Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6400

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/2643 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB Lux. Het verzoek van eiseres om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen is tardief. De rechtbank wacht de beantwoording van de prejudiciele vragen omtrent de verlengde navorderingstermijn niet af en concludeert dat deze termijn niet in strijd is met het EG-recht. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat erflater houder is (geweest) van een KB Lux rekening. Erflater heeft niet aan zijn inlichtingenverplichting ex artikel 47 Awr voldaan, zodat omkering van de bewijslast volgt. De rechtbank acht voorts de schatting van verweerder redelijk. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/38.2.1
FutD 2009-1187 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/2643 IB/PVV, AWB 07/6672 IB/PVV, AWB 07/6674 IB/PVV t/m AWB 07/6677 IB/PVV, AWB 07/6679 IB/PVV, AWB 07/2648 IB/PVV, AWB 07/6684 IB/PVV, AWB 07/6686 IB/PVV, AWB 07/2649 VB, AWB 07/6688 VB, AWB 07/6689 VB, AWB 07/6691 VB, AWB 07/6693VB t/m AWB 07/6695 VB en AWB 07/6697 VB

Uitspraakdatum: 29 april 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

de erfgename van [X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Uit de bijlage A8 bij het verweerschrift blijkt dat verweerder aan wijlen [X] (hierna: erflater) de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft opgelegd:

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1992 naar een belastbaar inkomen van ƒ 73.056;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1993 naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.704;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1994 naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.572;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1995 naar een belastbaar inkomen van ƒ 63.200;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1996 naar een belastbaar inkomen van ƒ 47.022;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1997 naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.551;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1998 naar een belastbaar inkomen van ƒ 45.395;

- met dagtekening 29 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1999 naar een belastbaar inkomen van ƒ61.541;

- met dagtekening 29 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 62.849;

- met dagtekening 22 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 2001 naar een te betalen bedrag aan nagevorderde belasting van ƒ 9.869;

De navorderingsaanslagen over de jaren 1992 tot en met 1997 zijn telkens verhoogd met

100% van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen verweerder geen

kwijtschelding heeft verleend. Bij de navorderingsaanslagen over de jaren 1998 tot en met

2001 zijn vergrijpboetes van 100% opgelegd.

1.2. Uit dezelfde bijlage blijkt dat verweerder voorts aan erflater de volgende

navorderingsaanslagen vermogensbelasting heeft opgelegd:

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1993 naar een belastbaar vermogen van ƒ 621.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1994 naar een belastbaar vermogen van ƒ 654.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1995 naar een belastbaar vermogen van ƒ 629.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1996 naar een belastbaar vermogen van ƒ 638.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1997 naar een belastbaar vermogen van ƒ 712.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1998 naar een belastbaar vermogen van ƒ 848.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 1999 naar een belastbaar vermogen van ƒ 934.000;

- met dagtekening 7 mei 2004 een navorderingsaanslag over het jaar 2000 naar een belastbaar vermogen van ƒ 782.000.

De navorderingsaanslagen over de jaren 1993 tot en met 1998 zijn telkens verhoogd met 100% van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen verweerder geen kwijtschelding heeft verleend. Bij de navorderingsaanslagen over de jaren 1999 en 2000 zijn vergrijpboetes van 100% opgelegd.

1.3. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 maart 2007 de navorderingsaanslagen, de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes gehandhaafd.

1.4. Eiseres, [A], weduwe en enig erfgenaam van erflater, heeft daartegen bij brief van 2 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 3 april 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld bij brief van 5 juni 2007, ingekomen bij de rechtbank op 6 juni 2007.

1.5. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C], mr. [D], [E] en [F].

Van het overigens ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches. Bij dit onderzoek is onder meer gebruik gemaakt van gegevens uit het door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) aangehouden Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister. Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2.2. Verweerder heeft informatie ontvangen van rekeningen bij de KB Lux (hierna: het renseignement). De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens. Het renseignement luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"[rekening] [X] 248,16".

2.3. Erflater, overleden op 3 december 2005, is in 1992 en volgende jaren beschreven voor de inkomsten- en de vermogensbelasting. Hij heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KB Lux.

