Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/743 VPB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5757, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

X b.v. (X) ontvangt een factuur van H b.v. (H), waarmee H haar een fee in rekening brengt. De inspecteur heeft deze fee niet in mindering op de winst van X toegelaten. De Rechtbank verklaart het beroep van X gegrond en overweegt daartoe het volgende. De fee komt in mindering op de winst van X indien het tot de kosten van de onderneming van X behoort. Op de factuur vermeldt H een prestatie ter zake waarvan zij de fee in rekening brengt. Uit de omschrijving van de prestatie volgt niet dat het zou gaan om een prestatie die is verricht voor een ander dan voor X . Voorts staat vast dat X de fee heeft voldaan. De inspecteur stelt dat de op genoemde factuur vermelde prestatie niet heeft plaatsgevonden, dat de factuur vals is en dat de betaling op andere gronden is gedaan. De inspecteur dient deze stellingen aannemelijk te maken. Daarin is hij niet in geslaagd. De rechtbank vermindert de aanslag en vernietigt de boetebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/40.2.2
FutD 2009-1306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/743 VPB

Uitspraakdatum: 25 mei 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Beheermaatschappij [X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 119.418 (f. 263.164). Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 9.926 (f. 21.875) aan eiseres opgelegd. Eiseres heeft zowel tegen voormelde aanslag als tegen de vergrijpboete bezwaar gemaakt.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2006 de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 23 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 23 januari 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft voorts bij brief van 25 november 2008 nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is op 27 november 2008 aan gemachtigde van eiseres gezonden. Voorts heeft verweerder bij brief van 2 december 2008 nadere stukken aan de rechtbank gezonden. Een afschrift hiervan is op 8 december 2008 aan gemachtigde van eiseres gezonden.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is verschenen [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en [C].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is op 25 april 1990 opgericht. Het doel van eiseres is de verkrijging, vervreemding en exploitatie van vermogenswaarden. Voorts verhuurde zij een terrein aan vennootschappen binnen de [D] groep, waartoe onder meer eiseres en de hierna te noemen vennootschappen behoorden. Tot 22 september 2000 hielden [E] Holding B.V., [D] Holding II B.V, [F] Holding B.V. en [G] Holding B.V. ieder 25% van de aandelen in eiseres. [D] was enig bestuurder van eiseres. Eiseres bezat in het jaar 2000 en in het onderhavige jaar onder meer grond en een hal aan de [a-straat 1] en een pand aan de [b-straat 1], beide te [plaats].

Op 22 september 2000 heeft [G] Holding B.V. 100 aandelen (25%) in eiseres, nominaal groot f 100, verkocht aan [D] Onroerend-goed Exploitatie B.V. De aandelen van eiseres zijn eind 2001 in handen van [E] Holding B.V. (25%), [D] Onroerend-goed Exploitatie B.V. (25%), [F] Holding B.V.(25%) en [D] Holding II B.V. (25%).

2.2. Op 1 oktober 1997 is [H] B.V. opgericht. Tot 21 mei 2001 waren haar aandeelhouders [I]' Group Holding B.V. (45%), [J] B.V. (45%) [K] (10%). [L] was enig bestuurder van [I]' Group Holding B.V. [D] was door middel van [D] Interholding B.V. en [D] Handelshuis B.V. bestuurder van [J] B.V. en door middel van [J] B.V. bestuurder van [H] B.V. [L] was door middel van [I]' Group Holding B.V. tevens bestuurder van [H] B.V. [H] B.V. verrichte projectmatige activiteiten op het gebied van milieukundige zaken en hield zich bezig met inzameling en verwerking van oude milieubelastende kabels. Voorts had [H] B.V. een aandelenbelang in [M]. Deze vennootschap hield zich bezig met de in- en verkoop van non-ferro en ferrometalen en het inzamelen en verwerken van kabels.

