Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6247

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
19-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/2640 BESLU en 08/2762 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op bezwaar strekkende tot handhaving van de verleende kapvergunning vernietigd wegens strijd met artikel 5, derde lid, onder d, van de Verordening op de beplanting in Leiderdorp 2005. Verweerder heeft niet onderkend dat de aanvraag geweigerd had moeten worden, omdat geen kapvergunning is vereist. De verleende kapvergunning wordt herroepen en de aanvraag wordt geweigerd. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/2640 BESLU en 08/2762 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

1. ir.[A] en [B], wonende te [plaats], eisers,

vertegenwoordigd door mr.drs. [C];

2. de bewonersvereniging Essenpark, gevestigd te Leiderdorp, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, verweerder.

Derde partij: [D], wonende te [plaats], vergunninghouder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder vergunninghouder een vergunning verleend voor het kappen van 12 bomen op het perceel Essenpark 8A te Leiderdorp, kadastraal bekend gemeente Leiderdorp, sectie B, nummer 3728, onder de voorwaarde dat uiterlijk binnen een jaar na het gereedkomen van de bebouwing 15 bomen zijn herplant.

Bij besluit van 28 februari 2008, verzonden op 10 maart 2008, heeft verweerder,

overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van

7 december 2007, het hiertegen door eisers sub 1 en eiseres sub 2 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, zulks onder handhaving van het bestreden besluit.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1 bij brief van 8 april 2008, ingekomen bij de rechtbank op 9 april 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Eiseres sub 2 heeft bij brief van 13 april 2008, ingekomen bij de rechtbank op 14 april 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft bij brief van 30 juli 2008 zijn zienswijze op het beroep gegeven.

De beroepen zijn op 22 april 2009 gevoegd ter zitting behandeld.

Eiser [A] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I.N.A. Denninger, advocaat te Haarlem. Namens eiseres sub 2 is verschenen prof.dr. [E]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [F] en [G]. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.C.V. Mans, advocaat te Leiden.

II OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiseres sub 2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het geval van een rechtspersoon als eiseres sub 2 worden ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb daaronder mede verstaan de algemene en collectieve belangen die een rechtspersoon krachtens zijn doelstelling en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.

Blijkens de statuten van eiseres sub 2 is zij op 5 april 2007 opgericht, derhalve nadat het primaire besluit van 6 maart 2007 was genomen, doch alvorens de bezwaartermijn was verstreken.

In artikel 2 van de statuten stelt eiseres sub 2 zich ten doel de gezamenlijke belangen te behartigen van de leden als eigenaren van een huis gelegen aan het Essenpark te Leiderdorp. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het waar nodig te verstrekken van informatie aan leden, het voeren van overleg met de gemeente Leiderdorp en andere overheden, alsmede door alle andere wettige middelen om de gezamenlijke belangen van de bewoners van het Essenpark te behartigen en alles in de ruimste zin des woords zonder dat de vereniging één en ander bedrijfsmatig gaat verrichten.

In haar uitspraak van 1 oktober 2008, gepubliceerd in AB 2008, 348 (LJN: BF3911), heeft de Afdeling overwogen dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Een andere uitleg zou volgens de Afdeling betekenen dat voor de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep van een rechtspersoon in zoverre voldoende is dat hij dergelijke rechtsmiddelen pleegt aan te wenden. De uitleg van de criteria van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zou er dan op neerkomen dat het beroepsrecht in feite voor een ieder open zou staan (actio popularis), aldus de Afdeling.

De rechtbank stelt vast dat eiseres sub 2 bij brief van 18 april 2009 alsmede ter zitting heeft uiteengezet waaruit haar feitelijke werkzaamheden bestaan. Uit deze opsomming en gegeven toelichting blijkt niet dat deze werkzaamheden hoofdzakelijk gericht zijn op het voeren van juridische procedures. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008, gepubliceerd in JB 2008/92, (LJN: BC5800) waarin is overwogen dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Gelet op artikel 2 van de statuten van eiseres sub 2, kan niet worden gezegd dat zij de collectieve belangen van bewoners van het Essenpark te Leiderdorp niet behartigt. Verder acht de rechtbank in het licht van de aangehaalde jurisprudentie relevant dat leden van eiseres sub 2, zoals in ieder geval eisers sub 1, individueel belanghebbende zijn, zodat van een (verkapte) actio popularis in dit geval geen sprake is.

Eiseres sub 2 kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als belanghebbende bij het primaire en het bestreden besluit.

Inhoudelijke beoordeling van de beroepen

Bij het thans bestreden besluit is het door eisers ingediende bezwaarschrift gegrond verklaard voor zover de bezwaren zich richten tegen het ontbreken van een kapvergunning voor het snoeien van 85 m2 heesters en het ontbreken van een duidelijke toets aan artikel 10, lid 3, van de verordening op de beplantingen. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard en is het primaire besluit onder herstel van genoemde gebreken gehandhaafd.