2.4. Verweerder heeft erflater bij brief van 17 november 2003 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn buitenlandse vermogen. Verweerder heeft erflater daarbij gewezen op artikel 47, eerste lid, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) inzake omkering van de bewijslast alsmede op artikel 68 en artikel 69 Awr inzake het plegen van een strafbaar feit. Op 28 november 2003 heeft verweerder, onder verwijzing naar voornoemde brief van 17 november 2003, een herinneringsbrief aan erflater gestuurd. Vervolgens heeft verweerder - de in december 2003 ingeschakelde - gemachtigde van erflater bij brieven van 16 januari 2004, 26 februari 2004 en 9 maart 2004, onder verwijzing naar voornoemde brief, verzocht om alsnog nadere gegevens en inlichtingen omtrent het buitenlandse vermogen van erflater te verstrekken. Erflater heeft de vragenbrief van verweerder niet beantwoord.

2.5. Verweerder heeft bij brief van 13 april 2004 erflater in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1992 tot en met 2001 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1993 tot en met 2000, met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 100%.

2.6. Vervolgens zijn aan erflater de onderhavige navorderingsaanslagen, verhogingen dan wel vergrijpboetes opgelegd.

3 Geschil

3.1. In geschil is of de onderhavige navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes ten onrechte zijn opgelegd.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert uiteindelijk tot gegrondverklaring van de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes, vernietiging van de uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes en ongegrondverklaring van de overige beroepen.

3.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: verzoek om aanhouding

4.1. De rechtbank heeft ter zitting het aldaar door eiseres gedane verzoek om de behandeling van de onderhavige zaken in verband met een aantal soortgelijke bij het gerechtshof Amsterdam aanhangige procedures aan te houden, afgewezen. De rechtbank heeft daarbij, zoals zij ter zitting ook aan partijen heeft meegedeeld, in aanmerking genomen dat verweerder zich tijdens de zitting uitdrukkelijk tegen het verzoek om aanhouding heeft verzet, dat een aantal onderdelen in de onderhavige zaken een individuele beslissing behoeven en dat thans in de belastingrechtspraak sprake is van een rechterlijke toetsing in twee feitelijke instanties. Daarnaast volgt uit het hetgeen hierna wordt overwogen dat de rechtbank ook anderszins geen aanleiding ziet om het - herhaaldelijk ter zitting gedane - verzoek van eiseres om aanhouding, te honoreren.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

4.2. Eiseres heeft ter zitting, in aanvulling op haar 23 pagina's tellende pleitnota, aangevoerd dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De stukken die ontbreken zijn volgens eiseres:

a. het in het kader van het Rekeningenproject opgestelde draaiboek en de interne

nieuwsbrieven;

b. alle stukken betreffende de redelijke schatting;

c. alle aangiftebiljetten.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb volgt dat verweerder gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Verweerder dient deze stukken uit eigen beweging in te sturen. Artikel 8:45, eerste lid, van de Awb biedt de rechtbank daarnaast de mogelijkheid om eventuele ontbrekende andere stukken bij verweerder op te vragen. De rechtbank is van oordeel dat tot de in artikel 8:42 van de Awb bedoelde in deze zaken over te leggen stukken in ieder geval behoren een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangiften en/of een gespecificeerde opgaaf van de aanslaggegevens. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de stukken als hierboven vermeld in rechtsoverweging 4.2 onder de letters a en b van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak. Het vorenoverwogene leidt er evenwel niet toe dat de rechtbank de zaken zal aanhouden om verweerder de gelegenheid te bieden voornoemde stukken - eventueel met een beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb - over te leggen, nu eiseres haar stelling dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht, te laat in het geding heeft betrokken. In dit kader wijst de rechtbank op het feit dat eiseres in de uitnodiging voor de zitting van 1 december 2008 is gewezen op de mogelijkheid die artikel 8:58, eerste lid, van de Awb biedt om nadere stukken in te dienen tot 10 dagen voor de zitting. Eiseres heeft desgevraagd geen aanvaardbare verklaring gegeven waarom zij deze stelling niet in een eerder stadium van de procedure heeft ingebracht. De stelling van eiseres dat "de geheimhoudingskamer heeft bepaald dat verweerder deze stukken (als hiervóór in rechtsoverweging 4.2 vermeld onder de letters a en b) moet inbrengen", wat daar overigens ook van zij, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres met deze late stellingname in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. Ten aanzien van het verzoek alle aangiftebiljetten in te brengen, overweegt de rechtbank nog dat eiseres hierbij geen belang heeft aangezien de aanslaggegevens - zowel de primitieve als van de navorderingsaanslagen - bekend zijn, nog daargelaten dat ook dit verzoek tardief is.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene faalt de stelling van eiseres. Voor aanhouding van de behandeling van de onderhavige zaken bestaat dan ook geen aanleiding.