2.3. Eiseres heeft de volgende factuur in haar administratie over het jaar 2001 verwerkt:

"Rotterdam, 19 januari 2001

Factuurnr. 20010101

Verrichte diensten conform afspraak:

Advisering inzake aankoop en exploitatie onroerend goed, bezoeken

van locaties en besprekingen daaromtrent gedurende het jaar 2000,

alsmede diverse overige diensten en werkzaamheden met betrekking

tot de terreinen. fl. 125.000,00

BTW 19% - 23.750,00

Totaal fl. 148.750,00"

Deze factuur was afkomstig van [H] B.V. Eiseres heeft in mei 2001 van het gefactureerde bedrag een gedeelte, groot f. 23.750, rechtstreeks voldaan en het restant, groot f. 125.000, naar een derdenrekening overgemaakt. Eiseres heeft ter zake € 56.722 (f. 125.000) ten laste van haar winst over het onderhavige jaar gebracht. Verweerder heeft deze aftrek niet geaccepteerd en de aanslag vennootschapsbelasting 2001, in afwijking van de door eiseres ingediende aangifte, vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 119.418 (f. 263.164).

2.4. Op 22 mei 2001 heeft [J] B.V. 180 aandelen B van nominaal f. 100 in [H] B.V. aan [I]' Group Holding B.V. verkocht en geleverd voor f. 1. Tevens heeft [J] B.V. een aantal schulden van [H] B.V. overgenomen. Bij de akte van levering is een verklaring opgenomen die - voor zover hier van belang - luidt:

"(...) - blijkens akte van levering van aandelen (...) heeft [J] B.V. 180 aandelen B, (...), in [H] B.V. verkocht en geleverd aan [I]' Group Holding B.V.;

- in het kader van voormelde aandelenoverdracht hebben [J] B.V., [I]' Group Holding B.V. en [H] B.V. tevens afspraken gemaakt omtrent de voldoening na te melden facturen, welke afspraken zij bij deze acte wensen vast te leggen;

- voorts heeft Beheersmaatschappij "[X]" B.V. op heden een factuur van [H] B.V. ad f. 148.750,00 voldaan door storting van dit bedrag op een rekening van genoemde notaris (...), voor de voldoening van welk bedrag [H] B.V. bij deze kwijting verleent (...)"

2.5. Op 23 september 2003 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld.

2.6. In zijn brief van 13 oktober 2003 schrijft de voormalige gemachtigde van eiseres onder meer het volgende aan verweerder:

"Factuur [H]

Deze factuur heeft betrekking op het adviseren inzake het verwijderen van (secundaire) afvalstoffen op de meest efficiënte en doelmatige wijze. Dit advies heeft geleid tot het verwijderen van de afvalstoffen voor rekening en risico van de ontvanger (lees: [H]). Van rechtswege dienen afvalstoffen verwijderd te worden en gestort bij een door de overheid vergunde ontdoener. Niet gesorteerde afvalstoffen kwalificeren zich automatisch als restafval met als gevolg zeer hoge stortkosten. [H] heeft veel ervaring in het sorteren van afvalstoffen (B-hout, kabelresten en schroot) en kan deze gesorteerd afvoeren, hetgeen overall leidt tot reductie van de afvalstoffen. Het advies van [H] zou uiteindelijk geleid dienen te hebben tot een reductie van de stortkosten van de afvalstoffen aanwezig op o.a. de [a-straat]. (...)"

2.7. In zijn brief van 2 december 2003 schrijft de gemachtigde van eiseres onder meer het volgende aan verweerder:

"Advieskosten [H] B.V.

In het schrijven van administratiekantoor [N] is reeds melding gemaakt dat de advieswerkzaamheden deels betrekking hebben gehad op een reductie van de stortkosten van de afval stoffen als gevolg van een gesorteerde afvoer van deze afvalstoffen. Een nadere bewijsvoering van de reductie ontbreekt en is ons inziens niet op doelmatige wijze te verstrekken. Verder hebben de werkzaamheden deels betrekking op het verstrekken van advies inzake de koop van de resterende aandelen (25%) van Beheersmaatschappij [X] B.V. van de heer [G]. Dit advies richtte zich voornamelijk op waardering van de objecten en besprekingen daaromtrent om te komen tot een waardering van het aandelenpakket. Voor al deze werkzaamheden is uiteindelijk een "fixed price"overeengekomen (achteraf) van fl. 125.000. Hierbij is niet duidelijk wat de kosten zijn per soort werkzaamheden in haar samenstellende delen. (...)"

