Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/43767
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1775, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat eiseres pas in de beroepsfase een beroep heeft gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan verweerder niet worden verweten dat hij in het bestreden besluit niet is ingegaan op de betekenis van deze bepaling voor de aanvraag van eiseres.

Ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiseres was de implementatietermijn van de Definitierichtlijn nog niet verstreken. Reeds hierom kon eiseres aan de Definitierichtlijn destijds geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Blijkens de tekst van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling over deze bepaling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 februari 2008 in de zaak met procedurenummer 200800064/1 (LJN BC5983), valt een vreemdeling slechts onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn als zich in het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling een (internationaal of binnenlands) gewapend conflict voordoet. In genoemde uitspraak van 29 februari 2008 heeft de Afdeling geoordeeld dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft aangetoond dat in Burundi op 12 februari 2007 sprake was van een gewapend conflict. In haar uitspraak van 21 januari 2009 in de zaak met procedurenummer 200808446/1 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling een uitspraak bevestigd waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft aangetoond dat in Burundi op 10 oktober 2007, een datum die dicht bij de datum van het door eiseres bestreden bestreden besluit ligt, sprake was van een gewapend conflict. Bezien in het licht van deze uitspraken heeft eiseres met de enkele verwijzing naar de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over Burundi naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in Burundi ten tijde van het verstrijken van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een dergelijk conflict, te minder nu eiseres op geen enkele wijze heeft verduidelijkt uit welke passages van welke ambtsberichten het bestaan van een dergelijk conflict blijkt.

Het beroep van eiseres op de Definitierichtlijn faalt derhalve. Dat verweerder ter zitting geen standpunt wenste in te nemen over de betekenis van het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-465/07 maakt dit niet anders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 07/43767, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 20 november 2007 beroep ingesteld.

De zaak is op 24 februari 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, kantoorgenoot van haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf (tot 1 september 2004: drie) achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

2.1.2. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.1.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (hierna: AFV) mag geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag een persoon uitzetten of terugzenden ("refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.

Ingevolge artikel 3, tweede lid van het AFV dienen bij het vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten.

2.1.4. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e en f, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in deze richtlijn verstaan onder:

e) "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

f) "subsidiaire-beschermingsstatus": de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn - onderdeel van hoofdstuk V van deze richtlijn, getiteld "Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming" - bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen de lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.2. het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen van 19 juni 2007 heeft verweerder, kort samengevat, het volgende overwogen.

Aan eiseres is op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig van 11 mei 2004 tot 11 mei 2007. Gelet op de afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi is deze grond voor verlening komen te vervallen.

Ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd deden zich geen andere in artikel 29 van de Vw 2000 gronden voor verlening voor. Eiseres heeft toerekenbaar geen documenten overgelegd ter staving van haar aanvraag. De door eiseres overgelegde geboorteakte is geen identiteitspapier. Het asielrelaas van eiseres ontbeert positieve overtuigingskracht en is derhalve ongeloofwaardig. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiseres tijdens de inval van de militairen de tijd zou hebben gehad zich om te kleden alvorens haar huis door een raam te verlaten. Het wekt ten zeerste bevreemding dat eiseres zo gemakkelijk aan de militairen zou zijn ontkomen door via de tuin van de buren naar de straat te rennen en het is niet geloofwaardig dat zij vervolgens de tijd zou hebben gehad om op een taxi te wachten, terwijl er volgens eiseres vijftien soldaten naar haar op zoek waren. Verder acht verweerder bevreemdend dat eiseres met het grote bedrag van 3.500.000 BF ($ 3.500) op zak liep. Evenmin is geloofwaardig dat eiseres nauwelijks iets weet te vertellen over de FNL, terwijl zij heeft verklaard dat haar vader en broer actief waren voor deze beweging en dat zij zelf gezocht zou worden vanwege deze activiteiten. Dat eiseres als alleenstaande moeder zou behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat terugkeer van eiseres naar Burundi in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Er is geen reden om eiseres op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning.

Er is geen reden om aan te nemen dat eiseres thans wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op een van de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden.

2.3. de gronden van het beroep

2.3.1. Eiseres heeft, kort samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder twijfelt niet aan de Burundese nationaliteit van eiseres en van haar asielrelaas gaat een positieve overtuigingskracht uit. Eiseres is vluchteling en zij doet voorts een beroep op artikel 3 en 8 van het EVRM, artikel 3 van het AFV, artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn, de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), het traumatabeleid, andere klemmende redenen van humanitaire aard en het beleid inzake categoriale bescherming. Bij terugkeer naar Burundi loopt eiseres als alleenstaande moeder met twee kinderen extra risico, waarmee verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden.