Verlengde navorderingstermijn

4.6. Eiseres heeft in haar pleitnota aangevoerd dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Awr in strijd is met het gemeenschapsrecht. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 21 maart 2008, nrs. 43 050 en 43 670, VN 2008/16.5 en VN 2008/16.4, op dit punt prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG). Eiseres heeft ook in verband hiermee ter zitting om aanhouding van de zaken verzocht. De rechtbank ziet echter, gelet ook op de zeer lange behandelingsduur van de onderhavige zaken, geen aanleiding om de beantwoording van deze prejudiciële vragen hier af te wachten. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

4.7. De Hoge Raad heeft in vorengenoemde arresten geoordeeld dat de toepassing van de verlengde navorderingstermijn een verboden belemmering van de vrijheid van diensten- of kapitaalverkeer meebrengt. Voor deze belemmering bestaat evenwel naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen de Hoge Raad daartoe in die arresten heeft overwogen, een toereikende rechtvaardigingsgrond. Uit de in die arresten aangehaalde parlementaire geschiedenis van artikel 16, vierde lid, van de Awr, volgt dat de reden voor invoering van de navorderingstermijn van twaalf jaren met name is gelegen in het gebrek aan toereikende controlemiddelen van de fiscus met betrekking tot inkomens- of vermogensbestanddelen die in het buitenland opkomen of worden gehouden. In de jaren waarop de onderhavige navorderingsaanslagen betrekking hebben bestond binnen de kring van de lidstaten geen of onvoldoende renseigneringsverplichting of andere dwingende afspraken over uitwisseling van gegevens van banktegoeden. Ingezetenen van lidstaten van de EG konden zich toen eenvoudig aan belastingheffing over rente uit een andere lidstaat onttrekken. Het op grote schaal vragen van inlichtingen aan andere lidstaten zou een onevenredige zware wissel hebben getrokken op de medewerkingsbereidheid van die lidstaten, nog daargelaten dat dit bij lidstaten die een bankgeheim kenden voorzienbaar geen resultaat zou opleveren. Het gaat binnen het kader van de EG niet aan om het tekort aan toereikende controlemogelijkheden ten aanzien van buitenlandse banktegoeden alleen voor rekening van Nederland te laten komen en daarom een verlengde navorderingstermijn af te wijzen. De rechtbank acht voorts een verlenging van de navorderingstermijn voor een periode van twaalf jaren niet disproportioneel. Naar het oordeel van de rechtbank is de verlengde navorderingstermijn derhalve een geschikt en proportioneel middel ter bevordering van de doeltreffendheid van de fiscale controles. Hieruit volgt dat van strijdigheid met het EG-recht dan ook geen sprake is.

Microfiches

4.8. Eiseres heeft aangevoerd dat de microfiches onrechtmatig zijn verkregen en dat de wijze van verkrijging daarvan door de Nederlandse fiscus zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat zij onbruikbaar zijn. Verweerder heeft dan ook door het gebruik van de gestolen microfiches onbehoorlijk gehandeld.

4.9. De Hoge Raad heeft in het vorengenoemde arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050,

VN 2008/16.5, op dit punt als volgt geoordeeld:

"3.4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen zijn, de gegevens door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Het Hof heeft daartoe overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld.

3.4.2. Het tegen dit oordeel gerichte onderdeel b van het tweede middel faalt. Mede gezien het arrest van de Hoge Raad (tweede kamer) van 14 november 2006, NJ 2007, 179, geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.".

4.10. Gelet op het vorenstaande mocht verweerder op grond van de gegevens die waren begrepen in de gestolen microfiches een nader onderzoek instellen naar de verzwegen bankrekeningen bij de KB Lux. De stellingen van eiseres op dit punt falen derhalve.

4.11. Voorts heeft eiseres in haar pleitnota onder punt 1 tot en met punt 31 aangevoerd dat zowel de Belgische als de Nederlandse autoriteiten de onder 2.1 genoemde Richtlijn hebben geschonden doordat zij de Luxemburgse autoriteiten niet hebben verzocht of, en zo ja onder welke voorwaarden, de gegevens opgenomen in de gestolen microfiches mochten worden gebruikt. Een en ander heeft tot gevolg dat bij het uitwisselen van de gegevens zowel het soevereiniteitsbeginsel als ook het internationale vertrouwensbeginsel is geschonden, zodat de gegevens zoals begrepen in de gestolen microfiches niet voor fiscale doeleinden mogen worden gebruikt. Eiseres heeft in dit verband onder meer tot aanhouding van de zaken en tot het stellen van één of meer prejudiciële vragen aan het HvJ EG verzocht.