2.8. In zijn brief van 5 juli 2004 schrijft de gemachtigde van eiseres onder meer het volgende aan verweerder:

"Advieskosten [H] B.V.

In antwoord op uw vraag waarom de rekening met [H] B.V. is afgerekend middels de notaris kunnen wij u melden dat de reden hiervan gelegen is, dat in mei 2001 is besloten de samenwerking tussen partijen te beëindigen. Onderdeel van deze beëindiging was dat alle uitstaande vorderingen en schulden afgerekend diende te worden en finale kwijting zou worden verleend tussen partijen. De vordering van [H] B.V. op Beheersmaatschappij "[X]" B.V. maakte hiervan onderdeel uit en is uit dien hoofde middels deze weg afgerekend.(...)"

2.9. In een door verweerder overgelegde, ongedateerde notitie heeft een medewerker van de Belastingdienst de inhoud van een telefoongesprek met de gemachtigde van eiseres vastgelegd. Volgens deze notitie heeft de gemachtigde op de vraag "Waarom is [H] in staat een waardering van aandelen te doen?" geantwoord: "25% van de aandelen in [X] waren in handen van een bestuurder van de [D] Groep, dhr. [A]. Deze kwam in onmin bij [D] en vertrok waardoor ook de aandelen terug werden gekocht door [D] Holding en aanverwante vennootschappen. Voor de waarde van de aandelen heeft Cable Car gekeken wat het zou kosten de opgeslagen kabels e.d. bij [X] te laten verwijderen, recyclen of andersins weg te laten halen. Dit was van invloed voor de waarde. Op het terrein van [X] wordt alles opgeslagen van de [D] Groep."

2.10. Op 6 september 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [L] en twee medewerkers van de Belastingdienst. Volgens het daarvan door de medewerkers van de Belastingdienst opgemaakte verslag heeft [L] in dat gesprek - voor zover hier van belang - het volgende verklaard:

"(...) Op de vraag of de heer [L] deze factuur bekend voorkomt antwoordt hij ontkennend, (...) In 2001 was de heer [K] het enige personeelslid, hij was directeur. De heer [L] vermoedt dat de heer [K] de factuur opgemaakt heeft. (...) Op de vraag of de op de factuur omschreven werkzaamheden gebruikelijke werkzaamheden zijn voor [H] B.V., antwoordt de heer [L] "ja misschien wel, de heer [K] is een geleerd iemand op milieugebied. De advieswerkzaamheden zullen wellicht vanuit de expertise vanuit de heer [K] geweest zijn. Ik neem aan dat hij zijn uren doorberekende". (...) Op de vraag of de betaling wellicht op een transactie betrekking heeft antwoordt de heer [L] ontkennend. Op de vraag of het wellicht met een aandelentransactie te maken heeft antwoordt de heer [L] ook ontkennend. (...) Op het moment dat de heer [K] stopte als directeur bij [H] waren de financiële vooruitzichten niet best.(...) "

2.11. Op 14 september 2005 heeft [K] tegenover de Belastingdienst een verklaring afgelegd. Deze verklaring luidt, voor zover hier van belang:

"(...) Ons bedrijf [O] legde zich (...) toe op een veel meer milieuvriendelijke wijze van inzameling en verwerking van oude kabels. Dit hield dus ook in dat er een boekhouding werd gevoerd met betrekking tot de goederenbeweging, met ook een rapportage naar de klant (dat wil zeggen de leverancier van de oude kabels). (...) Binnen [H] kon ik goed gebruik maken van mijn inmiddels opgedane kennis en ervaring. Dit bedrijf namelijk ging zich vooral bezighouden met de inzameling en verwerking van oude milieubelastende kabels. Op papier had ik daar de functie van directeur. Maar bevoegdheden had ik feitelijk niet, want alle financiële en bestuurlijke zaken werden door [L] en [D] bedisseld, ofwel werden mij opgelegd. (...) U toont mij een factuur van januari 2001, betreffende werkzaamheden in 2000, afkomstig van [H] BV en gericht aan [X]. Het factuurbedrag is hfl. 125.000 exclusief BTW. [X] BV zegt mij niets, ik heb daar nooit van gehoord. In 2000 en 2001 was ik niet meer in dienst van [H] BV. De betreffende factuur heb ik niet gemaakt. (...) In de tijd dat ik voor [H] BV werkte, dus van 1 september 1997 tot en met 31 juli 1999, was er voor zover ik weet geen ander personeel in dienst. Ik zou ook niet weten wie degene is die de werkzaamheden zou moeten hebben verricht die op de mij zojuist getoonde factuur genoemd zijn. (...)"

