Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8330

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/649/IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1396, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bv Y (Y) betaalt een bedrag aan haar aandeelhouder X ten laste van de agioreserve. Het besluit tot het doen van de betaling is niet schriftelijk vastgelegd. De betaling heeft zonder (voorafgaande) statutenwijziging plaatsgevonden.

Op het beroep van X overweegt Rechtbank 's-Gravenhage het volgende. De terugbetaling van agio behoort ingevolge artikel 4.13 van de Wet IB 2001 tot de reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang. X stelt dat hij heeft gedwaald met betrekking tot de fiscale gevolgen van de betaling en stelt, met een beroep op artikel 6:228, eerste lid, letter c, BW , dat de aanslag, voor zover deze de belastingheffing over de betaling betreft, ongedaan gemaakt dient te worden. De rechtbank stelt voorop dat, indien moet worden aangenomen dat de betaling niet berust op een verbintenisscheppende overeenkomst als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, BW, niets aan een analoge toepassing van artikel 6:228 BW op het (mondelinge) besluit van de Algemene vergadering van aandeelhouders tot terugbetaling van agio aan X in de weg staat. De passage uit de notulen van de Algemene vergadering van aandeelhouders, inzake het besluit tot terugbetaling kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, BW worden aangemerkt. De in die passage vermelde opschortende voorwaarde staat hieraan reeds in de weg. Gesteld noch gebleken is dat op een ander moment een dergelijke verklaring is gedaan dan wel dat een rechtsvordering als bedoeld in artikel 3.51, tweede lid BW is ingesteld. Reeds hierom is het beroep voor zover het de aanslag betreft ongegrond. De aan X opgelegde verzuimboeteboete acht de rechtbank passend en geboden. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn volstaat de rechtbank met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Ook het beroep tegen de verzuimboete is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/649/IB/PVV

Uitspraakdatum: 25 mei 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van f. 86.376, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van f 1.166.862 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van f. 3.448 (hierna: de aanslag). Tevens is aan eiser bij beschikking een verzuimboete van f 250 opgelegd (hierna: de boetebeschikking).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2006 de aanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 22 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 23 januari 2007, beroep ingesteld. Eiser heeft zijn beroepschrift bij brief van 21 maart 2007 nader gemotiveerd.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiser zijn verschenen drs. [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser hield sinds de oprichting van [E] Invest B.V. (hierna: B.V.), op 30 mei 1997, 100% van de aandelen in B.V. Tevens was hij directeur van B.V. Eiser heeft bij de oprichting van B.V., als storting op de bij hem geplaatste aandelen, 44 aandelen in het kapitaal van [F] Holding B.V. (hierna: [F] B.V.) ingebracht. Eiser is met verweerder overeengekomen dat de waarde van de ingebrachte aandelen [F] B.V. per 1 januari 1997 € 192.856 (f. 425.000) bedroeg. Het op dat moment van inbreng geplaatste aandelenkapitaal van B.V. bedroeg € 18.151 (f. 40.000; 80 aandelen van f. 500 nominaal). Door de inbreng van de aandelen [F] B.V. is een agioreserve van € 174.705 (f.385.000) bij B.V. ontstaan.

2.2. In 2001 heeft B.V. een bedrag van € 174.705 aan eiser betaald ten laste van de agioreserve (hierna: de betaling). Het besluit tot het doen van betaling is niet schriftelijk vastgelegd. De betaling heeft zonder (voorafgaande) statutenwijziging plaatsgevonden. De voormalige boekhouder van B.V. heeft eiser medegedeeld dat de betaling zijns inziens niet bij eiser in de heffing van de inkomstenbelasting zou worden betrokken.

2.3. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.195 (f. 86.376), een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 354.793 (f. 781.862) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.564 (f. 3.448). Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de betaling als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.

