Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7451

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/37818 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum verlenging verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd “verblijf vanwege medische noodsituatie”, / uitleg artikel 26, tweede lid, van de Vw

Eiser (Ghanees) is HIV-patiënt. Geldigheid van verblijfsvergunning liep af op 17 februari 2007. Bij aanvraag voor verlenging verblijfsvergunning heeft eiser medische verklaring van internist overgelegd. Cf. beleid heeft verweerder BMA-advies ingewonnen: aan eiser voorgeschreven medicijnen zijn in Ghana beschikbaar. In bezwaarprocedure is gebleken dat internist verkeerde informatie aan het BMA heeft doorgegeven m.b.t. de aan eiser voorgeschreven medicijnen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het eerst bij BMA-advies van 13 mei 2008 is komen vast te staan dat eiser aan voorwaarden voor verlenging voldoet, omdat in dat BMA-advies is vermeld dat 1 voorgeschreven medicijn niet beschikbaar is in Ghana.

Rechtbank is van oordeel dat noch BMA-advies, noch door internist aan BMA verstrekte informatie tot bewijslast van eiser behoort. Artikel 26, tweede lid, van de Vw dient naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aldus te worden uitgelegd dat indien na advies van het BMA blijkt dat eiser op de aangevraagde datum van verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden, hij geacht wordt reeds ten tijde van het indienen van zijn aanvraag met de daarbij overgelegde toestemmingsverklaring en medische verklaring te hebben aangetoond aan die betreffende voorwaarden te voldoen.

Beroep gegrond, bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en daarbij te onderzoeken of het betreffende medicijn op 18 februari 2007 beschikbaar was in Ghana.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenwet 2000 26
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/37818 BEPTDN

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken van

11 juni 2009

inzake

[eiser], [geboren 1960], van Ghanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij brief van 6 februari 2008 heeft verweerder het besluit van 18 september 2007 ingetrokken, waarin verweerder het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard tegen zijn besluit van 3 april 2007. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen om zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie” te verlengen met ingang van 18 februari 2007.

Eiser heeft op 22 oktober 2008 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 25 april 2007.

1.2 Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft verweerder voornoemd bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 april 2007 herroepen, in die zin dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiser is verlengd met ingang van 13 mei 2008 tot 13 mei 2009.

1.3 Op 4 november 2008 heeft eiser deze rechtbank meegedeeld zijn beroep te handhaven en bij brief van 1 december 2008 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

1.4 Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2009, waar eiser niet in persoon is verschenen. De gemachtigden van eiser en verweerder hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 24 oktober 2008 niet geheel aan het bezwaar van eiser tegemoet is gekomen. Om die reden wordt ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2008.

2.2 Aangezien verweerder bij besluit van 24 oktober 2008 alsnog heeft beslist op het bezwaar van 25 april 2007, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen processueel belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een beslissing. Het beroep voor zover dat betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

2.3 De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep met betrekking tot het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift, factor 0,25, bedrag per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat het beroep met betrekking tot het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar van zeer gering gewicht is.

2.4 Wat betreft het beroep voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 24 oktober 2008 is in geschil de ingangsdatum van de verlenging van de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie”.

2.5 Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat het op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of er in Ghana behandelmogelijkheden zijn voor HIV-patiënten en dat van eiser uitsluitend wordt verwacht om bij de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning een medische verklaring en een toestemmingsverklaring voor uitwisseling van medische gegevens over te leggen, hetgeen eiser heeft gedaan. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat zijn behandelend internist, de heer Van der Meer (hierna: Van der Meer) vervolgens verkeerde informatie over de aan hem voorgeschreven medicijnen aan verweerder heeft verstrekt. Aangezien de internist zijn fout heeft toegegeven en heeft aangegeven dat eiser in ieder geval sinds 19 oktober 2006 emtricitabine in plaats van lamuvidine gebruikt, alsmede omdat emtricitabine op 18 februari 2007 niet beschikbaar was in Ghana, stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder zijn verblijfsvergunning had moeten verlengen met ingang van 18 februari 2007, de datum waarop de geldigheid van de aan eiser verleende verblijfsvergunning afliep.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verblijfsvergunning op goede gronden is verlengd met ingang van 13 mei 2008, omdat voor het eerst met het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van die datum is aangetoond dat eiser voldeed aan de voorwaarden voor verlenging van zijn verblijfsvergunning. In het advies van 13 mei 2008 heeft het BMA, op basis van informatie van een vertrouwensarts in Ghana van 8 april 2008, aangegeven dat het medicijn emtricitabine niet in Ghana beschikbaar is.

2.7 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge het tweede lid wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

2.8 Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

2.9 In paragraaf B8/3.2 van de Vc is bepaald dat om met toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband een medische noodsituatie, de betrokkene zich in Nederland dient te bevinden en er sprake dient te zijn van de situatie dat:

- stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

- de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

- de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

Ten aanzien van deze voorwaarden wordt advies ingewonnen bij het BMA.

In paragraaf B8/4.1 van de Vc is bepaald dat als een vreemdeling (mede) op grond van medische omstandigheden stelt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toelating, hij deze stelling genoegzaam dient te onderbouwen met een medische verklaring, opgesteld door een behandelaar.

2.10 Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Vw wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 verlengd met ingang van de dag, waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd, afloopt.