4.12. Uit het arrest van het HvJ EG van 27 september 2007, C-184/05, r.o. 31,

(Twoh International BV), BNB 2008/13, volgt dat de Richtlijn de bijstand en de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten moet bevorderen om belastingfraude te bestrijden. Deze handelingen hebben derhalve primair een samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten tot doel en verlenen particulieren, zoals eiseres, dan ook geen rechten. Het beroep van eiseres op schending van de Richtlijn faalt dan ook reeds hierom. Overigens is van de door eiseres veronderstelde schending naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen verweerder daartoe in het ter zitting overgelegde stuk heeft opgemerkt, geen sprake. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank gezien het vorenstaande evenmin aanleiding.

Gegevens RDW

4.13. De rechtbank begrijpt de opmerking van eiseres in haar beroepschrift met betrekking tot de door de belastingdienst van de RDW (tegen betaling) verkregen gegevens aldus dat eiseres daarmee heeft bedoeld te stellen dat de belastingdienst daarmee het door artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) gewaarborgde recht op privacy heeft geschonden. Eisers stelt ook dat sprake zou zijn van het aanzetten tot schending van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Hiervan kan geen sprake zijn nu, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, de verwerving van de gegevens van de RDW is geschied vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 september 2001. In artikel 55 van de Awr is bepaald, voor zover hier van belang, dat door verweerder aan overheidsinstanties zoals de RDW informatie kan vragen. Voor zover al in de onderhavige situatie zou kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een inbreuk in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM is deze ingevolge het tweede lid van dat artikel toegestaan aangezien hier sprake is van gegevensverstrekking in het kader van het economisch welzijn van Nederland. Overigens brengt de omstandigheid dat de belastingdienst een vergoeding heeft betaald voor het vrijmaken van capaciteit en voor automatiseringshandelingen bij de RDW naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de gegevens van de RDW onrechtmatig zijn verkregen dan wel dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Identificatie

4.14. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de kennelijke ontkenning daarvan door erflater en eiseres, op verweerder de bewijslast rust dat erflater houder is (geweest) van een bankrekening bij de KB Lux. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de onder 2.2 genoemde gegevens alsmede op de bij ambtseed opgemaakte bevindingen van de ambtenaar die met het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder [X] was belast (bijlage A17 van het verweerschrift). Uit dit proces-verbaal blijkt dat alleen erflater in aanmerking komt als houder van de KB Luxrekening 144547, omdat van de in het BVR-bestand (Beheer Van Relaties) van de belastingdienst opgenomen personen na vergelijking daartoe met het RDW-bestand slechts één persoon van de zes met achternaam [...], de voornaam [...] heeft. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomst te twijfelen. Verweerder heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat erflater houder is (geweest) van de in het renseignement vermelde rekening met nummer 144547.

4.15. Eiseres heeft aan het slot van de zitting aangegeven dat zij, mocht de rechtbank oordelen dat erflater met juistheid als houdster van een KB Luxrekening is geïdentificeerd, alsnog in de gelegenheid wenst te worden gesteld om ex-werknemers van de KB Lux als getuigen te horen. Eiseres heeft desgevraagd aangegeven dat deze getuigen verklaringen kunnen afleggen omtrent de inhoud van de gegevens opgenomen in de microfiches. Voorts kunnen zij verklaren of erflater een rekening bij de KB Lux heeft (gehad). De rechtbank gaat evenwel aan dit getuigenaanbod voorbij, omdat sprake is van een voorwaardelijk bewijsaanbod en eiseres onvoldoende heeft geconcretiseerd wat deze getuigen nu precies over de relatie tussen erflater en de KB Lux kunnen verklaren. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat erflater inderdaad rekeninghouder is geweest bij de KB Lux alsnog de ex-werknemers als getuigen gehoord dienen te worden, wordt dit ook verworpen. Het strookt niet met het stelsel van de Awb de bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent bewijslastverdeling of bewijswaardering (vgl. Hoge Raad 17 december 2001, nr. 38 831, VN 2004/67.11)

