Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8706

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/42057
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het asielrelaas van eiser komt erop neer dat hij vanwege zijn huwelijk met een vrouw die behoort tot een andere clan heeft te vrezen voor represailles van de zijde van de familie van zijn echtgenote. Gelet hierop vormt de door eiser gestelde herkomst, waaronder begrepen de clan waartoe hij behoort, een essentieel onderdeel van zijn asielrelaas. In het voornemen heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat eiser onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonomgeving en stamlijn, wat eiser niet heeft betwist. Voorts heeft verweerder in het voornemen gewezen op de uitkomst van de verrichte taalanalyse. In de aanvraagfase heeft eiser geen contra-expertise laten verrichten of aangevraagd. Eiser heeft niet aangevoerd dat verweerder de beslissing op zijn aanvraag had moeten aanhouden in afwachting van de in de zienswijze aangekondigde contra-expertise en het betoog van eiser bevat ook geen aanknopingspunten voor een dergelijke conclusie. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser, gelet op de onjuiste en onvolledige verklaringen van eiser over zijn woonomgeving en stamlijn en de uitkomst van de taalanalyse, positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is. Gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij het bestreden besluit ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, nu de verklaringen van eiser over zijn herkomst niet geloofwaardig zijn, niet toetsbaar is of eiser behoort tot de groep personen die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Dit komt voor rekening en risico van eiser. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij het bestreden besluit ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Gelet op de verklaringen van eiser tijdens het eerste gehoor en de uitkomst van de taalanalyse betwijfelt verweerder of eiser afkomstig is uit het zuiden van Somalië. Deze twijfel raakt aan het beroep van eiser op de Definitierichtlijn, omdat eiser ter onderbouwing van dit beroep heeft aangevoerd dat hij afkomstig is uit het zuiden van Somalië en dat daar sprake is van een gewapend conflict.

Met verwijzing naar hetgeen is overwogen in 2.4.2. van deze uitspraak ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herkomst van eiser onvoldoende vaststaat. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn. Dit komt voor zijn rekening en risico. Het betoog van eiser ter zitting dat vaststaat dat hij afkomstig is uit Somalië en dat op het gehele grondgebied van dat land sprake is van een gewapend conflict, leidt niet tot een ander oordeel. Mede gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiser om aannemelijk te maken dat er in geheel Somalië sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn, tenzij dat zo duidelijk zou zijn dat deze stelling geen onderbouwing behoeft. De rechtbank vindt steun voor deze benadering in rechtsoverweging 2.1.6. van de uitspraak van 16 januari 2009 van de Afdeling in de zaak met procedurenummer 200706161/1 (LJN BH0757). De situatie in Somalië verschilt van regio tot regio, wat tot uitdrukking komt in het door eiser niet ter discussie gestelde beleid van verweerder inzake categoriale bescherming: met betrekking tot sommige delen van Somalië wordt een dergelijk beleid gevoerd, met betrekking tot andere delen van Somalië niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet zo duidelijk dat ten tijde van het bestreden besluit in geheel Somalië sprake was van een gewapend conflict (of dat een dergelijke situatie thans aan de orde is) dat deze stelling geen onderbouwing behoeft. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat in geheel Somalië sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn is dan ook onvoldoende om daarvan uit te gaan.

De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dat verweerder ter zitting geen standpunt wenste in te nemen over het beroep van eiser op de Definitierichtlijn en de betekenis van het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen laat onverlet dat het ter toetsing voorliggende bestreden besluit een toereikend gemotiveerde weerlegging bevat van het beroep van eiser op de Definitierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 07/42057, V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 6 november 2007 beroep ingesteld.

De zaak is op 24 februari 2009 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen O. Ilmi, tolk.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a) die verdragsvluchteling is;

b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c) van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d) voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e en f, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) wordt in deze richtlijn verstaan onder:

e) "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt": een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

f) "subsidiaire-beschermingsstatus": de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 15 van de Definitierichtlijn - onderdeel van hoofdstuk V van deze richtlijn, getiteld "Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming" - bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 18 van de Definitierichtlijn verlenen de lidstaten de subsidiaire-beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen van 18 september 2007 heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

In de zienswijze is niets aangevoerd over het ontbreken van documenten. De conclusie uit het voornemen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd blijft derhalve ongewijzigd.

