Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
09/535127-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, als geüniformeerd wijkagent, schuldig gemaakt aan ontucht met misbruik van vertrouwen ten aanzien van twee slachtoffers. De twee slachtoffers hadden zich met vragen en/of problemen tot hem als vertrouwenspersoon en hulpverlener gewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/535127-09

Datum uitspraak: 18 juni 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West –

De Dortse Poorten te Dordrecht.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 juni 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. drs. L.P.H. de Milliano, advocaat te Katwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. Van der Zwan heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1A en B en 2A en B tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [X] tot een bedrag van € 3.075,00.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.075,00, subsidiair 40 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde [X] (voornoemd).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [Y] tot een bedrag van € 915,36.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 915,36, subsidiair 18 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y] (voornoemd).

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

A

hij op of omstreeks 13 februari 2009 te [P] door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [X] heeft gedwongen tot het ondergaan van

(een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [X], hebbende verdachte die [X]

(meermalen) op haar wang gezoend en/of op haar mond gezoend en/of zijn tong in

de mond van die [X] gestoken (getongzoend) en/of de bil(len) en/of

borst(en) van die [X] betast/gestreeld en/of aan de vagina en/of borst(en)

van die [X] gelikt en/of gezogen en/of zijn penis in de vagina van die

[X] gestoken

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

(reeds langere tijd) (wijk)agent was, althans (lange tijd) was geweest en/of

genoemde [X] wegens haar (persoonlijke) problemen en/of problemen in de

wijk als (wijk)agent terzijde stond en/of heeft gestaan en/of advies gaf en/of

(daarmee aldus) een vertrouwensband had opgebouwd met die [X] en/of die

[X] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en

met zijn psychisch overwicht dat hij, verdachte, op die [X] had verworven,

die [X] aan zijn, verdachtes, wil heeft onderworpen en die wil van die

[X] heeft gemanipuleerd en/of alstoen en/of aldaar gekleed in

politieuniform (tijdens diensttijd) in de woning van die [X] aanwezig was

en/of de blouse en bh van die [X] los heeft gemaakt en/of die [X] heeft

gevraagd of zij een slaapkamer had en/of tegen die [X] heeft gezegd dat zij

haar onderbroek uit moest doen en/of die [X] gezegd dat zij het (het hebben

van seksueel contact) tegen niemand mocht vertellen;

en/of

B.

hij op of omstreeks 13 februari 2009 te [P], als ambtenaar ontucht heeft

gepleegd met een persoon, genaamd [X], aan zijn gezag onderworpen

of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen,

immers heeft hij, terwijl hij alstoen en aldaar (wijk)agent was, althans

(langere tijd) (wijk)agent was geweest en/of terwijl hij gekleed was in

politieuniform (tijdens diensttijd), opzettelijk ontuchtig genoemde [X],

-die hij, verdachte, wegens haar (persoonlijke) problemen en/of problemen in

de wijk als (wijk)agent terzijde stond en/of heeft gestaan- op haar wang

gezoend en/of op haar mond gezoend en/of zijn tong in de mond van die [X]

gestoken (getongzoend) en/of de bil(len) en/of borst(en) van die [X]

betast/gestreeld en/of aan de vagina en/of borst(en) van die [X] gelikt

en/of gezogen en/of zijn penis in de vagina van die [X] gestoken;

artikel 249 lid 2 sub 1 Sr

art 242 Wetboek van Strafrecht

2

A.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01

september 2004 tot en met 01 december 2005 te [P], door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) (telkens) [Y] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

(meermalen) omhelsen van die [Y] en/of het (meermalen) zoenen van die

[Y] op de wang en/of op de mond en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) (telkens) uit het feit dat verdachte

(reeds langere tijd) (wijk)agent was, althans (lange tijd) was geweest en/of

genoemde [Y] wegens een door haar gedane melding/aangifte en/of wegens

(persoonlijke en/of psychische) problemen als (wijk)agent terzijde stond en/of

heeft gestaan en/of advies gaf en/of (daarmee aldus) een vertrouwensband had

opgebouwd met die [Y] en/of die [Y] in een afhankelijkheidsrelatie

met hem, verdachte, heeft gebracht en/of met zijn psychisch overwicht dat hij,

verdachte, op die [Y] had verworven die [Y] aan zijn, verdachtes,

wil heeft onderworpen en/of die wil van die [Y] heeft gemanipuleerd en/of

alstoen en/of aldaar (telkens) in politieuniform gekleed (tijdens diensttijd)

in de woning van die [Y] en/of in het politiebureau (alleen met die

[Y] in een kamer) aanwezig was en/of naast die [Y] ging zitten;

en/of

B.

