard in haar gehoren. Het lijkt erop dat eiseres zich hier niet bewust van is geweest. Op dit moment is geenszins duidelijk of de opmerkelijke wendingen (mede) (kunnen) zijn veroorzaakt door de geconstateerde PTSS. De rechtbank draagt verweerder op bij de nieuwe besluitvorming op kenbare wijze rekening te houden met de in deze procedure overgelegde medische informatie en daarbij aandacht te besteden aan de vraag of de medische toestand en de wijze van verklaren op enigerlei wijze met elkaar verband houden.

15. Derhalve zal bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI . BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MP

Coll: MA

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.