Het asielrelaas van eiser ontbeert positieve overtuigingskracht en is niet geloofwaardig. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in Afgooye, in het zuiden van Somalië, en dat hij zijn hele leven in die plaats heeft gewoond. Doordat eiser tijdens het eerste gehoor onvolledige of onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn gestelde woonomgeving en stamlijn, is twijfel ontstaan over zijn herkomst en etniciteit. Zo kon eiser geen duidelijke beschrijving geven van routes in zijn woonplaats, kon hij de dichtstbijzijnde nederzetting niet noemen en is de door hem opgegeven stamlijn niet juist. Om die reden heeft een taalanalyse plaatsgevonden, die heeft uitgewezen dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Gelet hierop zijn de verklaringen van eiser over zijn herkomst niet geloofwaardig en geldt hetzelfde voor de problemen die eiser in Afgooye zou hebben ondervonden. De taalanalyse is verricht door een deskundige. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij een contra-expertise wil laten verrichten. Tot op heden (30 oktober 2007; toevoeging rechtbank) is geen bericht ontvangen dat daadwerkelijk een contra-expertise is aangevraagd, terwijl het voornemen op 20 september 2007 is verzonden. Er is geen reden om nog langer te wachten met het nemen van de beschikking. Gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000.

In het voornemen is gemotiveerd overwogen dat, nu de verklaringen van eiser over zijn herkomst niet geloofwaardig zijn, niet toetsbaar is of eiser behoort tot de groep personen die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. In de zienswijze is hierover niets aangevoerd, zodat er geen reden is om af te wijken van het voornemen.

Het is niet nodig om in de zaak van eiser de discussie aan te gaan of artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn eiser verdergaande bescherming biedt dan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

2.2.2. In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat het door eiser in beroep overgelegde rapport van de taalstudio niet kan worden betrokken bij de beoordeling van het beroep, omdat eiser de desbetreffende contra-expertise te laat heeft aangevraagd.

2.3. de gronden van beroep

Eiser heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het is logisch dat eiser geen documenten heeft om zijn asielrelaas te ondersteunen. Er is in Somalië al jaren geen overheid meer die documenten verstrekt die door de internationale gemeenschap worden geaccepteerd. Het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan dan ook niet op eiser worden toegepast. Ten onrechte gaat verweerder er niet van uit dat eiser afkomstig is uit Afgooye en ten onrechte is zijn asielrelaas niet inhoudelijk beoordeeld. Het standpunt van verweerder over het beroep van eiser op de Definitierichtlijn is onhoudbaar. Dat verweerder het asielrelaas van eiser niet gelooft, ontslaat verweerder niet van de verplichting de aanvraag van eiser te toetsen aan de Definitierichtlijn. In het geval van eiser is sprake van een gewapend conflict.

Bij faxbericht van 4 februari 2009 heeft eiser een rapport van de taalstudio overgelegd en bij faxbericht van 18 februari 2009 heeft eiser het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zaak C-465/07 in het geding gebracht.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn aanvraag. Het argument van eiser dat in Somalië geen sprake is van een centraal gezag dat internationaal geaccepteerde documenten verstrekt, zou relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de toerekenbaarheid van het ontbreken van identiteitspapieren, maar dit argument leidt in ieder geval niet logischerwijs tot de conclusie dat eiser niet kan worden toegerekend dat hij geen reispapieren of andere bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Andere argumenten zijn door eiser in dit verband niet aangedragen. Verweerder heeft het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen.