hij op één of meerdere tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 01

september 2004 tot en met 01 december 2005 te [P], als ambtenaar (telkens)

ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [Y], aan zijn

gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen,

immers heeft hij, terwijl hij alstoen en aldaar (wijk)agent was, althans

(langere tijd) (wijk)agent was geweest en/of terwijl hij gekleed was in

politieuniform (tijdens diensttijd), (telkens) opzettelijk ontuchtig genoemde

[Y] -die hij, verdachte, wegens een door haar gedane melding/aangifte

en/of wegens (persoonlijke en/of psychische) problemen als (wijk)agent

terzijde stond en/of heeft gestaan- (meermalen) op haar wang gezoend en/of op

haar mond gezoend en/of omhelsd;

artikel 249 lid 2 sub 1 Sr

art 246 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1A (verkrachting) en 2A (feitelijke aanranding van de eerbaarheid) is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Daartoe wordt het volgende overwogen. Ten aanzien van deze beide (1A en 2A) aan de verdachte tenlastegelegde feiten, te weten verkrachting van aangeefster [X] (feit 1A) en aanranding van de eerbaarheid van aangeefster [Y] (feit 2A) geldt dat er, om te komen tot een bewezenverklaring hiervan, onder andere sprake dient te zijn van het dwingen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen. Bij dit dwingen dient (impliciet) opzet te bestaan op het tegen de wil van het slachtoffer doen ondergaan van deze ontuchtige handelingen. In de onderhavige zaken is hiervan onvoldoende gebleken. Door de officier van justitie is aangevoerd dat sprake is van een feitelijkheid (waarin deze dwang besloten zou liggen) te weten dat verdachte als wijkagent (in uniform) werkzaam was en dat op grond hiervan een afhankelijkheidsrelatie van aangeefsters ten opzichte van de verdachte bestond en een daarmee verband houdend overwicht van de verdachte ten opzichte van deze aangeefsters.Het bestaan van dwang kan tegen de achtergrond van doel en strekking van de artikelen 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, echter niet enkel worden afgeleid uit de tussen de verdachte en het slachtoffer bestaande afhankelijkheidsrelatie en het daarmee verband houdende overwicht van de verdachte op het slachtoffer (vergelijk: HR 2 december 2003, NJ 2004, 78).

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte, als wijkagent (in uniform en onder werktijd), door genoemde ontuchtige handelingen te plegen ten aanzien van zowel aangeefster [X] (feit 1B) als ten aanzien van aangeefster [Y] (feit 2B) die als aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen dienen te worden beschouwd, misbruik heeft gemaakt van zijn psychisch overwicht, de afhankelijke positie van de genoemde slachtoffers en het vertrouwen dat hij bij hen gewonnen had. De vrouwen die te maken hadden met problemen in hun wijk, konden zich alleen maar wenden tot verdachte die hun enige wijkagent was en waren daarmee feitelijk aan verdachte toevertrouwd of aanbevolen. De rechtbank weegt hierbij in het bijzonder mee dat de genoemde slachtoffers beperkingen hadden en sociaal emotioneel kwetsbaar waren. De rechtbank zal de onder 1B en 2B genoemde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaren.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1B.

hij op 13 februari 2009 te [P], als ambtenaar ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [X], aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen, immers heeft hij, terwijl hij alstoen en aldaar wijkagent was en terwijl hij gekleed was in politieuniform (tijdens diensttijd), opzettelijk ontuchtig genoemde [X], - die hij, verdachte, wegens haar (persoonlijke) problemen en wegens problemen in de wijk als wijkagent terzijde stond en heeft gestaan - op haar wang gezoend en op haar mond gezoend en zijn tong in de mond van die [X] gestoken (getongzoend) en de billen en borsten van die [X] betast/gestreeld en aan de vagina en borsten van die [X] gelikt en zijn penis in de vagina van die [X] gestoken;

2B.