2.12. [D] heeft tijdens een hoorgesprek met verweerder op 14 november 2005 volgens het door verweerder daarvan opgemaakte verslag het volgende verklaard:

"(...) Op de betwiste factuur wordt gesproken over "advisering inzake aankoop en exploitatie onroerend goed". Dit onroerend goed ziet volgens de heer [D] op de [a-straat] (1,8 hectare) en op de [b-straat] (2,3 hectare). De aankoop is gedaan door het [D]-concern. Anders gezegd een mede aandeelhouder van de [X] BV, de heer [A] (bezat 25% van de aandelen), werd uitgekocht. Om de waarde van de aandelen te bepalen diende bezien te worden wat het zou kosten om het onroerend goed (de bovengenoemde terreinen) te ontdoen van afvalstoffen. De terreinen lagen vol met afval o.a. bouwketen, auto's en allerlei soorten kabels. De heer [L] werd erbij gehaald om de troep op te ruimen. [H] zou deze afval stoffen verwijderen op een milieu vriendelijke manier (...) De samenwerking tussen de heer [L] en de heer [D] verliep na enige tijd niet meer zo soepel, men kreeg trammelant. Om zekerheid te krijgen dat de bedragen die men elkaar verschuldigd werd ontvangen zouden worden is besloten dat de geldstroom tussen beiden via een notaris zou lopen. Echter ook over de hoogte van het bedrag is trammelant ontstaan. Uit eindelijk is het bedrag van fl 125.000 exclusief BTW achteraf overeengekomen, omdat de heer [L] zijn uren betaald wilden zien. (...) Op de vraag of de heer [D] wellicht de factuur heeft opgemaakt (...) antwoordt hij ontkennend. (...)"

2.13. Op 9 juni 2006 heeft [L] tegenover medewerkers van de Belastingdienst een verklaring afgelegd. Deze luidt, voor zover hier van belang:

"(...) De BV [Rb: [H] B.V.] deed projectmatige dingen op het gebied van milieukundige zaken. De heer [K] was in die tijd de directeur en deskundige. U toont mij een kopie van een factuur van de BV, gedateerd 19 januari 2001, nummer 2001 0101, met een bedrag van hfl 125.000,- excl. Btw, de btw was hfl 23.750.- Totaalbedrag van de factuur is dus hfl 148.750,-. Ik heb u de vorige keer dat u mij sprak verklaard dat die factuur opgemaakt was door [K]. Dat blijkt onjuist te zijn. Ik heb [K] inmiddels gesproken, hij was heel het jaar 2000 niet meer bij de BV in dienst. Hij was het enige personeelslid van de BV. In 2000 was er niemand in dienst, dus ook geen deskundige die de werkzaamheden, zoals op de factuur vermeld had kunnen verrichten. Het betreft in ieder geval ook niet mijn werkzaamheden. Nogmaals, ik heb die factuur niet gemaakt. (...) Na het vertrek van de heer [K] is er door de BV geen omzet meer gedraaid. [D] en ik hebben toen besloten de zaak tussen ons te verrekenen en op te heffen. [N] regelde alles en wikkelde alles af. Daarna had ik 90% van de aandelen en [K] 10%."