In het bestreden besluit is overwogen dat op het moment dat gebruik gemaakt kan worden van de kapvergunning sprake is van een particuliere houtopstand als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de verordening, omdat het in geding zijnde perceel alsdan is geleverd aan vergunninghouder, zodat in dit geval een kapvergunning is benodigd. Daarnaast is overwogen dat zich geen van de in artikel 10, tweede lid, genoemde weigeringsgronden voordoet. Gebleken is volgens verweerder dat de bomen deel uitmaken van wijkgroen, niet van de hoofdgroenstructuur en geen bijzondere waarden hebben, zodat opoffering van de bomen niet toetsbaar is aan de vigerende verordening. De belangen van omwonenden zijn niet opgenomen als weigeringsgrond, aldus verweerder.

Verweerder heeft verder overwogen dat in het kader van het in procedure zijnde bestemmingsplan "W4" is getoetst aan de Flora- en Faunawet. Het gebied valt niet binnen een beschermingszone van de Habitat en Vogelrichtlijn, Natuurbeschermingswet en de (provinciale) ecologische hoofdstructuur. In het Essenpark komen geen in het kader van de Flora- en Faunawet beschermde soorten voor, zodat het verlenen van de kapvergunning naar het oordeel van verweerder niet strijdig is met de bepalingen van deze wet.

Eisers sub 1 hebben gesteld dat de procedure als bedoeld in artikel 13 van de verordening gevolgd had moeten worden, zodat een groentoets moet worden opgesteld die aan goedkeuring van verweerder onderhevig is. Verweerders standpunt dat die procedure zou zijn bedoeld voor grotere ruimtelijke projecten vindt geen grondslag in de tekst van de verordening en kan dan ook niet worden gevolgd. Het perceel heeft volgens eisers sub 1 immers een belangrijke waarde voor het (openbaar) groen in het Essenpark en omgeving. Gezien de daarvoor geldende criteria zal de groentoets niet kunnen worden goedgekeurd en geen ontheffing van het kapverbod kunnen worden verleend.

Subsidiair hebben eisers sub 1 gesteld dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de natuur- en milieuwaarden, de waarde van het stads- en dorpsschoon alsmede de waarde voor recreatie en leefbaarheid niet aan de orde zijn.

Verweerders stelling dat het op het perceel aanwezige groen geen bijzondere waarde heeft is niet begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. Uit diverse gemeentelijke stukken blijkt immers de waarde van het groen. Uit de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan "W4" kan niet worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten op het perceel aanwezig zijn, omdat daarin geen conclusies worden getrokken. Het motiveringsgebrek is derhalve onvoldoende hersteld, aldus eisers sub 1. Daarnaast bestrijden eisers sub 1 dat de opgelegde herplantplicht voldoende zou zijn.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de beplanting in Leiderdorp 2005 (hierna: de verordening) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of doen vellen.

In artikel 5, derde lid, is bepaald dat het in het eerste lid gesteld verbod onder andere niet geldt voor:

(...)

d. Het vellen van een particuliere houtopstand die niet op de lijst met bijzonder waardevolle bomen staat of niet geveld wordt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling;

(...).

Ingevolge artikel 1, onder q van de verordening wordt onder een ruimtelijke ontwikkeling verstaan: een ontwikkeling in de openbare ruimte, zoals de bouw van woningen en andere gebouwen, de aanleg of het verleggen van een weg, het leggen van kabels en leidingen, het herinrichten van een gebied, die grote invloed kan hebben op deze openbare ruimte.

De rechtbank stelt vast dat in de overeenkomst van koop en verkoop die de gemeente met vergunninghouder heeft gesloten is vermeld dat partijen binnen één maand na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning de akte van levering ondertekenen. Op het moment dat van de kapvergunning gebruik gemaakt kan worden zal dus sprake zijn van een particuliere houtopstand.

Daarnaast is niet gebleken dat ter plaatse bomen aanwezig zijn die op de lijst met bijzonder waardevolle bomen staan. Van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1, onder q, van de verordening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu het hier om de bouw van één particuliere woning gaat. Ofschoon op perceelsniveau sprake is van een forse inbreuk op de bestaande ruimtelijke situatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een ontwikkeling van grote invloed voor de openbare ruimte als bedoeld in de verordening. Het betreft immers de bouw van één woning in een woonwijk.

Aangezien niet is gebleken dat ter plaatse bomen aanwezig zijn die op de lijst met bijzonder waardevolle bomen staan dan wel bomen geveld worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, geldt naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 5, derde lid, onder d, van de verordening het kapverbod in dit geval dus niet. Derhalve is geen kapvergunning vereist. Verweerder had op deze grond de aanvraag moeten weigeren. Verweerder heeft dit niet onderkend. De beroepen zijn dan ook gegrond en het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 5, derde lid, van de verordening worden vernietigd.

Aangezien bovenstaand oordeel ertoe leidt dat verweerder nog maar één rechtens juiste beslissing kan nemen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

Verweerder wordt in de door eisers sub 1 gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Gesteld noch gebleken is dat eiseres sub 2 proceskosten heeft gemaakt.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 27 februari 2007 en weigert de gevraagde kapvergunning;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de gemeente Leiderdorp aan eisers sub 1 het door hen betaalde griffierecht, te weten € 145,-, en aan eiseres sub 2 een bedrag ad € 288,- aan betaald griffierecht vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers sub 1 gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 644,-, welk bedrag de gemeente Leiderdorp aan eisers sub1 moet vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. M.A. Dirks, mr. J.L. Verbeek en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar 3 juni 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.