2.4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) mogen, indien aan een vreemdeling het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt tegengeworpen, ingevolge het eerste lid van dat artikel, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, blz. 40/41) en de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas, om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet in dat geval een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Het asielrelaas van eiser komt erop neer dat hij vanwege zijn huwelijk met een vrouw die behoort tot een andere clan heeft te vrezen voor represailles van de zijde van de familie van zijn echtgenote. Gelet hierop vormt de door eiser gestelde herkomst, waaronder begrepen de clan waartoe hij behoort, een essentieel onderdeel van zijn asielrelaas. In het voornemen heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat eiser onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonomgeving en stamlijn, wat eiser niet heeft betwist. Voorts heeft verweerder in het voornemen gewezen op de uitkomst van de verrichte taalanalyse. In de aanvraagfase heeft eiser geen contra-expertise laten verrichten of aangevraagd. Eiser heeft niet aangevoerd dat verweerder de beslissing op zijn aanvraag had moeten aanhouden in afwachting van de in de zienswijze aangekondigde contra-expertise en het betoog van eiser bevat ook geen aanknopingspunten voor een dergelijke conclusie. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser, gelet op de onjuiste en onvolledige verklaringen van eiser over zijn woonomgeving en stamlijn en de uitkomst van de taalanalyse, positieve overtuigingskracht ontbeert en derhalve ongeloofwaardig is.

Ter zitting van de rechtbank is namens eiser verklaard dat hij niet betwist dat het bij faxbericht van 4 februari 2009 overgelegde rapport van de taalstudio gelet op de hierop betrekking hebbende jurisprudentie te laat is ingediend. Evenmin heeft eiser betoogd dat er redenen zijn om de desbetreffende jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2008 van de Afdeling (LJN BD8591), in zijn zaak niet te volgen. In zoverre is geen sprake van een geschil tussen partijen waarover de rechtbank een oordeel moet geven. Omdat eiser het rapport van de taalstudio te laat heeft ingediend, moeten dit rapport en de daaraan ontleende argumenten buiten beschouwing worden gelaten.

Gelet op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij het bestreden besluit ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000.

2.4.3. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, nu de verklaringen van eiser over zijn herkomst niet geloofwaardig zijn, niet toetsbaar is of eiser behoort tot de groep personen die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Dit komt voor rekening en risico van eiser. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij het bestreden besluit ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

2.4.4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Gelet op de verklaringen van eiser tijdens het eerste gehoor en de uitkomst van de taalanalyse betwijfelt verweerder of eiser afkomstig is uit het zuiden van Somalië. Deze twijfel raakt aan het beroep van eiser op de Definitierichtlijn, omdat eiser ter onderbouwing van dit beroep heeft aangevoerd dat hij afkomstig is uit het zuiden van Somalië en dat daar sprake is van een gewapend conflict.

Met verwijzing naar hetgeen is overwogen in 2.4.2. van deze uitspraak ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herkomst van eiser onvoldoende vaststaat. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn. Dit komt voor zijn rekening en risico. Het betoog van eiser ter zitting dat vaststaat dat hij afkomstig is uit Somalië en dat op het gehele grondgebied van dat land sprake is van een gewapend conflict, leidt niet tot een ander oordeel. Mede gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiser om aannemelijk te maken dat er in geheel Somalië sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn, tenzij dat zo duidelijk zou zijn dat deze stelling geen onderbouwing behoeft. De rechtbank vindt steun voor deze benadering in rechtsoverweging 2.1.6. van de uitspraak van 16 januari 2009 van de Afdeling in de zaak met procedurenummer 200706161/1 (LJN BH0757). De situatie in Somalië verschilt van regio tot regio, wat tot uitdrukking komt in het door eiser niet ter discussie gestelde beleid van verweerder inzake categoriale bescherming: met betrekking tot sommige delen van Somalië wordt een dergelijk beleid gevoerd, met betrekking tot andere delen van Somalië niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet zo duidelijk dat ten tijde van het bestreden besluit in geheel Somalië sprake was van een gewapend conflict (of dat een dergelijke situatie thans aan de orde is) dat deze stelling geen onderbouwing behoeft. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat in geheel Somalië sprake is van een gewapend conflict in de zin van de Definitierichtlijn is dan ook onvoldoende om daarvan uit te gaan.

De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dat verweerder ter zitting geen standpunt wenste in te nemen over het beroep van eiser op de Definitierichtlijn en de betekenis van het arrest van 17 februari 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen laat onverlet dat het ter toetsing voorliggende bestreden besluit een toereikend gemotiveerde weerlegging bevat van het beroep van eiser op de Definitierichtlijn.

2.4.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 24 maart 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.