3 Geschil

3.1. In geschil is of eiseres het op de in 2.3 vermelde factuur (hierna: de factuur) genoemde bedrag van € 56.722 (f 125.000), hierna: de fee, in mindering kan brengen op haar winst over het jaar 2001. Voorts is de in 1.1 vermelde vergrijpboete (hierna: de boete) in geschil.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 62.696 (f 138.164) en vernietiging van de boetebeschikking.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. De fee komt in mindering op de winst van eiseres, indien hij tot de kosten van de onderneming van eiseres behoort. Dit is het geval indien eiseres, zoals zij heeft gesteld, de fee met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming heeft betaald. Indien vaststaat dat zij die betaling heeft gedaan zonder enige tegenprestatie, kan zij de fee slechts dan tot de kosten van de door haar gedreven onderneming rekenen, indien zij aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van haar onderneming is gedaan (zie onder meer Hoge Raad 21 september 1994, nr. 29.356, BNB 1995/16).

4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de factuur vals is en dat de op die factuur vermelde prestaties nimmer hebben plaatsgevonden. Gelet hierop kan de fee volgens verweerder dan ook niet ten laste van de winst van eiseres over het jaar 2001 worden gebracht en is de boete terecht aan eiseres opgelegd.

4.3. Het staat vast dat [H] B.V. de factuur aan eiseres heeft gestuurd. Op de factuur vermeldt [H] B.V. een prestatie ter zake waarvan de fee in rekening wordt gebracht. Uit de omschrijving van de prestatie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het zou gaan om een prestatie die is verricht voor een ander dan voor eiseres. Voorts staat vast dat eiseres het op de factuur genoemde bedrag ten behoeve van [H] B.V. heeft betaald. Gelet hierop, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in eerste instantie op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat, zoals verweerder stelt, de op genoemde factuur vermelde prestatie niet heeft plaatsgevonden, dat de factuur vals is en dat de betaling op andere gronden is gedaan.

4.4. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd, dat het, gelet op de in 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11 en 2.12 vermelde verklaringen, onduidelijk is wie de factuur heeft opgemaakt, dat door eiseres naast de factuur geen enkel concreet bewijsstuk met betrekking tot de op de factuur genoemde prestatie is overgelegd, dat [H] B.V. niet over personeel beschikte om de op de factuur genoemde werkzaamheden te kunnen verrichten en dat de betaling vermoedelijk verband hield met een aandelentransactie. Voorts heeft verweerder verwezen naar een gespreksverslag, waaruit volgt dat [D] ten onrechte betalingen ten laste van de winst van een van zijn vennootschappen zou hebben gebracht en naar een boekenonderzoek bij [D] Interholding B.V. c.s., naar aanleiding waarvan forse correcties zijn aangebracht wegens ten laste van de winst gebrachte privé-uitgaven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betaling vermoedelijk betrekking heeft op een aandelentransactie. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij zijn stellingen niet met bewijsstukken kan staven.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de op de factuur vermelde prestatie niet heeft plaatsgevonden, dat de factuur vals is en dat de fee op andere gronden is betaald. De omstandigheden dat de verschillende betrokken personen uitéénlopende en soms tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd en dat niet duidelijk is geworden wie de factuur heeft opgemaakt en wie de activiteiten heeft verricht, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om op grond daarvan te concluderen dat de op de factuur vermelde tegenprestatie niet heeft plaatsgevonden en evenmin dat de factuur vals is. Voorts heeft verweerder zijn stelling dat de betaling betrekking zou hebben op een aandelentransactie niet aannemelijk gemaakt. De in 2.4 vermelde verklaring schiet daartoe tekort. Dit geldt ook voor het gespreksverslag en het boekenonderzoek, vermeld in 4.4, welke kennelijk op een andere dan de onderhavige zaak betrekking hebben. Gelet hierop en op de omstandigheid dat verweerder geen (verder) bewijs heeft aangedragen ter onderbouwing van haar stellingen, zal de rechtbank het beroep tegen de in 1.1 vermelde aanslag gegrond verklaren.

Boete

4.6. Gelet op hetgeen de rechtbank in 4.5 heeft overwogen, dient de boete te vervallen. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaren.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toe te kennen nu gesteld noch gebleken is dat eiseres hierom heeft verzocht vóórdat verweerder op het bezwaar had beslist.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 62.696 (f 138.164);

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644 en

wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet voldoen.

- gelast dat de Staat het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. R.C.H.M. Lips en mr. E.J.W. Heithuis in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.