2.5. In de notulen van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van B.V. van 27 april 2007 staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"Aan de orde is het ongedaan maken van de door de vennootschap verrichte terugbetaling van agio in 2001 ter grootte van € 174.705 (f. 385.000) op grond van het inroepen van dwaling onder de opschortende voorwaarde dat de uitspraak in de lopende beroepszaak bij het rechtbank 's-Gravenhage onder procedurenummer 07/649 IB/PVV D3 dan wel bij een uitspraak van ons hoogste rechtscollege in hoger beroep, Hoge Raad der Nederlanden, leidt tot het vernietigen van de door de Belastingdienst aangebrachte correctie van het belastbaar inkomen uit box 2 over het jaar 2001 ter zake van het door de vennootschap terugbetaalde agio aan [eiser]. Mocht onverhoopt de uitspraak andersluidend zijn dan vervalt daarmee de terugbetalingsverplichting van [eiser] aan de vennootschap uiterlijk op het tijdstip waarop de hoogste rechter uitspraak heeft gedaan in de onderhavige beroepsprocedure dan wel het moment waarop [eiser] berust in de uitspraak van een lagere belastingrechter. (...)"

3 Geschil

3.1. In geschil is of de betaling in het onderhavige jaar bij eiser belast is als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Voorts is de verzuimboete in geschil

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van het in de belastingaanslag berekende belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot € 354.793 en vernietiging van de boetebeschikking.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 4.13, eerste lid, letter b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) luidt:

"1. Tot de reguliere voordelen bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoren:

(a) ...

(b) de teruggaaf van wat op aandelen is gestort, waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd;

(...)"

Artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:

"1. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

2. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven."

4.2. Niet tussen partijen in geschil is dat de betaling een terugbetaling van agio door B.V. aan eiser is. De rechtbank sluit zich aan bij de gezamelijke opvatting van partijen, die naar haar oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van de rechtbank behoort een terugbetaling van agio ingevolge artikel 4.13 van de Wet tot de reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang.

4.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij heeft gedwaald met betrekking tot de fiscale gevolgen van de betaling en stelt, met een beroep op artikel 6:228, eerste lid, letter c, van het Burgerlijk Wetboek, dat de aanslag, voor zover deze de belastingheffing over de betaling betreft, ongedaan gemaakt dient te worden. Verweerder heeft zulks gemotiveerd bestreden.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat, indien moet worden aangenomen dat de betaling niet berust op een verbintenisscheppende overeenkomst als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, van het BW niets aan een analoge toepassing van artikel 6:228 van het BW op het (mondelinge) besluit van de Algemene vergadering van aandeelhouders tot terugbetaling van agio aan eiser in de weg staat (vergelijk MvA II, Parlementaire Geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, Deventer 1981, blz. 222). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de door eiser gestelde dwaling niet tot vernietiging van dit besluit geleid. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De in 2.5 vermelde passage uit de notulen van de Algemene vergadering van aandeelhouders, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 3.50, eerste lid, van het BW worden aangemerkt. De in die passage vermelde opschortende voorwaarde staat hieraan reeds in de weg. Evenmin heeft eiser gesteld, noch is anderszins gebleken dat eiser op een ander moment een dergelijke verklaring heeft gedaan dan wel een rechtsvordering als bedoeld in artikel 3.51, tweede lid heeft ingesteld. Reeds hierom is het beroep voor zover het de aanslag betreft ongegrond (zie ook Hoge Raad 8 augustus 2008, nr. 42.946, LJN: BD9482, www.rechtspraak.nl).

Verzuimboete

4.5. Niet in geschil is dat eiser de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 niet heeft gedaan binnen de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gestelde termijn en, na daartoe op de voet van artikel 9, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) te zijn aangemaand, evenmin binnen de in de aanmaning gestelde termijn. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR vormt dit een verzuim ter zake waarvan verweerder eiser een verzuimboete van ten hoogste € 1.134 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (tekst 2001) kon verweerder bij een eerste verzuim een verzuimboete van ? 250 aan eiser opleggen. Dit heeft hij ook gedaan. De rechtbank acht deze boete, gelet op de omstandigheden van het geval, passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overschreden, nu de rechtbank pas zes jaar na de oplegging van de verzuimboete uitspraak heeft gedaan. Deze overschrijding van de redelijke termijn leidt echter, gelet op het bedrag van de verzuimboete, niet tot een vermindering daarvan. De rechtbank volstaat met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM (vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, nr. 42.763, LJN: BD0191, www.rechtspraak.nl). Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ook voor zover het de verzuimboete betreft ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. R.C.H.M. Lips en mr. E.J.W. Heithuis in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.