Ter zitting heeft eiseres zich met verwijzing naar de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over Burundi op het standpunt gesteld dat aldaar sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Omdat verweerder zich nog beraadt op het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-465/07, moet het bestreden besluit worden vernietigd en zal verweerder in een nieuw te nemen besluit nader moeten ingaan op de betekenis van dit arrest voor de zaak van eiseres.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Het beroep van eiseres op het beleid van verweerder inzake categoriale bescherming van asielzoekers uit Burundi faalt reeds omdat dit beleid in 2006 is beëindigd. Eiseres heeft niet gemotiveerd betoogd dat dit beleid ten onrechte is beëindigd. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de grond voor de verlening van de verblijfsvergunning van eiseres is komen te vervallen.

2.4.2. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan haar kan worden tegengeworpen. Nu in zoverre geen sprake is van een geschil tussen partijen, gaat de rechtbank uit van de toepasbaarheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op eiseres.

2.4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt tegengeworpen, ingevolge het eerste lid van dat artikel, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, blz. 40/41) en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Reeds omdat eiseres de door verweerder aan haar tegengeworpen vaagheden en ongerijmde wendingen niet gemotiveerd heeft betwist, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is.

Gezien het voorafgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde grond voor verlening zich ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiseres niet voordeed en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze grond voor verlening zich thans wel voordoet.

2.4.4. Daargelaten of eiseres als alleenstaand kan worden beschouwd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat alleenstaande vrouwen met minderjarige kinderen zich in Burundi in een zo kwetsbare positie bevinden dat zij geen andere, haar persoonlijk betreffende omstandigheden hoeft aan te voeren om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar Burundi een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook overigens ziet de rechtbank gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met deze verdragsbepaling of met artikel 3 van het AFV.

Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond voor verlening zich ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiseres niet voordeed en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze grond voor verlening zich thans wel voordoet.

2.4.5. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat wegens klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van haar vertrek uit het land van herkomst niet in redelijkheid van haar kan worden gevergd dat zij terugkeert naar Burundi. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat eiseres ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel aanspraak kon maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Het ter zitting in dit verband aangevoerde argument dat eiseres in Nederland een relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, houdt geen verband met de redenen van haar vertrek uit Burundi en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

2.4.6. Omdat eiseres pas in de beroepsfase een beroep heeft gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan verweerder niet worden verweten dat hij in het bestreden besluit niet is ingegaan op de betekenis van deze bepaling voor de aanvraag van eiseres.

Ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiseres was de implementatietermijn van de Definitierichtlijn nog niet verstreken. Reeds hierom kon eiseres aan de Definitierichtlijn destijds geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Blijkens de tekst van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling over deze bepaling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 februari 2008 in de zaak met procedurenummer 200800064/1 (LJN BC5983), valt een vreemdeling slechts onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn als zich in het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling een (internationaal of binnenlands) gewapend conflict voordoet. In genoemde uitspraak van 29 februari 2008 heeft de Afdeling geoordeeld dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft aangetoond dat in Burundi op 12 februari 2007 sprake was van een gewapend conflict. In haar uitspraak van 21 januari 2009 in de zaak met procedurenummer 200808446/1 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling een uitspraak bevestigd waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft aangetoond dat in Burundi op 10 oktober 2007, een datum die dicht bij de datum van het door eiseres bestreden bestreden besluit ligt, sprake was van een gewapend conflict. Bezien in het licht van deze uitspraken heeft eiseres met de enkele verwijzing naar de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over Burundi naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in Burundi ten tijde van het verstrijken van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een dergelijk conflict, te minder nu eiseres op geen enkele wijze heeft verduidelijkt uit welke passages van welke ambtsberichten het bestaan van een dergelijk conflict blijkt.

Het beroep van eiseres op de Definitierichtlijn faalt derhalve. Dat verweerder ter zitting geen standpunt wenste in te nemen over de betekenis van het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-465/07 maakt dit niet anders.

2.4.7. Het beroep van eiseres op het IVRK en artikel 8 van het EVRM faalt reeds omdat het bestreden besluit strekt tot afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Als eiseres meent dat zij op grond van het IVRK of artikel 8 van het EVRM meent recht te hebben op voortgezet verblijf in Nederland, zal zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier moeten indienen.

2.4.8. Al hetgeen eiseres verder nog heeft aangevoerd stuit op het vorenstaande af.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 31 maart 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.