2.11 De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn aanvraag, gedateerd op 19 oktober 2006, een toestemmingsverklaring en een door Van der Meer ondertekende medische verklaring heeft overgelegd. Hiermee heeft eiser de stukken overgelegd die hij overeenkomstig het beleid van verweerder diende over te leggen om zijn aanvraag genoegzaam te onderbouwen. Daarmee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank een begin van bewijs geleverd dat hij aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voldoet. Dit geldt temeer nu verweerder naar aanleiding van eisers aanvraag en de daarbij overgelegde stukken advies bij het BMA heeft ingewonnen. Dit advies van het BMA dient ter beoordeling van de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning. Hierdoor stelt verweerder de verlenging van de geldigheidsduur mede afhankelijk van een advies van een derde, te weten het BMA. Het BMA op zijn beurt heeft informatie ingewonnen bij de behandelend internist van eiser. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat noch het BMA-advies, noch de informatie die de behandelend internist aan het BMA heeft gegeven, tot de bewijslast van eiser behoren.

2.12 Gelet op het voorgaande kan niet de stelling van verweerder worden gevolgd dat ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Vw de datum van het BMA-advies van 13 mei 2008 als ingangsdatum voor de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning dient te gelden. Immers, pas met dat BMA-advies is komen vast te staan dat eiser voldoet aan de voorwaarden die voor verlenging gelden. De door verweerder gestelde interpretatie acht de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2007 (LJN: BB4823) in strijd met de tekst van artikel 26, tweede lid van de Vw, die bepalend is voor de uitleg van dit artikellid. Blijkens dit artikellid is immers voor de bepaling van de dag waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt verlengd niet van doorslaggevend belang de dag waarop is aangetoond dat de vreemdeling aan alle voorwaarden voldoet, maar de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet (cursiveringen door de rechtbank). Artikel 26, tweede lid, van de Vw dient naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aldus te worden uitgelegd dat indien na advies van het BMA blijkt dat eiser op de aangevraagde datum van verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden, hij geacht wordt reeds ten tijde van het indienen van zijn aanvraag met de daarbij overgelegde toestemmingsverklaring en medische verklaring te hebben aangetoond aan die betreffende voorwaarden te voldoen.

2.13 Uitsluitend indien de aanvraag alsmede de toestemmingsverklaring en de medische verklaring zijn ingediend op of vóór de dag die volgt op de dag waarop de geldigheidsduur afloopt van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd, kan ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Vw verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning geschieden zonder dat een zogenaamd verblijfsgat ontstaat.

De door verweerder gestelde interpretatie van artikel 26, tweede lid, van de Vw zou met zich brengen dat een verlenging van een verblijfsvergunning onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie” alleen zonder verblijfsgat zou kunnen geschieden indien het BMA-advies uiterlijk wordt uitgebracht op de dag die volgt op de dag waarop de geldigheidsduur afloopt van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd. Dit zou betekenen dat de vreemdeling voor de ingangsdatum van de verlenging van zijn verblijfsvergunning en daarmee voor het wel of niet ontstaan van een verblijfsgat afhankelijk is van de datum waarop het BMA een door verweerder aangevraagd advies uitbrengt. Dit acht de rechtbank in strijd met het impliciet uit artikel 26, tweede lid, van de Vw voortvloeiende uitgangspunt dat het ontstaan van een verblijfsgat in de invloedsfeer van de vreemdeling ligt.

2.14 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bij het bepalen van de ingangsdatum van de verlenging van de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning is uitgegaan van een onjuiste uitleg van artikel 26, tweede lid, van de Vw. Derhalve is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder zal worden gelast een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij dient verweerder rekening te houden met het volgende.

2.15 Verweerder heeft niet betwist dat de informatie die Van der Meer in eerste instantie aan het BMA heeft gegeven omtrent de aan eiser voorgeschreven medicijnen, onjuist is gebleken. Dit is noch verweerder, noch eiser te verwijten. Verder is niet in geschil dat eiser in ieder geval sinds 19 oktober 2006, dus ook ten tijde van het indienen van de aanvraag op 20 oktober 2006, onder andere het medicijn emtricitabine heeft gebruikt. Dit is voor het eerst tijdens de bezwaarprocedure komen vast te staan. In het BMA-advies van 13 mei 2008 is vermeld dat uit informatie van de vertrouwensarts van 8 april 2008 blijkt dat in Ghana geen emtricitabine beschikbaar is. De rechtbank kan uit dit BMA-advies, noch uit de andere stukken in het dossier opmaken of emtricitabine evenmin reeds op 18 februari 2007 beschikbaar was in Ghana. Dit dient verweerder bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing op bezwaar te onderzoeken. Indien nodig kan verweerder in het nieuwe besluit terzake ingaan op enerzijds de informatie van International SOS van 4 oktober 2006, waarnaar het BMA in zijn advies van 25 september 2008 heeft verwezen, te weten dat emtricitabine beschikbaar is in Ghana en anderzijds het door eiser op 13 juni 2008 overgelegde rapport van de vertrouwensarts van het BMA in Ghana van 6 juni 2007 waarin is vermeld dat emtricitabine niet beschikbaar is.

2.16 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 24 oktober 2008 acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (1 punt voor het aanvullende beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt

€ 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen, bedragen de totale kosten waartoe verweerder wordt veroordeeld € 724,50. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.17 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep voor het overige gegrond;

3.3 vernietigt het besluit van 24 oktober 2008;

3.4 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 724,50 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

3.6 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,-.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2009.

De griffier: De rechter:

mr. M. Baddouri mr. H. Gorter

(de griffier is verhinderd deze

utspraak mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.