4.17. Gelet op de door de Belgische overheid verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die naar erflater leidde, was er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres van mening is, voldoende aanleiding om aan erflater nadere inlichtingen omtrent die rekening te vragen als door verweerder is gedaan. De rechtbank wijst in dit verband op het in rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van

21 maart 2008, nr. 43 050, VN 2008/16.5, genoemde onderdeel 6.5 van de conclusie van

A-G Wattel van 1 juni 2007, VN 2007/35.8, waarin het volgende is opgenomen:

"6.5. In onze zaak beschikte de Inspecteur ten tijde van verzending van de vragenbrief over afschriften van de microfiches van rekeninghouders van KB Lux met daarop de naam van de belanghebbende. Hij heeft vervolgens - aldus het beroepschrift in cassatie (II.13) - ter identificatie van de personen op de fiches bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer de adresgegevens bij die namen opgevraagd (Hofuitspraak, 2.1.4 en 2.2.1). Op grond van deze informatie kon de Inspecteur zich mijns inziens in redelijkheid op het standpunt stellen dat de verlangde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing ten aanzien van de belanghebbende. Het Hof is tot eenzelfde oordeel gekomen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is op basis van de vaststaande feiten evenmin onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het middelonderdeel wordt mijns inziens dan ook vergeefs voorgesteld.".

4.18. Het vorenstaande brengt mee dat erflater, ingevolge het bepaalde in artikel 47, eerste lid, van de Awr, verplicht was om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Erflater heeft deze gegevens, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, niet verstrekt. De vraag of verweerder, naar eiseres heeft gesteld, op erflater een ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend door in zijn brieven te vermelden dat erflater een strafbaar feit in de zin van de artikelen 68 en 69 Awr pleegt, indien hij de op grond van de artikelen 47, eerste lid, en 49 van de Awr gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt, dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.19. De in de pleitnota onder punt 53 tot en met punt 65 verwoorde stelling van eiseres dat van een weigering om de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken geen sprake is, faalt eveneens. Uit de gedingstukken valt immers niet af te leiden dat erflater, naar eiseres heeft gesteld, onder het op 10 september 2002 tussen de belastingdienst en [G] gesloten protocol betreffende het Rekeningenproject (VN 2003/7.13) valt en dat in verband daarmee zijn bezwaren zijn aangehouden. De stellingen van eiseres op dit punt falen mitsdien.

4.20. Uit het vorenoverwogene volgt dat erflater niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. De rechtbank is dan ook, met verweerder, van oordeel dat in dit geval ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr, de bewijslast dient te worden omgekeerd. Dit brengt mee dat de beroepen van eiseres ongegrond moeten worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan overtuigend aangetoond, op grond waarvan die onjuistheid zou moeten worden aangenomen.

4.21. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of erflater de vereiste aangiften heeft gedaan. Hetgeen partijen daartoe hebben aangevoerd, behoeft dan ook geen behandeling meer.

Redelijke schatting

4.22. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomsten- en vermogensbestanddelen. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem gecorrigeerde inkomsten- en vermogensbestanddelen een berekening overgelegd, welke nader is toegelicht in het verweerschrift onder punt 6.5. Alhoewel aan deze berekeningswijze een zekere grofheid niet kan worden ontzegd, is die berekeningswijze op zichzelf bezien niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortvloeiende schatting als onredelijk ter zijde moet worden geschoven. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder slechts over beperkte gegevens beschikte, te weten de microfiches, de bekende rentepercentages van KB Lux en de gegevens die verkregen zijn van de meewerkende KB Lux rekeninghouders, terwijl erflater daarentegen, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.14 is overwogen, juist degene was die over informatie van zijn KB Lux rekening beschikte en dus in staat was om aan te tonen dat de correcties in zijn geval lager moesten zijn. Nu hij dit heeft nagelaten en tegen de berekening van verweerder als zodanig evenmin gronden zijn aangevoerd, moet de schatting als redelijk worden aangemerkt.

4.23. Gelet op het vorenoverwogene zijn de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd.

Slotsom

4.24. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen, voor zover gericht tegen de verhogingen en vergrijpboetes, gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de - samenhangende - bezwaren en beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.207,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor 1en een factor 1,5 voor samenhang).

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond, voor zover die zijn gericht tegen de verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de

verhogingen respectievelijk de vergrijpboetes;

- vernietigt de verhogingen en de vergrijpboetes en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.207,50, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon aan die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 78 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, mr. L. de Loor-Alwin en mr. I. Obbink-Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier mr. U.A. Salomons.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.