hij op tijdstip(pen) in de periode van 01 september 2004 tot en met 01 december 2005 te [P], als ambtenaar meermalen ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [Y], aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen, immers heeft hij, terwijl hij alstoen en aldaar wijkagent was en terwijl hij gekleed was in politieuniform (tijdens diensttijd), opzettelijk ontuchtig genoemde [Y] -die hij, verdachte, wegens een door haar gedane melding/aangifte en/of wegens (persoonlijke en/of psychische) problemen als wijkagent terzijde stond - op haar mond gezoend en omhelsd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, als geüniformeerd wijkagent, schuldig gemaakt aan ontucht met misbruik van vertrouwen ten aanzien van twee slachtoffers. De twee slachtoffers hadden zich met vragen en/of problemen tot hem als vertrouwenspersoon en hulpverlener gewend. Beide slachtoffers waren bovendien vrouwen met beperkingen en dus extra kwetsbaar. Verdachte heeft misbruik gemaakt van dit in hem gestelde vertrouwen. Zijn gedragingen vormen tevens een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Seksueel misbruik is een ernstig feit waarvan de slachtoffers, zeker deze toch al kwetsbare personen, lange tijd hinder kunnen blijven ondervinden. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.

De verdachte heeft zelf gesteld dat hij in de valkuil van de wijkagent is gelopen. In dit verband laat de rechtbank meewegen dat uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, kan worden afgeleid dat verdachte als wijkagent weinig tot geen steun van zijn directe leiding in het politiekorps heeft gekregen. Dit klemt zoveel te meer nu de wijkagent een zware taak is toebedeeld waarin hij vaak alleen staat. De rechtbank weegt evenwel ook mee dat verdachte van zijn kant door het onvoldoende verantwoorden in mutaties en processen-verbaal weinig tot geen openheid heeft gegeven van hetgeen er in zijn wijk in [P] leefde en met wie hij met welke frequentie contacten onderhield. Ware dit anders geweest dan had de leiding mogelijk eerder kunnen ingrijpen. Verder weegt mee dat verdachte wel door collega’s is aangesproken op zijn grensoverschrijdend gedrag, doch dat dit hem hiervan niet heeft weerhouden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 maart 2009 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake misdrijven.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het psychologisch rapport van 18 mei 2009, opgesteld door dr. R.A.R. Bullens, psycholoog. De rapporteur stelt dat vanuit psychologisch oogpunt het opleggen van een deels onvoorwaardelijk, deels voorwaardelijke straf geïndiceerd is en dat een behandeling door verdachte zelf gewenst wordt geacht en door de rapporteur ook wordt onderschreven, om hem meer inzicht in de oorzaken achter zijn handelen te geven. Aangezien er geen seksueel deviante patronen zijn gevonden en de problematiek zich ook voor een groot deel in de relationele sfeer met de eigen partner afspeelt, kan een dergelijke behandeling ook binnen de reguliere GGZ plaatsvinden.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 juni 2009, opgesteld en ondertekend door mevrouw [A] en medeondertekend door de heer [B], unitmanager. Rapporteur acht de recidivekans en het gevaarsrisico midden tot hoog, indien verdachte zich in de toekomst wederom in een sociale situatie bevindt waarin hij een machtspositie bekleedt. Daarom adviseert de rapporteur naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met een proeftijd. Als bijzondere voorwaarde adviseert de reclassering een verplicht reclasseringscontact waarbinnen de behandeling bij een forensische polikliniek, te weten bij Het DOK te Rotterdam, plaats kan vinden.

Op grond van voornoemde overwegingen acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen opdat verdachte wordt gestimuleerd zich in de toekomst te onthouden van strafbare feiten. Daarbij zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij [X].

Mevrouw [X], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 10.400,00.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten 1 en 2, de benadeelde partij ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 75,00, aangezien de vordering van zo eenvoudige aard is dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1B bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 1.000,00 toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.075,00.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1B bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.075,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X] (voornoemd).

De vordering van de benadeelde partij [Y].

Mevrouw [Y], wonende [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 915,36.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post reiskosten ten bedrage van € 15,36, de benadeelde partij ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering van zo eenvoudige aard is dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2B bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 250,00 toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 265,36,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2B bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 265,36, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y] (voornoemd).

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1A en 2A ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1B en 2B ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

als ambtenaar ontucht plegen met een persoon aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 2 maart 2009,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 5 maart 2009,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij de forensische polikliniek Het DOK te Rotterdam, of een andere instelling;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [X], een bedrag van € 1.075,00,

- [Y], een bedrag van € 265,36,

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige deel niet ontvankelijk zijn in hun respectievelijke vorderingen tot schadevergoeding en dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

- € 1.075,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [X] en een bedrag groot

- € 265,36, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 respectievelijk 5 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Van Rens, voorzitter,

De Bruijn en Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2009.