Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7100

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/27971 ONGEWN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / beroep op Besluit 1/80 / Turkse werknemer / naturalisatie / motiveringsgebrek

Eiser is ongewenst verklaard wegens het plegen van een misdrijf. Eisers beroep op artikel 6 van Besluit 1/80 slaagt niet. De periode die eiser in detentie heeft doorgebracht kan niet worden aangemerkt als een tijdvak van legale arbeid, nu een periode van afwezigheid wegens detentie in het tweede lid van artikel 6 van Besluit 1/80 niet is gelijkgesteld met een tijdvak van legale arbeid. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest Dogan van 7 mei 2005, punt 18, LJN: AU2567 en arrest Sedef van 10 januari 2006, punt 45-47, LJN: AV6308) volgt dat in de fase van het ontstaan van de in de drie streepjes van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 neergelegde rechten de arbeid in beginsel niet mag worden onderbroken. Dit betekent dat eiser is gestopt met het opbouwen van rechten.

Met betrekking tot eisers beroep op artikel 7 van het Besluit 1/80 overweegt de rechtbank dat de echtgenote van eiser, voor zover zij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80, deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Dat de echtgenote van eiser tevens de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiser reeds hierom geen rechten zou kunnen ontlenen aan artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen stand houden. Beroep gegrond wegens een motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/27971 ONGEWN

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 4 juni 2009

inzake

[eiser], geboren op [1979], van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 18 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 20 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van eiser ingetrokken en eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen het besluit van 18 juli 2008 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2009, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is op 29 augustus 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote, [naam vrouw]”, geldig tot 29 augustus 2003. De geldigheidsduur van deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 29 augustus 2008. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 14 januari 2005.

2.2 Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 augustus 2005 is eiser door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, ter zake van poging tot doodslag en mishandeling, gepleegd op 14 januari 2005.

2.3 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij zelfstandig rechten kan ontlenen aan het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 6 van dit Besluit.

2.4 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser geen rechten kon ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80 op het moment dat tot verblijfsbeëindiging werd besloten, omdat eiser geen drie jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever heeft verricht.

2.5 De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of eiser ten tijde van het nemen van het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring, dat wil zeggen op 20 maart 2007, viel binnen de personele werkingssfeer van artikel 6 van Besluit 1/80. Indien deze vraag immers bevestigend wordt beantwoord, biedt het in artikel 14 van het Besluit 1/80 vervatte (communautaire) openbare ordebegrip het rechtskader waaraan het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring getoetst dient te worden.

2.6 Artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 bepaalt dat de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

- na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht heeft op verlenging van zijn arbeids-vergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

Het tweede lid bepaalt dat jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten gelijkgesteld worden met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

2.7 Eiser is van 2 april 2003 tot 14 januari 2005 werkzaam geweest bij [naam bedrijf]. Aan dit dienstverband is een einde gekomen als gevolg van het door eiser gepleegde misdrijf en de omstandigheid dat hij op laatstgenoemde datum in voorlopige hechtenis is genomen. Op 25 of 26 oktober 2005 is eiser uit detentie gekomen. Op 6 december 2005 is eiser gaan werken voor Kartal Uitzendbureau en op 28 augustus 2006 is hij een dienstverband aangegaan met Jobvisie.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het tijdvak van 14 januari 2005 tot 6 december 2005 niet worden aangemerkt als een tijdvak van legale arbeid, nu een periode van afwezigheid wegens detentie in het tweede lid van artikel 6 van Besluit 1/80 niet is gelijkgesteld met een tijdvak van legale arbeid. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (arrest Dogan van 7 mei 2005, punt 18, LJN: AU2567 en arrest Sedef van 10 januari 2006, punt 45-47, LJN: AV6308) volgt dat in de fase van het ontstaan van de in de drie streepjes van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 neergelegde rechten de arbeid in beginsel niet mag worden onderbroken. Dit betekent dat verweerder ter zitting terecht heeft gesteld dat de opbouw van rechten op 14 januari 2005 is gestopt.

Na zijn detentie is eiser op 6 december 2005 opnieuw arbeid gaan verrichten. Daargelaten de vraag of op dat moment sprake was van een onomstreden verblijfsrecht stelt de rechtbank vast dat tot aan de datum van het primaire besluit in ieder geval geen sprake is geweest van één jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever, aangezien eiser op 28 augustus 2006 van werkgever is veranderd. Dat artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreepje aldus dient te worden uitgelegd dat gedurende een ononderbroken periode van één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever dient te worden verricht, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1997, C-386/95, inzake Eker.

2.8 De rechtbank concludeert dat verweerder zich, gelet op het vorenstaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van het nemen van het besluit tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring niet viel binnen de personele werkingssfeer van artikel 6 van Besluit 1/80. Eiser kon hieraan op dat moment dan ook geen rechten ontlenen.

2.9 De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of eiser, zoals door hem is gesteld, rechten kan ontlenen aan artikel 7, eerste lid, van het Besluit 1/80. Artikel 7 van het Besluit 1/80 bepaalt dat gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

– het recht hebben om –onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang– te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen;

– vrije toegang hebben tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.

2.10 In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2006, LJN: AY5961 op het standpunt gesteld dat, nu de echtgenote van eiser ook de Nederlandse nationaliteit heeft en dus geen Turkse werknemer is in de zin van de Associatieovereenkomst, eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 april 2009 (LJN: BI2385) overweegt de rechtbank echter dat de echtgenote van eiser - voor zover zij de hoedanigheid heeft van tot de legale arbeidmarkt behorende Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van het Besluit 1/80 - deze hoedanigheid niet heeft verloren door naturalisatie. Immers, gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006/92) en 18 juli 2007 (Derin; JV 2007/438) worden de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten slechts in twee gevallen beperkt, te weten:

- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;

- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.

Dat de echtgenote van eiser tevens de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiser reeds hierom geen rechten zou kunnen ontlenen aan artikel 7 van het Besluit 1/80, kan gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie dan ook geen stand houden.

2.11 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen rechten kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 7 van Besluit 1/80, zodat dit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.12 Ter zitting heeft verweerder zich nog op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 7 van Besluit 1/80 ook niet kan slagen omdat geen sprake is van drie jaar legaal verblijf. De verblijfsvergunning van eiser is met terugwerkende kracht tot 14 januari 2005 ingetrokken, zodat eiser slechts 2 jaar en 5 maanden in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Na 14 januari 2005 was sprake van een omstreden verblijfsrecht als gevolg van het plegen van een strafbaar feit.

2.13 Door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, zijn op 22 oktober 2007 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen (zaaknr. C-484/07) gesteld over de uitleg van (het begrip legaal verblijf in) artikel 7 van het Besluit 1/80 in een vergelijkbare zaak als de onderhavige. De rechtbank wijst verweerder er dan ook op dat niet evident is dat zijn standpunt houdbaar is.

2.14 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.15 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

2.16 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 145,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,-.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum, als voorzitter, en mr. H. Gorter en mr. R.F.B. van Zutphen, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. M.L. Bressers mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.